Hoofdcommentaar

Leiderschap als ideologie

Ruim twee jaar na de moord op Pim Fortuyn is de normalisering van Nederland nog altijd niet voltooid. Denk je het dolste en kwaad aardigste wel gehad te hebben, blijkt er toch nog een overtreffende trap van het superlatief te bestaan.

Het openbaar ministerie doet momenteel onderzoek naar een politieke partij die 5,7 procent van de Nederlandse kiezers vertegenwoordigt. Bijna 550.000 burgers gingen in januari 2003 ter stembus en spraken hun vertrouwen in die ene politieke beweging uit. Dat is niet niks, sterker, het is meer dan het aantal kiezers dat GroenLinks representeert.

De Lijst Pim Fortuyn (LPF) – om die politieke partij gaat het – is niet meer. Afgelopen week vroeg de partij tevergeefs faillissement aan, stapte een reeks bestuursleden op, werd een nieuwe Vereniging LPF opgericht en de oude boekhouding aan de Fiod overhandigd. Sinds begin 2002 moet de LPF drie miljoen euro aan donaties, leningen en overheidssubsidies hebben geïncasseerd, maar toch moest wegens tekorten faillissement worden aangevraagd. De rechter wees dat af. Afgelopen dinsdag was het de fractie in de Tweede Kamer die het politieke bankroet dus maar bezegelde.

Nog één keer in de schijnwerpers. Want als er één politieke partij is die met de regelmaat van de klok zorgt voor infotainment, dan is het de LPF met al die kloek en kordaat ogende mannen. Dit is geen reden tot grappenmakerij of klamme vreugde. De inmiddels klassieke «LPF-dagjes» op het Binnenhof hebben louter negatieve effecten. Bij elke voorstelling krijgt het vertrouwen van een groot deel van het electoraat in de parlementaire democratie weer een dreun en de verzuchting «zakken vullers» een opkontje. De partij mag zijn afgeschreven aan de stamtafel, de sollicitatieprocedure voor de vacature LPF is er allerminst gesloten.

De boodschap van Fortuyn is, de term is al bijna een cliché, verkwanseld. Maar door Volkert van der Graaf, die het ernstigste politieke misdrijf in de recente geschiedenis op zijn geweten heeft, zal nooit duidelijk worden of dat nu ligt aan de missie van de oprichter zelf dan wel aan zijn ondermaatse erflaters en hun opvolgers, in wie Fortuyn vlak voor zijn dood al niet bijster veel vertrouwen had.

Pim Fortuyn wilde Nederland teruggeven aan de Nederlanders door het aan een selecte groep ondernemende Nederlanders te geven. De overheid was in zijn ogen een flexibel bedrijf dat goed voor zijn klanten moest zorgen, soms door diensten te privatiseren en dan weer door ze juist in staatshanden te houden. Maar in alle gevallen moesten staatszaken worden losgerukt uit de klauwen van fantasieloze en bange bureaucraten. Want die hadden gedurende twee termijnen Paars het land onder politieke leiding van de linkse kerk «kapotgemaakt» (leg de ernst van die situatie maar eens uit aan een huidige inwoner van Irak). Fortuyn verzamelde de kritiek die Paars her en der had opgewekt, voegde een vleugje nationale geschiedenis toe en maakte zichzelf tot het levende bindweefsel.

Maar de mannen die Fortuyn had uitverkoren voor de wederopbouw van het land en die voor het grootste deel zelf afkomstig waren uit het bedrijfsleven blijken nu al ruim twee jaar niet in staat om één bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vereniging op orde te houden. Wat er met de overheid zou zijn gebeurd als deze leiders, die na Fortuyn zijn opgestaan, het in de staatsboekhouding voor het zeggen zouden hebben gehad, laat zich niet eens raden.

Maar zal door deze teloorgang van de LPF de hunkering in Nederland naar echte mannen en leiders ook op langere termijn afnemen? Integendeel.

Het verlangen naar een autoritairdere vorm van openbaar bestuur neemt niet af als dé partij die het belichaamde zichzelf te gronde richt. Het klinkt boud, maar het verlangen neemt eerder toe.

Dat is in ieder geval de analyse van LPF’ers, ex- LPF’ers en Leefbaar Rotterdammers die begin deze week in NRC Handelsblad om één antwoord riepen: inspirerende «echte leiders», een fenomeen dat volgens Leefbaar Rotterdam-wethouder Marco Pastors sinds de jaren zestig taboe is verklaard.

Hoezo taboe? Er wordt al jaren over weinig anders dan leiderschap gesproken. En was Ruud Lubbers in de jaren tachtig dan geen daadkrachtig leider met een «karwei», en werd Wim Kok tien jaar later juist niet verweten dat hij de teugels soms te veel in eigen hand hield?

De vraag blijft dus: wat wil men nog méér van echte leiders, anders dan dat ze volgelingen aan zich binden door een voorbeeld te zijn?

In formele zin stimuleren de hervormingsmaatregelen van het kabinet-Balkenende deze tendens naar het zoeken van een remedie die meer door een persoon wordt belichaamd dan door een idee.

Vorige week werd de ministerraad het eens over het nieuwe kiesstelsel waaraan vice-premier Thom de Graaf zijn leven heeft verpand. Het systeem van De Graaf is een variant op het Duitse: een combinatie van nationale partijen die met één leider om de gunst van de kiezers dingen en lokale politici die zich moeten ontpoppen als regionale volksvertegenwoordigers. De partijlijsten bepalen de omvang van de fracties, de districten de personele samenstelling ervan.

In Duitsland werkt dit stelsel redelijk goed, omdat het recht doet aan het federale karakter van de staat en een kiesdrempel de kleintjes tegenhoudt. Zo zou het in Nederland ook kunnen uitpakken, ware het niet dat Nederland als koninkrijk geen bondsstaat is en ook nog eens te klein.

Het ligt dan ook voor de hand dat de nieuwe kieswet de rol van de eenmanspartij verder zal versterken en die van de overkoepelende partijen met hun programma’s zal verzwakken. Waar tot de jaren zestig de ideologie heerste en sindsdien een gat gaapt, heerst dan de leider. In de nu zo verlangde echte leider vallen ideologie en persoon aldus samen. Na de moord op Fortuyn is dat gebleken in de loopgraven van zijn eigen partij.

Nu de LPF niet meer bestaat, is het wachten op de opvolger van Fortuyn. Helaas. De rede verliest altijd als ad hominem boven argumentum wordt verheven.