Essay: Wijsheid, moraal en macht

Leiderschap in tijden van crisis

Na 11 september is er behoefte aan leiderschap dat de passie van Gladstone voor de moraliteit combineert met de bereidheid van Kennedy om risico’s te nemen, de wijsheid in de omgang met de macht, zoals betracht door Willy Brandt, en het vermogen van Mandela om bruggen te slaan naar oude en nieuwe tegenstanders.

De Amerikaanse journaliste Lois Ramondo beschrijft in haar verslag van een reis door een gevaarlijk Afghanistan eind vorig jaar hoe zij werd geïnspireerd door zes simpele maar bemoedigende woorden die zij voor vertrek als presentje kreeg van een vriend: «Wees verstandig. Wees dapper. Wees bevreesd». Met die woorden spraken zij en haar Afghaanse metgezel elkaar moed in tijdens hun confrontaties met Taliban-strijders. «En», zo schrijft ze, «ook nu, terwijl ik veilig en wel in de Verenigde Staten ben en hij met een in toenemende mate versplinterde coalitie in Afghanistan worstelt, sluit ik ons intercontinentale telefoongesprek af met deze zes woorden: ‹Wees verstandig. Wees dapper. Wees bevreesd›.»

Hoe meer ik deze passage lees, hoe meer ik deze woorden ga zien als het devies om een bedreiging het hoofd te bieden: met wijsheid, moed en vrees. Met alledrie tegelijkertijd. Zij houden elkaar in evenwicht. Dat bepaalt of men een dreiging kan afwenden, een conflict beheersen, een crisis doorstaan. Wijsheid, moed en vrees: het zijn de noodzakelijke ingrediënten van leiderschap in crisissituaties.

In zijn dit jaar verschenen boek Stijlen van leiderschap schrijft historicus Henk te Velde: «Succesvolle leiders zijn zij die als politieke persoonlijkheid die mogelijkheden [van het leiderschap] weten uit te buiten, zodat zij hun stempel zetten op de politiek.» Een succesvol leider ontstijgt de maatschappelijke achtergrond en zet de politieke constellatie naar zijn hand.

Te Velde voert enkele tijdgenoten uit het buitenland op die als leidersfiguren internationaal een voorbeeld waren: Gladstone, Kennedy en Willy Brandt. Gladstones leiderschap had drie kenmerken: hij vertoonde passie in kwesties van moraliteit; hij kon zich identificeren met zijn achterban en dat aan die achterban overbrengen; en hij was eerder een alerte volger van een maatschappelijke beweging dan een initiatiefnemer; hij sloot aan, nam over, doch liet zich niet meeslepen.

Het zijn de kenmerken van leiderschap in een evenwichtige maatschappelijke ontwikkeling, noodzakelijk om «de boel bij elkaar te houden», zoals Den Uyl zei. Zijn het ook voldoende eigenschappen in een situatie van oorlog of crisis? Of kort daarna, teneinde de samenleving weer op te bouwen en een nieuwe crisis te voorkomen? Dan gaat het erom de boel bijeen te brengen: geweld uitbannen, vrede bewerkstelligen, herstel en eenheid. Daar is meer voor nodig: naast passie een profetische visie; naast identificatie met de eigen achterban het vermogen een brug te slaan naar anderen; naast alert volgen het nemen van initiatief om doorbraken te bewerkstelligen.

Kennedy kon dat. Hij straalde passie uit en wist een visie, op de eigen samenleving en op de wereld, over te brengen. Hij zette zich niet alleen af tegen voorgangers, maar werd de verpersoonlijking van vernieuwing. Mensen werden geïnspireerd door zijn elan en benutten de ruimte die hij schiep. Hij oefende ook aantrekkingskracht uit op tallozen wier leider hij niet was, zelfs op de achterban van zijn tegenstanders. Hij zocht de confrontatie, ook in crisissituaties, nam initiatief en risico.

Net als Kennedy zocht Brandt de macht. Maar hij ging er behoedzaam mee om. Hij zocht de confrontatie niet. Zijn leiderschap was erop gericht via discussie en overtuigen eenheid tot stand te brengen. Twijfel in de politiek was belangrijk om aldus ook vermeende vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen, meende Brandt. Zijn gezag strekte zich, net als dat van Kennedy, uit tot velen die eigenlijk een andere leider hadden. Zo’n leiderschapsstijl is functioneel wanneer het erop aankomt vrede te verduurzamen door een nieuwe band te smeden met mensen die gewoontegetrouw beschouwd worden als de tegenpartij. Brandt ging zijn achterban daarin voor, zonder deze van zich te vervreemden.

Dat is óók de klasse van Mandela. Na eerst zijn leiderschap te hebben getoond in de strijd tegen de apartheid en ondanks een lange ballingschap, bleek Mandela ook na de strijd de onomstreden leider te kunnen zijn. Hij ging vóór in het proces van verzoening door voormalige tegenstanders de hand toe te steken. Hij leidde de wederopbouw van de samenleving en werd het symbool van het nieuwe Zuid-Afrika. Mandela kon zijn leiderschap na de crisis vervullen omdat hij zelf ook had gestreden en slachtoffer was geweest. Dat maakte hem bij uitstek geloofwaardig in pogingen de kloof in de samenleving te dichten.

Verduurzaming komt alleen tot stand wanneer ook de oorzaken van een conflict zijn weggenomen en mogelijke motieven om de strijd te hervatten bij voorbaat uitgebannen. Zo’n motief is wraak, gevoed door overmatige vergelding na de strijd, of door nieuw onrecht, maar nu jegens de overwonnen tegenstanders van weleer. Het kan ook liggen in eenzelfde eigengereide en wellustige omgang met macht door de nieuwe leiders als door de terzijde geschoven machthebbers. Het hoeft niet eens een nieuwe onderdrukking te zijn. Het ontnemen van perspectief aan (nieuwe) minderheden, het bevoordelen van de eigen groep (etnisch, religieus, cultureel, sociaal, economisch) kan leiden tot het gevoel uitgesloten te zijn, genegeerd en vernederd. Dat leidt tot afkeer, wrok, ressentiment, haat en geweld en tot het hernemen van de strijd.

Dat proces hebben we gezien in bijna alle Afrikaanse landen. Maar op de Kaukasus en de Balkan, in het Midden-Oosten en Zuid-Azië doet het zich net zo voor. Een eind ma ken aan de geweldsspiraal tussen hindoes en moslims, Israëliërs en Palestijnen, Bosniërs, Serven, Kroaten en Albanezen, Turken en Koerden vereist niet alleen het wegnemen van huidig onrecht en het vereffenen van bestaande ongelijkheden tussen minderheden en meerderheden, maar ook het ongedaan maken van onrecht en ongelijkheid uit het verleden. Dat kan per definitie niet. Maar in de plaats daarvan kan wel verzoening plaatsvinden en zekerheid worden geboden dat de geschiedenis zich niet herhaalt. Dat vereist van nieuwe structuren: een rechtsstaat, democratie, geïnstitutionaliseerde rechten en vrijheden, sociale zekerheid, een economisch stelsel met ingebouwde correcties tegen machtsmisbruik en ongelijkheid. Dat kost tijd. En het wordt niet door iedereen als vanzelfsprekend noodzakelijk geaccepteerd. Integendeel.

De nieuwe structuren die recht en zekerheid moeten bieden aan iedereen, ook aan minderheden en aan voormalige tegenstanders, betekenen immers dat iets wordt afgedaan aan de voorsprong van de meerderheid. Perspectief bieden aan minderheden, hen volwaardig en op voet van gelijkheid deel laten uitmaken van de samenleving, vereist dat vrijheden, macht en welvaart van degenen die zich tot nu toe het meest hebben kunnen toe-eigenen, worden beperkt. Daartoe zijn zij pas bereid als zij beseffen dat dit in hun eigen belang is en dat er geen alternatief bestaat. Altruïsme en solidariteit zijn in zo’n situatie onvoldoende motief. Er is een meer duurzaam alternatief nodig. Verlicht eigenbelang zou dat kunnen zijn: het voorkomen van toekomstig onheil door reeds nu eerlijker te delen. Maar dat motief, hoe verstandig ook, wijkt elke keer weer voor de gedachte dat het niet nodig is, want men zou de voorsprong toch ook kunnen gebruiken om zich te beschermen? En zo zien we telkens opnieuw hoe eerlijker delen wordt uitgesteld, hoe vredes besprekingen worden afgebroken en maatschappijhervorming op de lange baan geschoven wordt.

Tenzij er een leider opstaat die solidariteit en recht en verlicht eigenbelang als motief weet hoog te houden tegen alle weerstand in en de mensen weet te overtuigen dat dit de enig begaanbare weg is. Zo’n leider moet niet alleen de eigen achterban daarvan overtuigen, maar ook de anderen, mensen wier leider hij niet was, maar nog moet worden. De overtuigingskracht in beide richtingen zal groter zijn naarmate de leider ook zelf alle fasen van het conflict heeft doorleefd.

Zo’n leider moet het ook zelf aandurven. Een dergelijk leiderschap houdt nu eenmaal een zekere verwijdering in van de eigen achterban. Het is een waagstuk. Er kunnen concurrenten opstaan die hun kans schoon zien. Er kan ruimte ontstaan voor fanatici die hun woede niet richten op de tegenstanders van weleer, maar op de eigen leiders. Wie een dergelijk leiderschap aandurft, heeft heldenmoed nodig. Daarom is het uniek en verdient het gekoesterd te worden. Leiderschap als een godsgeschenk, een leider als een deus ex machina. Martin Luther King en Rabin liepen die risico’s en zij werden vermoord.

Hoe geloofwaardig is momenteel het internationale leiderschap? Doen we internationaal datgene waarvan we vinden dat het nationaal zou moeten? Die vraag heeft rond de wisseling der millennia aan betekenis gewonnen nu de globalisering grenzen tussen naties heeft vervaagd. Dat werd in de jaren negentig van de vorige eeuw, na de aanvankelijke euforie over het einde van de Koude Oorlog, gaandeweg duidelijker. De migratie kreeg het karakter van een volksverhuizing. Het conflict op de Balkan werd een Europees conflict met Atlantische proporties. Het Israëlisch-Palestijnse conflict deed zich steeds sterker voelen in het gehele Midden-Oosten, Europa en de VS. De Golfoorlog deed dat in bijna de hele wereld. De Aziatische financiële crisis had economische repercussies tot ver buiten het continent. Aids werd een killer op wereldschaal. De doorbraak op het terrein van de informatietechnologie, de communicatie en het dataverkeer luidde een culturele wereldrevolutie in. De internationale orde kraakte in haar voegen. Het internationale leiderschap beperkte zich tot het faciliteren van de wereldmarkt. Parallelle sociale actie bleef uit en internationale conflictbeheersing faalde volledig. En toen kwam 11 september.

Op die dag werd vanuit de Derde Wereld het geweld dat zich daar reeds lange tijd had voorgedaan naar het Noorden getransporteerd. Het geweld in het Zuiden had, na de dekolonisatie in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, vooral te maken met een achterblijvende ontwikkeling, economisch, sociaal en politiek. Schrijnende armoede heerste naast nieuwe welvaart. De vorming van onafhankelijke nieuwe naties ging gepaard met grote tegenstellingen en machtsmisbruik. De Derde Wereld was een theater geworden waar Oost en West hun wederzijdse invloedsferen op de proef stelden. Na de Koude Oorlog kregen binnenlandse religieuze, regionale, etnische en economische tegenstellingen vrij spel. Ze werden uitgevochten met veel geweld, ook over nationale grenzen heen. Die grenzen hadden door de economische, technologische en culturele globalisering hun functie inmiddels nagenoeg verloren.

De globalisering bracht ook zelf nog grotere tegenstellingen teweeg tussen de «haves» en de «have nots». Al die conflicten speelden op elkaar in en leidden tot steeds meer geweld. Tal van naties werden gespleten. Het geweld rolde over nationale grenzen heen. Het aantal slachtoffers wordt niet geteld in duizenden, maar in miljoenen, tientallen miljoenen. Zij vielen in het Zuiden, niet in het Westen. Dat genoot van steeds meer welvaart, stabiliteit en rust. Het geweld in het Zuiden deerde het Westen niet. Het hield halt bij haar grenzen.

Tot 11 september vorig jaar. Toen kwam het vanuit de periferie naar het centrum, het echte machtscentrum, de VS. Vanaf die dag ervaren de Amerikanen hun eigen territoriale kwetsbaarheid. Dat vroeg om nieuw leiderschap, zo wel van burgemeester Giuliani als van president Bush. Beiden veranderden hun stijl. De autoritaire burgemeester werd een vader voor de stad, de provinciale president een wereldleider.

Het was het begin van een nieuwe perceptie van de internationale verhoudingen. Amerika beschouwt zichzelf reeds een jaar lang als een land in oorlog, zij het een nieuw soort oorlog. Europa niet. Vele Europeanen denken dat de aanval niet hén gold, doch alleen Amerika, of ze menen dat het een incidentele aanslag betrof, niet het begin van een brede, langdurige strijd.

Zo schreef Benzakour: de aanval gold de VS, niet het mo derne Westen als geheel. De VS, vanwege hun houding in het Israëlisch-Palestijnse conflict, hun arrogantie, die door degenen die haar ondergaan als vernederend wordt ervaren. Van Middelaar daarentegen stelde dat de plegers van de aanslag een breder doel nastreefden. Zij wilden de VS ondermijnen omdat men het fundamenteel oneens was met niet alleen de Amerikaanse politiek, maar bovenal de grondslagen van de VS als natiestaat: de moderne liberale democratie. De afwijzing van die waarden ontaard de in intolerantie en haat. Omdat het fundamenteel dezelfde waar den zijn als die welke ten grondslag liggen aan de westerse na tiestaten in het algemeen geldt de fundamentalistische afwijzing en haat ook West-Europa. Op dit punt had Van Middelaar gelijk.

Ook Europese leiders zullen zich moeten bezinnen op hun strategie en stijl van leiderschap. De noodzakelijke bezinning moet méér inhouden dan het geven van een hogere prioriteit aan veiligheid en bescherming. Zelfs wanneer de plegers en beramers van de aanslag onschadelijk zouden zijn gemaakt, is de oorlog tegen het terrorisme niet gewonnen. Er kunnen en zullen nieuwe terroristen opstaan. Zelfs wanneer een schild rond het Westen zou zijn aangebracht; de kwetsbaarheid blijft. De globalisering van de markt en van de technologische systemen maakt dat een aanslag niet meer van buitenaf komt, doch per definitie van binnenuit. Na 11 september 2001 houdt leiderschap méér in dan bescherming van de eigen natie, meer dan het onschadelijk maken van een vijand, meer ook dan het preventief uitschakelen van degenen die mogelijk een nieuwe aanslag beramen. De bescherming van de eigen samenleving, van de waarden die daaraan ten grondslag liggen en, zo men wil, van de beschaving zelf vereist bovenal dat alle mogelijke oorzaken van conflicten en redenen tot escalatie worden weggenomen.

Probeer dus door te dringen in de motieven van de haat. Neem ze serieus, hoe fanatiek ze ook klinken. Kennelijk voelen velen zich erdoor aangesproken. Dat maakt ze tot een politiek feit dat niet straffeloos kan worden genegeerd. Ook motieven die we verafschuwen, zullen we moeten ontkrachten. Dat kan niet door ons tegen de mogelijke gevolgen te beschermen. Ontkrachting van motieven vindt evenmin plaats door ze te negeren, te ontkennen of te bestrijden. Dat voedt ze slechts. Fundamentalistische haatgevoelens kunnen alleen worden ontkracht door hun voedingsbodem weg te nemen. Dat zal fanatici niet weerhouden. Maar anderen, die zich door dezelfde motieven aangesproken voelen doch nog twijfelen en nog niet definitief gekozen hebben voor een fanatiek fundamentalisme — mensen die wel wrok koesteren, maar nog geen haat —, zij kunnen wél worden weerhouden van gewelddadige actie of steun. Mits hun een perspectief wordt geboden in een andere richting.

Om dat te kunnen schetsen, moeten we zicht hebben op de structurele achtergrond van het ressentiment in de Derde Wereld. Die is er en al geruime tijd. Eigenlijk is het vreemd dat de wrok tegen het Westen niet eerder heeft geresulteerd in geweld. Dat dit ooit stond te gebeuren, is wel voorzien. Decennia geleden sprak Tinbergen over de noodzaak van een eerlijke verdeling en van een leefbare aarde, niet alleen omwille van de solidariteit, maar ook om gewelddadige spanningen te voorkomen. Het met geweld zich toe-eigenen van hetgeen waarop men recht meende te hebben, zou zich uiteraard niet beperken tot conflict en strijd binnen landen van de Derde Wereld zelf. Het was, aldus Tinbergen, een kwestie van tijd aleer ook het rijke Noorden zou worden aangesproken. Daarom diende het Noorden de resterende tijd goed te gebruiken en echt te kiezen voor een rechtvaardige internationale orde. Om dat te verwezenlijken, was leiderschap nodig, schreef Tinbergen destijds.

Zoveel te meer nu. Inmiddels is de ongelijkheid groter geworden en de aarde minder leefbaar. Het geweld heeft de grens tussen Noord en Zuid overschreden. En er is nog iets anders gebeurd: het perspectief is vervlogen. Waarom is de wrok tegen het welvarende Westen niet eerder omgeslagen in geweld? Omdat datzelfde Westen tegelijkertijd een wenkend perspectief bood. De armen in het Zuiden koesterden een haat-liefdeverhouding ten opzichte van de rijken in het Noorden. Men kon zich veronachtzaamd voelen, of uitgebuit of onderdrukt, maar niet buitengesloten. Er was hoop.

Voor zeer velen in de wereld is dat perspectief inmiddels verdwenen. Duidelijker dan ooit zien zij, dankzij de moderne communicatiemiddelen, hoe het zou kunnen zijn. Meer dan voorheen beseffen zij dat een beter leven voor hen onbereikbaar is, omdat zij zelf steeds minder vaste grond onder de voeten hebben. Geen land om te bewerken, geen werk, geen krediet, geen onderwijs, geen basisvoorzieningen, geen zekerheid omtrent inkomen en voedsel voor de dag van morgen, maar wel steeds meer vervuiling, steeds meer kans op aids, een huis zonder elektriciteit, water of sanitair. Ondanks de ongekende economische vooruitgang in de wereld in het laatste decennium van de vorige eeuw restte er voor een kleine twee miljard mensen slechts de ervaring verder weg te zinken in het moeras.

Het Westen is zijn verantwoordelijkheid reeds decennia lang uit de weg gegaan. Westers kapitaal, westerse ondernemers en westerse technologie maakten de wereld tot een huishouding, maar zonder de sociale mechanismen die dezelfde westerse landen binnen hun nationale huishoudingen toepassen om de boel bijeen te houden. De ontplooiing van de eco nomieën van ontwikkelingslanden werd stelselmatig gehinderd door nieuwe handelsbelemmeringen, kredietbeperkingen, schuldaccumulaties en aanpassingsprogramma’s. Er is ook wat dit betreft met twee maten gemeten. Westerse normen en waarden gelden aan gene zijde van de grens kennelijk anders dan aan deze. Geen wonder dat velen in de Derde Wereld zich opzettelijk buitengesloten achten en apart gezet.

Migratie, misdaad en terrorisme vormen een reactie op dat gevoel van ontworteling. Ook al is er geen directe verbinding tussen armoede en geweld, het stelselmatig negeren van aspiraties en gevoelens van onrecht schept daar wel de condities voor. Er ontstaat begrip voor geweld wanneer men zich vernederd voelt, als mens en als groep, wanneer men ervaart als cultuur en samenleving niet serieus te worden genomen, maar te worden buitengesloten door het nieuwe, vanuit het Westen georkestreerde wereldsysteem. Dat gevoel leidt bij sommigen tot stilzwijgende instemming met geweld, bij anderen tot steun, het verschaffen van een schuilplaats dan wel ontvankelijkheid voor de boodschap van gewelddadige actie. Waarom niet, denkt men dan, als ons door het Westen toch geen andere weg wordt gelaten?

Toch willen de meesten in de Derde Wereld, hoe arm en wanhopig ook, helemaal niet kiezen voor geweld. Tenzij zij zich daartoe gedwongen achten, bijvoorbeeld door het Westen zelf. Dan krijgen wrokgevoelens de overhand boven de twijfel.

Het leiderschap na 11 september zal erop gericht moeten zijn de fanatici in deze wereld te ontwapenen zonder de twijfelaars van zich te vervreemden. Vastberaden en omzichtig.

Arrogantie, gebrek aan nuancering en relativering, onvoldoende historisch besef en inzicht in achtergronden van conflicten zijn echter gedurende het afgelopen jaar kenmerkend geweest voor met name het Amerikaanse leiderschap.

Het gaat na 11 september om een keuze tussen twee paradigma’s. Dat van de veiligheid, exclusief: «onze» veiligheid, die wij bedreigd achten door derden — vreemden, de potentiële vijand — en die wij trachten te beschermen door hen zoveel mogelijk buiten te sluiten. Daartegenover een inclusief paradigma, dat van de duurzaamheid: een veilige en menswaardige plaats voor iedereen, met zoveel wederzijds vertrouwen dat het recht zal worden gehandhaafd, zonder onderscheid, dat daarmee tegelijkertijd ook de wederzijdse veiligheid is gegarandeerd. Dat vereist een wereldwijd program dat bevolkingsgroepen die zich slachtoffer voelen van onrechtvaardige structuren, die menen dat men zich in de machtscentra niets aan hen gelegen laat liggen, het perspectief biedt er volledig bij te horen.

Na 11 september is er behoefte aan leiderschap dat de passie van Gladstone voor de moraliteit combineert met de bereidheid van Kennedy om risico’s te nemen, de wijsheid in de omgang met de macht, zoals betracht door Willy Brandt, en het vermogen van Mandela om bruggen te slaan naar oude en nieuwe tegenstanders. Het volstaat niet om daar alleen wereldleiders op aan te spreken. Iedereen kan zich leider tonen in de eigen omgeving: inclusief denken, waken tegen een verkeerde retoriek, duurzaamheid nastreven, initiatieven nemen, bruggen slaan. Kortom, het devies ter harte nemen van Lois Ramondo: «Wees wijs. Wees moedig. Wees bevreesd.»

Dit is een bewerkte versie van de Burgemeesterslezing, uitgesproken op 11 september 2002 te Den Haag