Presidentsverkiezingen in Iran

Leider op te grote sloffen

Het belangrijkste land van het Midden-Oosten kiest volgende week een president. Maar de koers van Iran is veel minder afhankelijk van de president dan iedereen denkt. ‘President Ahmadinejad zit aan de tafel van de macht, maar niet aan het hoofd.’

VIER JAAR GELEDEN maakte een Iraanse president die vaak woorden als ‘mensheid’ en ‘dialoog’ in de mond nam en had doorgeleerd in Griekse en Duitse filosofie plaats voor een man die liever sprak over uraniumverrijking en holocaust-verzinsels en die met priemende ogen en vingers boze dingen riep naar menigten. Het was de ideale bevestiging van het beeld dat bij elke verkiezing in Iran opduikt in westerse commentaren: Iran als land dat voor een beslissende tweesprong staat tussen openheid, modernisme en vrijheid en achterlijkheid, boosaardigheid en fundamentalisme. Ook bij de Iraanse presidentsverkiezingen van volgende week is de tweesprong de gangbare voorstelling van zaken.
Zoals onvermijdelijk is bij zulke aantrekkelijk simpele beelden is de werkelijkheid ingewikkelder. Verwarrende feiten worden dan ook liever weggelaten: bijvoorbeeld dat de man die ditmaal de hoop van het Westen vormt graag en vaak de lof zingt van Irans nucleaire technologie of dat onder de huidige president, de boeman Ahmadinejad, voor het eerst in bijna dertig jaar officieel diplomatiek contact is gemaakt met de VS.
Het terugkerende beeld van Iran op de tweesprong is niet alleen simplistisch, het geeft ook een compleet verkeerde voorstelling van wat er op het spel staat in de verkiezingen – vooral van de onbegrensde macht die bij de Iraanse president wordt verondersteld om de koers van zijn land te bepalen. ‘De verkiezingen tonen vooral in welke richting de maatschappij gaat. Een radicale koerswijziging in de politiek, die mensen vaak aan verkiezingen in Iran lijken op te hangen, is onmogelijk’, zegt Ali Ansari, hoogleraar Iran Studies aan de Schotse St. Andrews Universiteit en auteur van boeken over Iraanse politiek, in een telefonisch gesprek. ‘Ahmadinejad heeft daar wel de ambitie voor en het ego, maar niet de visie en de invloed. Hij zit wel aan de tafel van de macht, maar niet aan het hoofd.’

DE KOERS van de Iraanse maatschappij wekt al decennialang grote fascinatie op in het Westen: vanwege de berg Perzische cultuur waarop ze gebouwd is, de adembenemende decadentie van de sjah en zijn jubileumfeestje van honderd miljoen dollar, de wereldwijde echo van de Islamitische Revolutie en de opgelegde demodernisering van het openbare leven onder het religieuze bewind. De koers van Iran heeft bovendien grote internationale gevolgen: vanwege het natuurlijke leiderschap van Iran in zijn regio, de voorbeeld- en geldschietersfunctie van het land voor radicaal-islamitische groepen en de sleutelpositie die het land in de schoot geworpen kreeg van de Verenigde Staten en hun bondgenoten, nadat zij Irans aartsvijanden hadden weggebombardeerd uit de buurlanden Irak en Afghanistan en zich daar in twee uitzichtloze oorlogen hadden gemanoeuvreerd.
Maar in welke richting het land gaat, en dan vooral de landspolitiek, is een soort kremlinologie geworden, vooral dankzij het merkwaardige staatsbestel. Dat is een product van de revolutie van 1979, toen het corrupte en autoritaire regime van de sjah omver werd geworpen door een bizarre coalitie van marxistische, liberale, extreem-links-religieuze en conservatief-islamistische groepen. Ayatollah Khomeini trok de macht naar zich toe en gaf zichzelf een centrale rol in de staat als Hoogste Leider. Zijn zelfgekozen opvolger ayatollah Khamenei heeft behalve een ‘gewone’ regering van president, kabinet en parlement ook een kring van instituties om zich heen, zoals de Raad van Geschiktheid en Oordeel, de Vergadering van Experts en de Raad van Hoeders – alle ontworpen om de geestelijkheid een vaste greep op de landspolitiek te laten houden. De verkiezing van de president is een begrijpelijk en helder proces; de raden zijn ondoorgrondelijk.
‘Iraanse politiek is persoonlijkheidspolitiek’, zegt Ansari. ‘Door de formele instituties die Iran heeft, lopen facties, allianties en netwerken die draaien om personen voor en achter de schermen. Voor buitenstaanders is het systeem heel moeilijk te doorzien.’ In zo’n systeem kan iemand door machtige handen naar voren worden geschoven, veelal vanuit de heilige stad Qom, het theologische centrum van de sjiitische wereld en verzamelplaats van seminaries, tienduizenden studenten uit het hele Midden-Oosten, religieuze universiteiten en islamitische orden. Dit was het geval met Mahmoud Ahmadinejad bij de presidentsverkiezingen van 2005.
Ahmadinejad was destijds burgemeester van Teheran, maar hij was geen politicus met nationale uitstraling. In korte tijd werd er via moskeeën, buurtcentra en straatcomités een campagne opgezet – met de slogan ‘Het is mogelijk en wij kunnen het’ – die draaide om religieus conservatisme (Ahmadinejad behoort tot de strengste sjiitische sekte) en populistische afkeer van de elite. Ahmadinejad beloofde corruptie uit te roeien en ‘Irans olie-inkomsten op de tafels van de mensen’ te zetten. Zijn campagneteam cultiveerde bovenal Ahmadinejads imago van man van het volk, vooral door een hele rits anekdotes waarvan het waarheidsgehalte er minder toe deed dan de boodschap: hoe hij als burgemeester met blote handen een verstopte goot ontstopte, hoe hij een klachtendoos in zijn oude volkswijk aan een paal had getimmerd en elke brief persoonlijk beantwoordde, hoe hij een dure ambtswoning geweigerd had, et cetera.
De bescheiden afkomst was geen verzinsel: Ahmadinejad was zoon van een winkelier uit de woestijnstad Aradan, die met zijn gezin naar Teheran was getrokken, zijn naam veranderde van Saborjhian (‘Draadverver’) in Ahmedinejad (‘Deugdzaam ras’) en er siertralies smeedde. Ahmadinejad ging eind jaren zeventig naar een technische universiteit, werd steeds actiever in zijn moskee en sloot zich aan bij een radicaal-islamitische studentengroep die tijdens de Islamitische Revolutie het voortouw nam bij de gijzeling in de Amerikaanse ambassade (ondanks een opgeklopte rel hierover onder leden van de achterban van president Bush was Ahmadinejad er waarschijnlijk niet zelf bij betrokken). Toen de oorlog met Irak uitbrak, meldde hij zich als militair ingenieur. Na de oorlog keerde hij terug naar de universiteit. Hij promoveerde in verkeersmanagement, werd universitair docent en was actief in de radicale Basij, bij de Revolutionaire Garde ondergebrachte vrijwilligers die zich specialiseerden in het aftuigen van onkuise of demonstrerende studenten en die het voornaamste kanonnenvlees hadden gevormd van de ‘menselijke golf’-aanvallen in de oorlog met Irak.
Ahmadinejads ‘mentor’ is de ultraconservatieve ayatollah Yazdi, die straatgeweld propageerde als middel tegen de groeiende invloed van hervormers in de jaren negentig. Yazdi is streng sjiitisch, is lid van de Vergadering van Experts en hoogstwaarschijnlijk de drijvende kracht achter Ahmadinejads pijlsnelle politieke carrière: de militant-conservatieve docent werd door Teherans dito gemeentebestuur in 2003 van de universiteit geplukt en zonder enige bestuurservaring in 2003 burgemeester van de hoofdstad gemaakt. Twee jaar later volgde al de kandidatuur voor het presidentschap. Eenmaal gekozen beloofde Ahmadinejad een regering van ‘gematigdheid en vrede’ – doorgaans een omineus teken, ook nu weer.
Geholpen door de hoge olieprijs zette Ahmadinejad sociale programma’s in gang die Irans armen, zijn kiezersbasis, voordelen opleverde, maar hij viel in binnen- en buitenland vooral op door zijn schofferingen. Het nucleaire programma van Iran, het bestaansrecht van Israël en de holocaust waren geliefde thema’s. Het lijkt er niet op dat Ahmadinejad ze enkel aansneed om te provoceren: ze lijken werkelijk centraal te staan in zijn wereldbeeld. Zo schreef hij in een brief aan de Duitse bondskanselier Merkel, kennelijk bedoeld als diplomatiek charmeoffensief: ‘Is het geen redelijke mogelijkheid dat sommige landen die de [Tweede Wereldoorlog] hadden gewonnen [de holocaust] verzonnen om het verslagen volk constant te vernederen, om zijn ontwikkeling te blokkeren?’
Ahmadinejad maakte niet alleen weinig indruk met zijn ongelukkige uitspraken – en met zijn verschijning: hij is nog geen 1 meter 60 en heeft zulke kleine oogjes dat hij van een afstand blind lijkt – maar ook met zijn optreden bij persconferenties. Zijn antwoorden draaien vaak uit op vage bespiegelingen waarin samenzweringen en de terugkeer van de Verlosser leidmotieven zijn. ‘Ik ben het eens met wat bijna alle serieuze analisten schrijven: dat Ahmadinejad in veel te grote schoenen loopt. Hij is veel te licht voor zijn functie’, zegt Ali Ansari. ‘Jammer genoeg heeft hij een groot ego en een scherp politiek instinct. Hij is ook mateloos ambitieus: hij wil de hele politiek en maatschappij van Iran terugbrengen tot de radicale beginselen van de Islamistische Revolutie. Hij brengt grote schade toe aan Iran, bijvoorbeeld door universiteiten te zuiveren van gematigde docenten en door radicalen te plaatsen in alle mogelijke instituties. Maar waar hij precies naartoe wil, weet hij niet – wat hij bezit aan ambitie mist hij aan visie.’

DEZE ONWAARSCHIJNLIJKE president zou de verkiezingen op zijn sloffen moeten winnen: hij heeft steun van de staatsmedia, het leger en de honderdduizenden vrijwilligers van Basij en hij heeft met een gratis ziektekostenverzekering en andere sociale programma’s grote groepen van de bevolking gepaaid, zoals boeren en huisvrouwen. Maar Ahmadinejad heeft één zwakke plek: de economie. Die verslapte voortdurend onder zijn bewind en toen vorig jaar de olieprijs inzakte, kon hij de gevolgen niet meer maskeren met petrodollars – al probeerde hij dat volop, getuige parlementsonderzoeken die Ahmadinejads regering beschuldigen van het verdonkeremanen van een miljard dollar aan oliegeld en het creëren van een enorm overheidstekort. Ahmadinejads verweer: niets dan verzinsels van antirevolutionaire elementen; het tekort is nul.
Irans zwakke economie betekent mogelijk een kans voor de hervormingsgezinde kandidaat Mir-Hossein Mousavi, architect en voorzitter van de Iraanse academie van wetenschappen, gerespecteerd oorlogspremier in de jaren tachtig en daarvoor afkomstig uit de radicaal-linkse kaders die meehielpen aan de omverwerping van de sjah. Met zijn pleidooien voor een grotere meningsvrijheid en meer vrouwenrechten heeft Mousavi de voorkeur van het Westen. Tegelijk maken juist zijn antiwesterse en antikapitalistische wortels hem aanvaardbaarder voor Irans conservatieven dan de pro-westerse intellectueel en voormalige president Khatami.
Groot onderwerp van debat voor Iran-watchers is wie de stille steun heeft van de Hoogste Leider: Mousavi of Ahmadinejad. In zijn conservatisme staat de laatste dichter bij Khamenei, maar hij genereert met zijn radicaal-religieuze project onverwacht veel weerstand bij de geestelijken: een deel van hen vindt dat te grote vermenging van politiek en religie de islam corrumpeert, anderen vrezen dat Ahmadinejads harde bestrijding van secularisatie averechts zal werken, omdat het mensen van de geestelijkheid kan wegdrijven. Er bestaan in Qom grote zorgen over het afnemende aantal geestelijken in het parlement, van ruim de helft dertig jaar geleden tot rond de tien procent nu. Ten slotte zijn de geestelijken ook niet ingenomen met zijn economische wanbeheer, omdat het de sociale stabiliteit ondergraaft waar de islamitische republiek op rust.
Een tweede onvoorspelbaar element van de verkiezingen is de mondiale uitstraling van Barack Obama. In Iran lijkt sprake van een ware ‘Obamania’ onder jongeren, met T-shirts, buttons en een biografie op de bestsellerlijsten. De enorme Iraanse gemeenschap in de VS (twee miljoen) zweept de hoop op een doorbraak op.
Drie maanden geleden richtte Obama zich in een videoboodschap direct tot het Iraanse volk en bood het in bijzonder respectvolle woorden vriendschap en nieuwe betrekkingen aan. Ahmadinejad lijkt niets liever te willen. Tijdens een bezoek aan de VN in Genève vroeg hij de Zwitserse president er bij Obama op aan te dringen snel met een concrete handreiking te komen, zo schreef de Neue Zürcher Zeitung. De reden is simpel, aldus hardliner Falahian, de voormalige minister van Informatie, tegen het Iraanse persbureau Fars: ‘Als Ahmadinejad zonder de nationale belangen te schaden de betrekkingen met de Amerikanen kan verbeteren, zodat bijvoorbeeld de economische sancties worden beëindigd, wint hij de verkiezingen zonder verder iets te hoeven doen.’
Obama heeft de afgelopen maanden natuurlijk niets gedaan dat Ahmadinejad in zijn voordeel zou kunnen gebruiken. Maar de voortekenen zijn toch dat hij binnenkort met Ahmadinejad om de tafel moet – vorige week zei die nog uit te zien naar een persoonlijke ontmoeting als hij herkozen wordt. Het heetste hangijzer wordt dan Irans atoomprogramma, dat de afgelopen jaren Ahmadinejads meest geliefde provocatiemiddel was. Hij hervatte Irans uraniumverrijking, door zijn voorganger Khatami drie jaar eerder stopgezet, en tetterde dat de wereld rond.
Het atoomprogramma is veel meer dan een westerse obsessie. Het is geen wonder dat Ahmadinejad zijn buitenlandpolitieke imago er omheen heeft gebouwd: het nucleaire programma wordt onder de Iraanse bevolking breed gesteund, van ‘het volk’ tot intellectuelen en geestelijken, en is verworden tot een lakmoesproef of het Westen respect voor Iran heeft of niet en voor Irans status als serieus te nemen land. Het is ook niet Ahmadinejads privé-speeltje: Irans atoomprogramma bestaat al tientallen jaren en werd ook onder gematigde regeringen in het geheim voortgezet. Het tempo en de richting ervan – zoals uit gebrekkig bewijsmateriaal moet worden geconstrueerd – lijken maar deels door de kleur van de regering te worden beïnvloed. De beslissende stem ligt ongetwijfeld bij Hoogste Leider Khamenei, die in 2005 een fatwa liet uitgaan die decreteerde dat de productie van kernwapens indruist tegen de islam. Toch lijdt het weinig twijfel dat Iran alle benodigde kennis en materiaal verwerft, zodat die productie nog slechts een politieke beslissing wordt.
Wat president Obama daartegen wil doen, is duister. Verrassend genoeg is het veel duidelijker welke koers Iran na een herverkiezing van Ahmadinejad zal varen ten opzichte van de VS dan andersom: terwijl het Witte Huis op allerlei terreinen nieuw beleid invoert, heeft het dat ten aanzien van Iran (ongetwijfeld met opzet) compleet blanco gelaten. Het zal hoe dan ook precair laveren worden, met verklaarde Israëlische intenties om Iran desnoods met geweld van nucleaire wapens af te houden, de wegglijdende greep op de oorlog in Afghanistan en de gefaseerde Amerikaanse terugtrekking uit Irak. Een groot vraagteken in de onaantrekkelijke puzzel zal in ieder geval volgende week worden ingevuld.