Quasi-autonome non-gouvernementele organisaties

Leiders van de schaduwstaat

Quasi autonome non-gouvernementele organisaties, ‹quango’s›, krijgen steeds meer macht in de Nederlandse aandeelhoudersdemocratie. Ze benaderen de burger als klant en kloppen hem leeg als onderdaan. Maar de quango-leiders zijn intussen onzichtbaar.

Het gaat hartstikke goed in Nederland. Er is economische groei; robuust en aanhoudend. Er is een goed gevulde schatkist, zo vol dat we komende jaren zelfs onze collectieve schulden kunnen afbetalen. Er is een hartverwarmende gemeenschapszin, ook ’s nachts als bij een disco weer eens iemand half of helemaal is doodgeslagen. Er is geduld, zelfs in de file. Er is soberheid, zodat vijftien miljoen Nederlanders inmiddels meer dan 2000 miljard gulden opzij hebben gezet voor later, exclusief de waarde van hun huisje dat in ruim vijftig procent der gevallen eigen bezit is. Er is een positief klimaat, waarin driftige ondernemers weer worden gewaardeerd en slampampers genegeerd. En er is een ideologie die ons op het spoor houdt: neoliberaal maar met mate, vrij doch altijd in gebondenheid. Kortom, het vermaledijde hedonisme heeft ons nog niet volledig in de greep. Nederland is een decente suburbane gemeenschap. Nederland is niet in verval. Het is nog te bewijzen ook. Want om welke trefwoorden draait het in dit decente burgerlijke leven? Volgens mij om de volgende zeven indicatoren: arbeid, geld, gezondheid, seks, geluk, toekomst en God. Over deze hoofdzaken in het bestaan spreken de burgers bijna dagelijks. Maar hoe vaak praten wij daarover? Om het onderzoek niet al te ingewikkeld te maken, heb ik het statistische materiaal op internet gezocht. Internet dekt uiteraard niet alles in het leven maar is zo langzamerhand wel een adequate spiegel voor de nieuwe werkelijkheid. Met twee zoekmachines heb ik het aantal pagina’s verzameld waarin deze begrippen in vier culturele gemeenschappen voorkomen. Via Rambler.ru heb ik het aantal pagina’s in de Russisch sprekende wereld geteld. Via Altavista heb ik hetzelfde gedaan in de Angelsaksische, Italiaanse en Nederlandse taalkring. De resultaten ogen geruststellend (zie tabel p. 29). Duidelijk is dat Rusland nog een voorburgerlijke samenleving is. Geluk, al dan niet seksueel nagejaagd, is er een bijverschijnsel. Zelfs arbeid is ondergeschikt. Waar het de Russen om gaat is eenduidig: om geld. Want daarmee kun je gezondheid kopen, eventueel zelfs via god. Met de Italiaans sprekende burger is het niet veel beter gesteld. De thuisbasis van de rooms-katholieke kerk, die sinds zondag 12 maart voor elke kritiek openstaat, is wel een paar stappen verder. Arbeid is er inmiddels van enig belang. Voor het overige heeft Italië nog een lange weg te gaan richting waarlijk burgerdom. Geld bijvoorbeeld is er nog dienstbaar aan gezondheid. Niet voor niets begrijpen Italianen en Russen elkaar. Om de Russen en de Italianen hoeven we ons dus niet druk te maken. Aan de orde is de burgerij in de hartlanden van het moderne kapitalisme, die landen waar katholicisme en protestantisme al eeuwen geleden een alliantie hebben gesloten tot heil van het volk: de Angelsaksische wereld en Nederland. Opvallend is dat geluk in Nederland de seks veel dichter op de hielen zit dan onder de Angelsaksen. Belangwekkend is dat God hier een meer dan verdienstelijke derde plaats heeft bemachtigd, terwijl Onze Lieve Heer daar zelfs tegenover de toekomst het onderspit moet delven. Significant is dat in den Engelstalige vreemde, anders dan in ons vaderland, geld en arbeid bijna inwisselbaar zijn. De eerste en tweede plaats weerspiegelen het burgerlijk bestaan in Nederland echter het best. Waar in het buitenland gezondheid een nieuwe religieuze waarde is en ten dienste staat van seks en bankrekening, weet de Nederlandse burger dat hij de dag van morgen heden moet verdienen met werken in zijn eigen zweet én het aanschijn van God. Kortom, de Nederlandse burgers zijn nog echte rentmeesters. Voor ons ligt de toekomst in onze arbeid van vandaag besloten. Wij zijn, naar het woord van ex-premier Lubbers, ‘prudent progressief’. Tot zover het optimisme. De burger in Nederland mag dan tevreden zijn, hij of zij is desondanks de gevangene van een systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Wee de burger zonder netwerk: die is reddeloos verloren. Overdreven? Ongetwijfeld. Desondanks een anekdote om al te jubelend optimisme te nuanceren. Ik woon in multicultureel gezinsverband. Bij ons thuis wordt Nederlands en Russisch gesproken. Dankzij mijn huisgenoten, die zes jaar geleden naar Amsterdam zijn gekomen, heb ik niet alleen de spreekwoordelijke gastvrijheid en tolerantie van de Nederlandse samenleving beter en vooral anders leren kennen, ik heb ook inzicht gekregen in de structuur van het publieke domein hier. Voor ik hen leerde kennen, had ik de illusie dat burger en bestuur in principe op gelijke voet stonden. Nu weet ik wel beter. Beide huisgenoten zijn volkomen legaal naar Nederland gekomen. Over de vreemdelingendienst in Amsterdam heb ik niets te klagen. Mijn vrouw is inmiddels Nederlandse, mijn stiefzoon nog niet. De jongen moet daarom elk jaar zijn verblijfsvergunning verlengen. Tot zover is er niets aan de hand. Althans tot december 1998 was er niets aan de hand. Tot dan streek de overheid maximaal zes maanden over het hart als de legale vreemdeling te laat was. Vanaf december 1998 is elke dag te laat er eentje te veel geworden. De legale buitenlander die over tijd is, wordt op slag illegaal. Deze regel komt voort uit een wijziging in de Vreemdelingenwet. Het staat er niet letterlijk en het is ook niet de bedoeling geweest van de wetgever (regering én parlement), maar daaraan heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind) geen boodschap. De naïeve burger denkt wellicht dat de ind een overheidsdienst is die moet luisteren naar de staatssecretaris van Justitie? Mis. De ind is een agentschap en kan de wet op eigen wijze interpreteren. En dus wordt sinds eind ’98 de legale buitenlander die een dag te laat is als illegaal naar zijn of haar land van herkomst teruggestuurd om opnieuw toelating tot Nederland te vragen. Dat is ook gebeurd met mijn stiefzoon omdat hij, met redelijke redenen omkleed nota bene, enkele dagen over tijd was met zijn verzoek om verlenging. Het geluk wilde dat hij bij de vreemdelingendienst een verstandige ambtenaar trof, die zin en onzin beter wist te onderscheiden dan zijn superieuren bij de ind. Hij wilde niemand matsen, maar was wel bereid alle paperassen zo snel mogelijk rond te krijgen. Binnen een maand stond mijn stiefzoon, na een gedwongen uitstapje naar zijn geboortestad Moskou, weer bij ons op de stoep. Het grapje heeft mij slechts een paar duizend gulden gekost. Klein bier? Zeker. Toch besloot ik me als een burger te gedragen en diende een bezwaarschrift in. Niet eens in de hoop dat het iets zou opleveren. De Algemene Wet Bestuursrecht heeft weinig te bieden nu de Raad van State zo marginaal aan het toetsen is geslagen dat zelfs een microscoop geen uitkomst meer biedt. Ik ging daartoe over omdat het kortstondige, illegale verblijf van mijn stiefzoon ertoe heeft geleid dat hij niet vijf aaneengesloten jaren legaal in Nederland is geweest en dus misschien geen aanspraak kan maken op een vestigingsvergunning die hem, op het stemrecht na, bijna gelijke rechten geeft als zijn moeder. De ind heeft daarop nog altijd niet gereageerd. Er zijn ruim negen maanden verstreken. We zijn dus minstens acht maanden en 29 dagen voorbij de termijn die de ind aan de buitenlandse burgers oplegt maar niet aan zichzelf. Een dubbele moraal? Allerminst. De ind hoeft zich niet aan de kalender te houden. Het is en blijft gewoon stil bij de ind. En dat kan een semi-ambtelijke dienst héél lang volhouden. Het is slechts één anekdote. Menig burger zou er een handvol uit zijn mouw kunnen schudden, allemaal gebaseerd op persoonlijke ervaringen met onduidelijke overheidsinstellingen. Wie lol heeft in corresponderen, kan een boeiend archief opbouwen. Wat zeggen deze en andere verhalen over de burgers in Nederland? Veel. Ze illustreren hoe de burger een horige is geworden van de maatschappij die hij zelf draagt. Ze wijzen in een richting van vrijwillig lijfeigenschap. Ze weerspiegelen een vermoeid cliché: we leven inderdaad in een nieuwe tijd. Dit klinkt krankzinnig en dwingt dus tot enige uitleg. Dé burger bestaat uiteraard niet. Als we alle burgers bij elkaar optellen, kunnen we niettemin een aardig beeld schetsen van ons land. De Nederlandse burger heeft de afgelopen 25 jaar een geweldige opmars achter de rug. Een halve eeuw geleden bestond de burger amper. Toen Frits Bolkestein in de jaren vijftig schoolging op het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam was hij representant van een minderheid. De meeste van zijn leeftijdgenoten waren toen nog geen burgers-in-opleiding maar voorbestemd om onderdaan te worden. Onderwijzer, dominee en pastoor waren indertijd de makelaars tussen staat en volk. Behalve een handjevol partizanen dat op eigen houtje burger wilde worden, was menigeen daarmee tevreden. Totdat de wal het schip eind jaren vijftig begon te keren. De geleide democratie en geleide economie, die onze wederopbouw hadden gekenmerkt en bovenal bevorderd, dreigden van Nederland een soort Jutland te maken: een goedkope achterhoede in een snelle wereld. Zoals bekend hebben we het roer in de jaren zestig tijdig en vooral drastisch omgegooid. Na een decennium of wat potverteren, hoort Nederland nu tot de voorhoede. In zekere zin heeft Nederland gebruik gemaakt van de 'wet van de remmende voorsprong’, zoals ooit geformuleerd door de historicus Jan Romein. De Nederlandse samenleving heeft zodoende geen evolutionaire weg gevolgd. De klassieke route van onderdaan via burger naar consument is aan ons voorbij gegaan. Wij hebben de tussenstappen grotendeels overgeslagen. Onze onderdanen zijn in een halve generatie klanten geworden. Er zijn nu alleen nog relaties tussen producenten en consumenten. Dit proces is echter zo hard gegaan dat de verhouding tussen staat en burger nu verstoord is. Allereerst de staat. Die is onherkenbaar veranderd. Omdat de overheid zich moest aanpassen (anders gezegd: geld moest besparen) heeft ze zich de afgelopen twee decennia op radicale wijze uitgekleed. Het motto was: wat de markt kan, moet de markt ook doen. Op zichzelf was en is daar geen speld tussen te krijgen. Alleen wist men niet hoe dat moest. In de Verenigde Staten heeft onze staat na lang zoeken goddank het bijbeltje gevonden waarin alles keurig stond: het boek Reinventing Government van de Amerikaanse bedrijfskundigen David Osborne en Ted Gaebler. Indachtig hun theorie is ook in Nederland de regering als 'regelfabriek’ failliet verklaard. Weg met het publieke productieproces dat wordt bewaakt door inspecteurs en politici. De nieuwe ambtenaar moet zijn verantwoordelijkheid nemen, moet zelfstandige relaties onderhouden, moet een 'publieke ondernemer’ durven zijn. We hebben het geweten. Het begon in Tilburg. De gemeentelijke overheid ging zich daar gedragen als een bedrijf dat niet door een politiek college maar door een raad van bestuur zou worden geleid. Op tal van departementen en in andere gemeenten werd dit model overgenomen als nieuw panacee. De dienstbare ambtenaar maakte plaats voor de regisserende bureaucraat, de afdeling financiën werd de treasury. Deze bekering bleef voor de burger grotendeels verborgen. Osborne en Gaebler zijn pas vorige zomer echt bekend geworden toen de provincie Zuid-Holland, met hun bijbeltje in de hand, tientallen miljoenen guldens gemeenschapsgeld in de bodemloze put van handelshuis Ceteco bleek te hebben geïnvesteerd. Dat is het risico van het spel, aldus de theorie. In de praktijk is de werkelijkheid echter anders. De functies die de staat zou afstoten, zijn soms helemaal niet aan die markt overhandigd. Een groot deel is halverwege blijven hangen. De staat heeft aldus twee monopolistische tussenlagen geschapen. Ten eerste de bedrijven die de oude overheidstaken uitvoeren, zij het nu geprivatiseerd. De handel en wandel van Tante Pos spreken het meest tot de verbeelding. Op de keper beschouwd is dat een slecht voorbeeld. De privatisering van in het bijzonder de telefoon is redelijk geslaagd. Vooral dankzij pitbull Jens Arnbak van het controlebureau Opta. Die laat geen gelegenheid voorbijgaan om KPN Telecom in de kuiten te bijten als Wim Dik zich weer eens te buiten gaat aan monopolistisch gedrag. De privatisering van talloze openbaarvervoerbedrijven is een beter voorbeeld. Die trend illustreert waartoe de beursgang van de overheid kan leiden: tot verwaarlozing van het openbare domein. Nee, het gaat nu even niet over de salarisverhogingen waarmee verzelfstandiging of privatisering altijd begint nog voordat er een cent is verdiend. Ik zou het de directies van bus- en trambedrijf niet euvel durven duiden dat ze goed voor zichzelf zorgen. Al is het maar omdat bij de publieke omroep met publiek geld (de omroepbijdrage is niet vrijwillig, ook niet nu die 'gefiscaliseerd’ is) hetzelfde gebeurt en ook elders in de maatschappij de hoofdonderwijzer voor sukkel wordt versleten omdat hij of zij de lol van een BV nog niet heeft ontdekt. Ik doel op iets anders. Een voorbeeld. Naarmate er meer particuliere openbare vervoerders zijn, wordt het voor de staat moeilijker om het autoverkeer terug te dringen. Een privaat busbedrijf heeft immers primair een eigen belang, geen algemeen belang. Om nog maar te zwijgen van een elektriciteitsbedrijf als nuon dat met geld van de burger voetbal speelt. Ten tweede de bedrijven die helemaal niet zijn geprivatiseerd maar ook niet meer van de staat zijn. Ik doel hierbij op instellingen die op een of andere manier op afstand van het publieke bestuur zijn geplaatst. Geen misverstand. Dit is geen flauwekul. We hebben het over organisaties die diep in ons dagelijks leven doordringen. Behalve de reeds genoemde en anekdotische ind, de grootste klant van de Nationale Ombudsman, zijn er tientallen agentschappen en honderden zelfstandige bestuursorganen die taken uitvoeren die de burger welhaast in het hart raken. Om er enkele te noemen: het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, de Informatie Beheer Groep, het knmi, het Centraal Bureau Rijvaardigheid, het Loodswezen, de Verzekeringskamer en niet te vergeten het Nederlands Rijpaarden- en Ponystamboek. Deze semi-staat vol agentschappen en zelfstandige bestuursorganen denkt privaat en rekent publiek. Deze zogeheten quasi-autonome non-gouvernementele organisaties, in het Engels mooi en vooral dreigend afgekort als quango’s, benaderen de burger als klant en kloppen hem leeg als onderdaan. Dat laatste is raar in een land dat zich erop beroemt al heel lang niet feodaal meer te zijn. Bovendien voeren de quango’s taken uit die cruciaal zijn voor de Staat der Nederlanden. Dagelijks wordt er bijvoorbeeld in algemene politieke termen gesproken over vreemdelingenbeleid en asielzoekers. Maar de concrete toelating en opvang zijn toevertrouwd aan een agentschap respectievelijk een zelfstandig bestuursorgaan die zoveel mogelijk autonomie voor zichzelf proberen te versieren. En, niet minder belangrijk, wie kwijten zich van die taken? We weten het niet. De quango-leiders die deze schaduwstaat besturen, zijn onzichtbaar. Wie minister van Onderwijs of staatssecretaris van Justitie is, dat weten we vaak wel. Maar wie zijn de baas van de Informatie Beheer Groep, de ind of het coa? De eerste heet Bruins Slot, de tweede Schoof, de derde Stovee: allen ongetwijfeld voortreffelijke managers, maar geen publieke personen. Dat bijna niemand hen kent, ligt misschien aan hun gebrek aan charisma. Dat laat niettemin onverlet dat de meeste quango-leiders nooit in het openbaar worden aangesproken op hun aansprakelijkheid. Als het even kan duiken ze weg voor hun verantwoordelijkheid. Dat is hun interpretatie van het modewoord transparantie. Dit is geen uitzondering, dit is regel. In 1997 heeft journalist en socioloog Herman Vuijsje dat helder beschreven in zijn boek Correct: Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig. Over Nederland is een lappendeken van zelfstandige gilden gelegd, die op eigen houtje de publieke zaak kunnen sturen zonder dat het publiek er greep op kan krijgen. De liberalisering van ons land heeft die machtsposities de afgelopen decennia niet beperkt. Integendeel. 'Uit de vorige corporatieve ronde beschikte Nederland al over een aantal ‘zelfregulerende’ instanties, zoals bedrijfsverenigingen die hun eigen controleurs waren, de Rijksluchtvaartdienst die ingevolge een ‘herenakkoord’ zijn eigen rol bij rampen onderzocht, en de Specialisten Registratie Commissie, een closed shop van medisch specialisten die de opleidingsaantallen in hun eigen branche quoteren. In de jaren tachtig werd een volgende lichting taken aan de belangenclubs uit het middenveld cadeau gedaan via het sierlijke gebaar van het convenant’, aldus Vuijsje. Wat dondert dat nou? Helaas, dergelijke scepsis is een vergissing. De quango’s zijn zo langzamerhand net zo sterk als de rijksoverheid zelf. De geldstromen die jaarlijks door hun handen gaan, mogen er zijn: meer dan 220 miljard gulden. Dat is bijna net zoveel als de begroting van het Koninkrijk der Nederlanden. Die 220 miljard wordt door de burger betaald. Voor zeventig procent zelfs buiten de blauwe enveloppe van de Belastingdienst om, zonder dat de belastingplichtige een alternatief heeft. Precies hier komt tenslotte de burger om de hoek kijken. Want de definitie van democratie blijft ouderwets simpel: 'no taxation without representation’, ofwel: 'wie betaalt, bestelt de muziek’. Dit principe staat thans onder druk. Zij die de quango’s betalen, worden namelijk helemaal niet vertegenwoordigd. Anders gezegd: het oude adagium van ons parlementarisme is aan erosie onderhevig. De klassieke representatieve democratie is uitgehold. We leven langzamerhand in een aandeelhoudersdemocratie. Een aandeelhoudersdemocratie heeft niets te maken met hoge hoeden en sigaren. Het is een democratie die door brede lagen van de bevolking wordt gedragen: door iedereen die aan het beleggen is geslagen. En dat is de meerderheid van het volk; direct via aex-fondsen en dergelijke of indirect via pensioen- en spaarfondsen. Maar deze ontwikkeling heeft de structuur van de Nederlandse maatschappij wel danig op zijn kop gezet. Tot midden jaren tachtig was Nederland een redelijk geordende piramide. Wie onderop begon, goed studeerde, beter luisterde en best werkte, die kon langzaam omhoog. Die piramide is al enige tijd geleden ondergraven. De piramide is een asymmetrische zandloper geworden. Dat oogt fijn. De grote meerderheid van het volk weet zich burger en bivakkeert dus boven de trechter. Daar onder zit een minderheid waarvan geen gevaar te duchten valt omdat ze electoraal geen vuist kan maken en evenmin in staat is zich in de aandeelhoudersdemocratie in te kopen. De gevolgen laten zich raden. Van onder naar boven is het meer dan ooit dringen geblazen. Iedereen moet door het gaatje van de zandloper. En dat is niet eenvoudig. Emanciperen gaat tegenwoordig gepaard met barensweeën die steeds pijnlijker worden. De burger is zich daarvan bewust en probeert zich aan te passen. Hij onderwerpt zich permanent aan cursus en herscholing, alleen om te voorkomen dat zijn maatschappelijke ontwikkeling tot stilstand komt. Maar garanties dat een opleiding ook iets oplevert, zijn er niet. Continu hangt het zwaard van de sanctie ons boven het hoofd. Zonder diploma ben je nergens. Slechts zelden zien we de worst van de beloning. Met diploma ben je nog steeds niet ergens. Kortom, de burger leeft in grote onzekerheid. Elk moment kan hij door de zandloper naar beneden vallen. Psychologisch is dat een niet te onderschatten gemoedstoestand. Burgers die iets te verliezen hebben, slaan vaak wilder om zich heen dan lompenproletariërs. Een vallende middenklasse kun je niet simpel afkopen zoals de onderklasse. We zien de consequenties steeds dichterbij. Het succes van Jörg Haider en zijn fpö in Oostenrijk is eerst en vooral het succes van burgerlijke angst. Het is de expressie van de vrees van kleinburgers dat ze naar beneden zullen duikelen of niet meer omhoog kunnen krabbelen. Het is de voorbode van een nieuwe Kulturkampf. Ook in Nederland dient die zich aan. Want hoe moet de Nederlandse burgerij tegenwoordig het hoofd boven water zien te houden? In een soort Indische Oceaan, waar overal eilandjes de kop opsteken zonder dat er een betrouwbare veerdienst is. De burger zwemt wat in deze archipel rond in de hoop dat een bootje hem alsnog oppikt of in de vrees dat onderkoeling noodlottig zal worden. Dit beeld is gestolen. En wel van de politicoloog en filosoof Paul Frissen. Frissen is lid van de PvdA, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant maar bovenal spreekbuis van de nieuwe elite die geen staat meer nodig heeft. In zijn studie De virtuele staat schreef hij in 1996: 'Het publieke domein kan niet worden gezien als een ruimte die benoembaar is (…) maar is een weefsel. Het kent geen eenduidige structuur, noch heeft het een coherente stijl.’ Met andere woorden: de hiërarchische piramide is een 'archipel’ geworden en de klassieke bureaucratie een 'infocratie’. 'De tegenstelling tussen politiek en bureaucratie zal (…) worden opgeheven door een uiteindelijke overwinning van de bureaucratie. (…) Bijstelling, fijnregeling, centrale coördinatie, het zijn tragische pogingen om de politiek uit het moeras van de ongekende samenleving te trekken. De politiek zal het esthetische karakter van de bureaucratie moeten erkennen. (…) Wil de politiek recht doen aan pluraliteit en contingenties, dan zal ze als politiek vooral ironisch moeten zijn. En ironie is apolitiek’, aldus Frissen. Vorig jaar ging hij in het boek De lege staat nog een stap verder. 'De consequentie hiervan is dat het publieke domein geen hiërarchisch, maar een anarchistisch karakter moet hebben. (…) Er is geen centrum. Het geheel is minder dan de som der delen.’ Recent heeft hij deze redenering definitief afgemaakt. In zijn essay Sturing en publiek domein voor de Wiardi Beckmanstichting heeft hij een genadeloos en 'vreugdevol’ requiem voor alle politieke partijen gecomponeerd, zijn eigen PvdA voorop. Wat kan de politiek in onze gefragmentariseerde en centrumloze maatschappij nog doen? Weinig. De procedures bewaken en een beetje meelullen. 'Af en toe een verrassende bijdrage weten te leveren is al heel wat’, aldus Frissen. Hij heeft gelijk. Maar zijn gelijk is niet louter 'aangenaam’, om een sleutelwoord van Frissen zelf te gebruiken. Wee de burger die op het verkeerde eiland zit en de verkeerde megafoon heeft meegenomen! Die kan het vergeten. Juist daarom geeft zijn analyse inzicht in wat ons burgers nog te wachten staat. Het frisseniaanse perspectief zou er als volgt uit kunnen zien: Over een kwart eeuw is Nederland geen zandloper meer maar een eilandenrijk. Op de bovenwindse eilanden vertoeven de burgers die alles goed geregeld hebben. Ze hebben hun halve leven met plezier gewerkt, zijn goed gecoiffeerd met pensioen, hebben hun kinderen een redelijke opleiding bezorgd plus een erfenis in het vooruitzicht gesteld en zijn ondertussen zo naarstig met hun fysieke gesteldheid in de weer dat alleen de dood hen nog kan verrassen. Nina Brink van World Online is het type dat hier domineert, inclusief de zonnebankogen à la Mephisto. De benedenwindse eilanden zijn een ongeregeld zooitje. Op enkele is het klimaat vulkanisch. Daar leven de burgers die weten dat ze het nooit meer zullen redden. Ze hebben daarover hun kinderen inmiddels geïnformeerd en gedragen zich daarnaar. Hier worden van hogerhand geen veerdiensten meer onderhouden. Op andere benedenwindse eilanden hebben de burgers zelf besloten alle ponten naar de bovenwindse eilanden aan de ketting te leggen. Ze hebben zich teruggetrokken uit de maatschappij. Ze hebben gekozen voor het vrijwillige isolement. Maar het gaat natuurlijk om de eilanden daartussen. Om de tussenwindse eilanden, waarop de statistische resultaten van mijn internetonderzoek nu nog van toepassing zijn. Dat wil zeggen, om de eilanden waar het staal van onze samenleving gesmolten wordt, waar de burgers worden geproduceerd. Zal deze ijzeren kern van de maatschappij zich over 25 jaar nog herkennen in de staat die geen veerdiensten in de archipel meer onderhoudt? Weten de burgers zich tegen die tijd vertegenwoordigd in de overheid? Op dit moment is het antwoord simpel. We verzekeren ons simpelweg tegen alles en nog wat. Voor elke bananenschil is tegenwoordig een polis te koop. Zal deze assurantiemaatschappij, die nu in de steigers staat, over een kwart eeuw bij oplevering ons nog steeds geruststellen? Nee. Een assurantiemaatschappij neemt de echte burgerlijke angsten namelijk niet weg. De burger wil nu nog werken, hard werken, maar ziet ondertussen om zich heen dat anderen werkelijk alle risico’s verzekeren. Zelfs bedrog. De reclamecampagne van Centraal Beheer in Apeldoorn, met een jongetje dat in zijn vaders Saab gaat rijden en tegen de bumper van de Jaguar van vader & zoon Moskowicz schampt, is wat dit betreft illustratief. Moskowicz jr. heeft geen whiplash maar doet alsof. Louter en alleen voor de poen. Een kwart eeuw geleden zouden de mrs. Moskowicz berispt zijn door de Orde van Advocaten. Die tijd is voorbij. Dat zet onvermijdelijk de toon voor de rest van de burgerij. Feitelijkheid is passé. Eerlijkheid is geen sociale categorie meer. Zuiverheid is voor de dommen. Koop een leuke polis en braad die uit. Vooralsnog manifesteert zich deze nieuwe tijd vooral in de bovenbouw, om eens een uitgewoond begrip van Karl Marx op te poetsen. In de bovenbouw tekent zich een nieuwe maatschappelijke moraal af. De vraag is hooguit of die conform Marx de resultante is van veranderingen in de materiële basis dan wel ketters en, precies omgekeerd, het begin is van een metamorfose van de basis. Hoe dan ook. Binnen de bovenbouw zijn de machtsverhoudingen nadrukkelijk aan het kantelen. In de jaren zestig zocht de elite een uitweg uit de consumptiemaatschappij. Ze verklaarde alle gekken voor normaal, stak de winst in haar zak, ging zelf vrolijk door, liet de burgerij tijdig de bakens verzetten en incasseert thans de opties. Omdat het patriciaat aldus is verzwolgen, is er niemand meer voorhanden voor de noodzakelijke ideologie om dit wereldbeeld van de broodnodige legitimatie te voorzien. De wijze waarop de elite nu probeert af te rekenen met de monarchie is daarvan een recente uiting. Timing en toon illustreren dat het establishment zich wil ontdoen van het historisch meest significante symbool van Neerlands volkse soevereiniteit: het huis van Oranje. Ooit had het koningshuis een functie als makelaar tussen onderklasse en bovenlaag. Maar omdat koningin Beatrix, anders dan haar moeder, zelden of nooit spontane bezoekjes brengt aan de Borgerstraat in de Amsterdamse Kinkerbuurt, is ze meer last dan lust geworden. Zelfs voor het in toom houden van de Marokkaanse straatjeugd laat zij zich amper lenen. Ook anderszins zoekt de elite, die geen verwantschap meer heeft met burgemeester Patijn of andere regenten, nu nadrukkelijk een compromis met de nieuwe consumptiemaatschappij. Was dertig jaar geleden uitstappen de norm, nu is instappen de koers. Wie geen beleggingshypotheek heeft, is krankzinnig en dus gevaarlijk. Er is immers een gouden eeuw op til. Wie niet meedoet, moet niet zeuren. De prijs daarvoor wordt betaald door de burger. Zolang Wim Kok in het Torentje zit, doet hij dat met liefde. Maar als Kok is vertrokken en vervangen door een premier die deze tekenen des tijds in woord en daad niet negeert, zal de balans worden opgemaakt. Dan blijkt dat de burgers zich in en rond een gevangenis bevinden: een cellencomplex waar de onderklasse is opgesloten en de elite de koffers permanent gereed houdt. En de burgerlijke middenklasse? Die moet de bajes betalen en kan niet weg. Die kan niets claimen omdat die geen onderhandelingspositie heeft. De assurantiestaat is er eerst en vooral voor de Saabs of Jaguars, niet voor een Opel Corsa. Zo wordt Nederland een strafinrichting voor en van burgers. Zoiets als Siberië, waar de ene helft van de bevolking als boeven was opgesloten en de andere helft de boeven als cipiers moest bewaken. Het fantastische resultaat van de Nederlander op internet is tijdelijk en zal overgaan. Wie de strapatsen van de ind en al die andere quango’s volgt, weet hoe het landschap er straks bijligt. u Dit is een bewerking van de lezing die Hubert Smeets op 13 maart 2000 heeft gehouden in het kader van de cyclus Het verval van Nederland. TOP ZEVEN BURGERLIJKE WAARDEN Vergelijking vier taalgebieden (in aantallen internetpagina’s / afgeronde cijfers) Resultaten uit eerste week maart 2000 Russen Geld 195.000 (35%) Gezondheid 91.000 (16%) God 77.000 (14%) Toekomst 73.000 (13%) Arbeid 52.000 (9%) Geluk 37.000 (7%) Seks 33.000 (6%) Italianen Gezondheid 75.000 (26%) Geld 70.000 (24%) God 54.000 (19%) Arbeid 42.000 (15%) Seks 22.000 (8%) Geluk 16.000 (5%) Toekomst 10.000 (3%) Angelsaksen Gezondheid tegen 17 miljoen (34%) Seks 10 miljoen (20%) Geld 8,2 miljoen (16%) Arbeid 6,3 miljoen (13%) Toekomst 5,4 miljoen (10%) God 2,9 miljoen (5%) Geluk circa 120.000 (2%) Nederlanders Arbeid ruim 150.000 (51%) Toekomst een dikke 91.000 (31%) God meer dan 20.000 (7%) Geld een krappe 12.000 (4%) Gezondheid ongeveer 10.000 (3,5%) Seks circa 7500 (2,5%) Geluk ruim 2000 (1%)