Leidsman weinreb

DS. J.D. WUISTER, gepensioneerd predikant (Ned. Herv.) te Schiedam, beleeft dezer dagen een nieuw seizoen van hoop in zijn nimmer aflatende strijd voor de rehabilitatie van zijn leermeester Friedrich Weinreb. Dat lijkt raar, want het proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis van de Leidse historica Regina Grüter is net van de pers gerold en daarin wordt geen spaan heel gelaten van de man die in de jaren zestig het boegbeeld was van de progressieve beweging. Wuister ziet in Grüters boek echter een fatale misstap van het anti-Weinreb-kamp. ‘Dit boek is zo doorzichtig gelogen dat het zich uiteindelijk alleen maar tegen de schrijfster zal keren, en via Grüter tegen degenen die haar het boek hebben ingefluisterd’, aldus de predikant in zijn werkkamer in het hart van de jeneverstad, aan alle kanten omgeven door kloeke joodse heilige boeken en hun bijbehorende commentaren.

Voorlopig heeft Grüter het tij echter meer dan mee. Haar boek, dat zich laat lezen als een vuistdik psychiatrisch rapport over een pathologische bedrieger (hoewel Grüter naar eigen zeggen slechts een spoedcursus van een halfjaar volgde in de psychopathologie), is met een lawine aan warme bijval ontvangen. Hoewel de Leidse historica geen nieuwe bronnen heeft aangeboord en ze zich geheel laat leiden door het 1683 bladzijden tellende Weinreb-rapport dat de onderzoekers A.J. van der Leeuw en mr. D. Giltay Veth in 1976 in opdracht van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) het licht deden zien, worden haar daverende conclusies nu kritiekloos doorgegeven in de media. Er lijkt nu algehele overeenstemming te bestaan over het feit dat Weinreb een ‘seksuele sadist’ was die in de oorlogsjaren in nauwe samenwerking met de Duitse Sicherheitsdienst andere joden verraadde en ze geld en seksuele diensten afperste en dat hij ook na de oorlog doorging met zijn zwendel.
Dezelfde conlusies, kortom, als in het genoemde Weinreb-rapport. Dat kreeg bij verschijnen een lawine aan kritiek over zich heen, voornamelijk omdat de litanie aan beschuldigingen op niet-verifieerbare, namelijk anonieme bronnen berustte. Het rapport was zo kwetsbaar dat de Tweede Kamer, in wier opdracht het mammoetonderzoek nota bene was verricht, het niet eens wilde behandelen. Het parlement nam het Weinreb-rapport voor kennisgeving aan. Dat was jammer, omdat een kamerbehandeling weleens duchtige gaten in het rapport had kunnen slaan.
Grüters boek is niet meer dan een beknopte versie van het Weinreb-rapport, aangevuld met een enkele trouvaille, te weten een rapport van het ministerie van Buitenlande Zaken waaruit zou blijken dat Weinreb in de jaren vijftig vanuit Indonesië de Nederlandse regering chanteerde. Dit rapport, opgedoken uit het niets, is niet in het proefschrift afgedrukt en kan dus niet op authenticiteit worden gecheckt.
A.J. VAN DER LEEUW, hoofdopsteller van het Weinreb-rapport, was de voornaamste souffleur van Grüter. Uit het dankwoord van Grüters boek blijkt dat Van der Leeuw de eerste versie van haar boek las en hielp redigeren. Van der Leeuw was als speciale gast uitgenodigd bij de promotie van Grüter, donderdag 30 oktober op de Universiteit van Leiden. Grüter behaalde toen met vlag en wimpel haar doctorstitel. Grüter en Van der Leeuw waren afgelopen maandag twee uur te horen op de NPS-radio, waar ze door de leden van de Tafel van Pam, normaal gesproken een ware inquisitie van intellectuele sceptici, met overstelpende egards werden ontvangen. Filosoof Jaap van Heerden (in een vorig leven bekend als echtgenoot van Renate Rubinstein) noemde Weinreb onverholen 'een weerzinwekkende man’, en ook de andere ondervragers bleken te geïmponeerd om ook maar een vraagtekentje te zetten bij het aplomb waarmee Grüter het Nederlandse volk ontlastte van een van de meest knellende dilemma’s die de moderne geschiedenis het stelt.
Dominee Wuister: 'Ik ben naar de promotie van mevrouw Grüter gegaan en heb mij plaatsvervangend diep geschaamd voor het wetenschappelijke gehalte van het een en ander. Het was een zwarte dag voor de universiteit. Toen ik in Leiden studeerde, was het de universiteit van de kritische traditie. Aan alles werd getwijfeld, iedere uitlating moest bewezen worden. Maar van die traditie bleek niets meer te bestaan. Het Weinreb-rapport van Van der Leeuw, dat ik nog steeds zou willen bestempelen als een monstrum op zowel juridisch, historisch als staatsrechtelijk terrein, wordt door Grüter behandeld als een heilig boek, nog heiliger dan de thora voor de joden en de koran voor de moslims. Maar nergens op die promotie werd daarop ingegaan. Voor de hooggeleerden was het Weinreb-rapport al even heilig. Het werd mevrouw Grüter zo makkelijk gemaakt dat ik er nog dagen beduusd van was, bijna verdoofd. In mijn ogen ging die hele promotie niet om Grüter, maar ging het erom Weinreb de enige echte oorlogsmidadiger van Nederland te laten blijven. Het was het feestje van Van der Leeuw, zijn finale overwinning op Weinreb.’
Wuister probeert het grote publiek al jaren te wijzen op de diepere motieven die bij zijn tegenpool Van der Leeuw moeten spelen. Wuister: 'Van der Leeuws vader was hoogleraar aan de Universiteit van Groningen en bleef op zijn post zitten na de loyaliteitsverklaringen. Als voorzitter van de Bachvereniging was hij lid van de Kultuurkamer, hetgeen na de oorlog weer geen beletsel was voor een ministerspost. Zijn zoon, onze Van der Leeuw dus, beroemt zich op een verzetsverleden, dat hij uitbroedde in de gerieflijke villa van de psychiater Rümke in Utrecht, die er ook al geen been in zag om met de Duitsers mee te werken. Na de oorlog kreeg hij daar leen een berisping voor. Ik ben geen psycholoog, maar ik ben ervan overtuigd dat Van der Leeuw in zijn levenslange pogingen om Weinreb te bestempelen als zondebok van de oorlogsjaren, wordt voortgedreven door afgeleide schuldgevoelens.’
Wuister heeft het boek van Grüter met kromme tenen gelezen. 'Zelf kom ik er ook in voor, maar mevrouw Grüter heeft nooit de moeite genomen om me even op te zoeken. Dat is jammer, want ze maakt nu allerlei rare schuivers op religieus terrein. Zo zegt ze dat Weinreb binnen de joodse traditie niet voor vol werd aangezien door geleerden. Ze doet alsof Weinrebs vele geschriften over de kabbala en andere religieus-wijsgerige onderwerpen wetenschappelijk niets voorstellen. Daar vergaloppeert ze zich. Weinreb had als geleerde een unieke statuur. Hij werd door andere joodse geleerden in het buitenland na de oorlog met alle egards ontvangen.’
Ten bewijze pakt de dominee een stapel brieven van joodse schriftgeleerden over Weinreb. Zoals van rabbijn E. Munk uit Parijs, die op 17 januari 1966 dolenthousiast een brief aan Weinreb schreef over de Duitse vertaling van De bijbel als schepping, zijn hoofdwerk. Munk noemt Weinrebs werk een 'gewaltige Leistung’ en hij 'spreekt de hoop uit dat het in het bijzonder in kringen van andersgelovigen een volkomen heelmaking teweeg zal brengen’.
En dat terwijl Grüter bij hoog en laag beweert dat Weinrebs religieuze geschriften door collega-geleerden als 'charlatanerie’ werden gezien. Wuister: 'Grüter heeft niemand willen spreken van wie de geluiden niet in haar straatje pasten. Dat mag natuurlijk. Maar niet als je je werk als wetenschap presenteert.’
WUISTER ONTMOETTE de negen jaar geleden overleden Weinreb in 1949 in Schiedam. Wuister was student in de theologie in Leiden en werd door kennissen geattendeerd op informele huiskamercolleges over de bijbel die de net uit de gevangenis ontslagen Weinreb hield voor geïnteresseerden. Het was het begin van een levenslang leerlingschap. De student werd ingewijd in de geheimen van het Hebreeuws en ontdekte zo de diepere betekenislagen van het Oude Testament, die in de vertalingen verloren waren gegaan. Wuister: 'Mijn medestudenten bespotten me er weleens om. Ze noemden me rabbi Ben Wuister. Het was in die tijd niet gebruikelijk om je zo in de joodse wijsheid te storten.’
Na verloop van tijd was Wuister zo ver om Weinreb bij te staan tijdens de cursussen die deze gaf. Wuister gaf dan inleidingen in de taalkundige dimensies van het Hebreeuws, terwijl Weinreb de meer levensbeschouwelijke dimensies voor zijn rekening nam. Wuister: 'De heer Weinreb had een hekel aan epigonen en volgelingen. Ik wil geen weinrebbianen, zei hij altijd tegen mij. Dus ik mag me strikt genomen geen leerling van hem noemen. Maar hij was mijn geestelijke vader, daar kom ik niet onderuit.’
Toen Weinreb, van huis uit econoom, in 1952 naar Indonesië vertrok, was het Wuister die hem uitgeleide deed. In Jakarta was Wuisters latere echtgenote huisvriendin bij de familie Weinreb. Wuister zocht Weinreb later ook op in Ankara, alwaar Weinreb begin jaren zestig college gaf op de universiteit, en in Genève, waar Weinreb enige tijd werkte bij de Verenigde Naties. Toen Weinreb in Nederland terugkeerde - daartoe aangespoord door een later weer ingetrokken uitnodiging om hoogleraar te worden aan de Universiteit van Leiden - was het weer Wuister die hem verwelkomde. Toen Weinreb en zijn familie in 1968 een veilig heenkomen zochten in Zwitserland, was het Wuister die achter het stuur zat.
Wuister: 'Weinreb vertrok uit Nederland omdat mejuffrouw Greet Hofmans, met wie hij heel goed was, signalen had gekregen dat er weer een justitiële klopjacht op hem zou komen, of misschien wel erger. Mevrouw Weinreb hield het ook niet meer uit in Nederland. Die dacht dat ze haar man wilden vermoorden. Ik heb me toen aangeboden als chauffeur en hielp mee tijdens de snelle verhuizing. Daarna zorgde ik ervoor dat ook Weinrebs boeken en documenten een veilig heenkomen kregen.’
Met de familie Weinreb in veiligheid kon dominee Wuister zich mede wijden aan de campagne ten faveure van zijn geestelijke vader. De campagne ging uit van Renate Rubinstein - die de memoires van Weinreb, Collaboratie en verzet, redigeerde - en haar toenmalige echtgenoot Aad Nuis. Wuister: 'Met Renate stond ik op goede voet. De samenwerking liep altijd uitstekend. Het is jammer dat ze door haar ziekte uiteindelijk niet meer de kracht had om door te gaan. Ze had eenvoudigweg de energie niet meer, hoewel het geweld van W.F. Hermans doorging.
Hermans’ haat jegens Weinreb heb ik altijd pathologisch gevonden. Hermans noemde Weinreb een “chassidische bellenblazer” en meer van dat fraais. Ik heb me altijd afgevraagd waar die haat vandaan kwam. Niemand heeft uitgezocht wat Hermans nu precies deed in de oorlog.
Renate heeft in haar werk voor Weinreb helaas de religieuze component altijd buiten beschouwing gelaten. Dat kon ze niet bevatten. Dat is heel jammer, omdat je Weinreb alleen maar kunt begrijpen als je er rekening mee houdt dat hij een diep religieus mens was. Alleen als je de joods-orthodoxe traditie kent, begrijp je waarom Weinreb heeft gehandeld zoals hij handelde, in de oorlogsjaren en daarna. Hij heeft geprobeerd om hulp te bieden waar hij kon. Daarbij bediende hij zich van alle trucs om de nazi’s om de tuin te leiden. Het drama is dat die trucs zich na de oorlog tegen hem zelf hebben gekeerd. Toen Renate ziek werd, schreef ze me eens dat ze het jammer vond dat ze voor die godsdienstige kant van Weinreb geen oog had gehad.
Aad Nuis, Renate’s medestander, wierp de handdoek ook in de ring, hoewel hij tot mijn grote vreugde altijd heeft volgehouden dat er niets deugt van het Weinreb-rapport. Ik slaakte een zucht van verlichting toen ik in Trouw de brief las die Nuis heeft opgesteld naar aanleiding van Grüters boek. Even was ik bang dat ook hij helemaal gedraaid zou zijn, zoals zo velen van die hippe progressieve intellectuelen van de jaren zeventig. Maar dat bleek gelukkig niet het geval. Want Nuis houdt vol dat het Weinreb-rapport op geen enkele wijze een juridisch houvast biedt.’
AAN ZIJN campagne ten faveure van Weinreb heeft Wuister alleen maar moeilijkheden overgehouden. Hij kreeg veel kritiek over zich heen. Wuister: 'Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat ik in 1966 naar de rechter-commissaris Bellaert in Rotterdam moest, toen een van de beruchte zedenzaken tegen Weinreb begon (op basis van merendeels anonieme verklaringen werd geprobeerd om Weinreb te veroordelen vanwege deviant seksueel gedrag - hij zou zich onder het mom van medisch handelen aan diverse vrouwen hebben opgedrongen - rz). Ik was nerveus, maar toen de rechter-commissaris gelijk bij het begin van de ondervraging op bitse toon vroeg hoe ik als christelijk theoloog bij een jood als Weinreb bijbellezingen kon bijwonen, was ik opgelucht. Toen wist ik wat voor vlees ik in de kuip had.
Bellaert zinspeelde erop dat mijn positie als predikant ook gevaar kon lopen. Dan zag het ernaar uit dat ik mijn werk als predikant moest staken. In dat geval was ik de eerste huisman van Nederland geworden. Gelukkig kreeg ik snel daarna een beroep als predikant naar Nieuwleusen, een klein plaatsje bij Zwolle. Daar had niemand weet van de affaire-Weinreb. Zo kon ik rustig mijn werk blijven doen.’
Wuister heeft altijd inspiratie geput uit de woorden van historicus Jacques Presser, die het in 1965 in zijn boek Ondergang nam voor Weinreb. Presser schreef: 'De jood Weinreb is de zondebok geworden, hij heeft voor het tekort schieten van talloze niet-joden geboet. Hij moest gefaald hebben, ook gefaald, omdat zij gefaald hadden. Niet alleen zij hadden plicht verzaakt, ook hij. Als er geen joodse verraders waren moest men ze uitvinden.’ Later zorgde Riod-directeur dr. L. de Jong dat deze passage niet werd afgedrukt in de vertaling van Pressers boek in het Engels. Maar Presser zelf bleef bij zijn overtuiging, getuige een interview dat Philo Bregstein hem afnam voor het boek Gesprekken met Jacques Presser, 1972. Daarin zegt de historicus: 'Een kleine nuance waarin ik wel iets afwijk van mijn mening in 1965 is een nuance waarin ik Weinreb gelijk geef. Ik heb toen geschreven dat Weinreb de zondebok is geworden van de niet-joden. Tegenwoordig zou ik hebben geschreven: Weinreb is de zondebok geworden van joden en niet-joden samen. Maar dat is geen essentieel verschil.’
Wuister: 'In die woorden kan ik me nog steeds helemaal vinden. Weinreb werd ook in sommige joodse kringen als zondebok gebruikt. Daar was hij zelf ook van doordrongen. Ik kan me nog herinneren dat we samen in de auto naar Zürich gingen, en dat hij toen tegen me zei: “Dit is precies hetzelfde als wat er met de Riziner rebbe is gebeurd.” Dat was een chassidische rebbe uit de vorige eeuw die net als Weinreb het slachtoffer werd van haat in joodse kring zelf. Voor Weinreb was er niets nieuws onder de zon.’