Dag beste Rasit,
Ik moest je vorige week al mailen, ik heb er tegenaan zitten hikken, want ik wilde per se deze briefwisseling met iets briljants beginnen, iets waaruit zou blijken dat ik niet van de straat ben. (Zoals ik eigenlijk altijd heel erg m’n best probeer te doen en niet de indruk wil wekken dat ik ergens de kantjes vanaf loop; dat zou je gewoon irritante streberigheid kunnen noemen, wat het vermoedelijk ook is, maar als migrant heb je het voordeel dat je je gedrag ook kunt verklaren uit het feit dat je áltijd harder moet lopen dan een ander, waarmee je het buiten jezelf kunt plaatsen. Dat kan erg prettig zijn, ik noem dit de migrantenwinst.)

Maar als ik direct al zulke eisen aan mezelf ga stellen, komt er niks van, dus ik dacht: ik begin gewoon heel basaal.

Later zullen we deze aanloop voorlezen in de Schouwburg van Deventer, als een metalaag over al het andere wat we te melden hebben. Dat vinden mensen leuk: een inkijkje in het maakproces, dat bij mij rommelig is en grillig en gepaard gaat met veel nagelbijten en uit het raam staren en uitstellen.

Hoe werk jij?

Enfin, laten we deze correspondentie beginnen.

Over de goede migrant dus.

Waarom ga ik zo door over de goede migrant? Omdat in de briefing stond dat een van de pijlers waar deze lezing op rust ‘het nemen van verantwoordelijkheid in een snel veranderende samenleving’ is. Dat klinkt nobel, en dat is het ook natuurlijk, de zinsnede roept associaties op met burgerplicht en broederschap en luisteren naar elkaar en elkaar vrijlaten. De edele begrippen uit de gereedschapskist van de nette burger die het zich kan permitteren niet cynisch te zijn.

Bij mij wekte het begrip verantwoordelijkheid milde irritatie. Omdat ik, sinds ik op een mooie augustusdag in 1986 voet op Nederlandse bodem zette – mijn nieuwe huis, ik had er hoge verwachtingen van – voortdurend bezig ben geweest met enorm verantwoordelijk zijn. Niet uit deugdzaamheid, niet omdat ik – hoe zei Sywert de mondkapjesmiljonair dat ook alweer? – een moreel kompas heb laten opstellen.

Wel omdat ik vermoedde dat ik me geen overtredingen kon permitteren. Je moet geen fouten maken, niet te laat komen, geen bibliotheekboeken te laat inleveren, niet op de stoep fietsen, niet de kantjes er vanaf lopen, niet middelmatig scoren. En vooral wel net iets harder lopen, net iets slimmer zijn. Niks doms doen, onder geen beding fouten maken. Omdat ik vermoedde dat ze dan zouden zeggen: zie je wel.

Nee, niet vermoedde. Wist.

Verantwoordelijkheid terugeisen: het kwam niet in me op. De anderen wijzen op hun verantwoordelijkheden tegenover mij: het kwam niet in me op.

Als een bevriende en zeer gewaardeerde collega in alle ernst midden in een gesprek achteloos liet vallen dat ‘negers lui zijn’ (dit waren de jaren negentig, Rasit, toen kon echt heel veel nog): een wenkbrauw optrekken en doorgaan met waar je mee bezig was.

Als in de eerste week van december mijn vriendje – dat later mijn man werd en nog later de vader van mijn kinderen, de prachtigste en stoerste meisjes van de wereld – de stad meed omdat er altijd jongetjes ‘hé, daar loopt Zwarte Piet!’ naar hem riepen, zeiden we tegen elkaar: volgende week is het voorbij.

Klagen over domme en racistische Hollanders – en dat waren er nogal wat in de jaren negentig, nou ja het zijn er nog steeds een hoop – deden we onderling.

Plek opeisen voor onze eigen verhalen en perspectieven: het idéé alleen al. Onze eigen verhalen waren voor thuis, niet voor buiten de deur. Thuis lachten we de Hollanders uit, die ‘wat spreek je goed Nederlands’ zeiden en zelf niet fatsoenlijk konden spellen, en die ‘gelukte integratie’ verwarden met tienen scoren, want dom zijn en maatschappelijk mislukken was voorbehouden aan de autochtoontjes. Dat was namelijk altijd individueel te verklaren. Als wij mislukten, was er een collectief cultuurprobleem.

De verantwoordelijkheid werkte één kant op. Jarenlang.

Toen kwamen jullie, en de generatie ná jullie, en jullie namen je plek in met een vanzelfsprekendheid die wij ons nooit gepermitteerd hebben. Eisten ruimte voor eigen verhalen en eigen geschiedenissen. In het Engels heb je er een woord voor: unapologetic, het laat zich lastig vertalen.

Dat ontroert me. Het ontroert me om de snelheid te zien waarmee Zwarte Piet een marginaal figuur is geworden. Het ontroert me als ik de directeur van De Nederlandsche Bank excuses hoor maken voor de rol die zijn voorgangers hebben vervuld in het financieren van de slavernij. Het ontroert me als ik hoor en zie hoe de taal verandert, de woorden veranderen, hoe de geschiedenis wordt verrijkt met andere perspectieven.

Hoe hebben jullie dat geflikt, Rasit?

Sheila

Beste Sheila,
Laat ik dan ook beginnen met een bekentenis over mijn schrijfproces. Ik heb een hele tijd (het was echt lang) voor me uit zitten staren om na te denken over de aanhef van deze brief. Zo’n innerlijke dialoog. Dag Sheila, dat klinkt als een vluchtige zakelijke mail. Lieve Sheila? Veel te intiem, zo goed kennen we elkaar niet. Beste Sheila? Niet heel origineel, maar heb ik een beter idee? Ook niet. (Ik kijk nu met enige jaloezie naar jouw aanhef en die is eigenlijk perfect, zo perfect dat het op zou vallen als ik ’m ook zou gebruiken.)

Voorheen had ik zo’n dialoog nog veel vaker, maar dan met een stemmetje in mijn achterhoofd dat constant vroeg: hoe doen ‘echte’ Nederlanders dit? Wat doen ‘zij’ aan naar een etentje met collega’s? Zouden zij nu wel of juist niet iets zeggen? Geef ik bij een kringverjaardag iedereen een hand, een knuffel, drie zoenen of zeg ik gewoon ‘hallo allemaal’? En dus ook: hoe begin ik een mail? Ik was bang dat bij alles wat ik deed dat afweek een koppeling zou worden gemaakt met mijn afkomst. ‘Die Turk weet niet eens hoe het moet.’ Thuis was er niemand aan wie ik het kon vragen.

Inmiddels heb ik dat veel minder. Eerlijk gezegd ben ik er wel klaar mee om na te denken of ik wel Nederlands genoeg ben of me extra te bewijzen. Voor wie zou ik? Voor ene Robin die per mail reageerde op een commentaar waarin ik schreef dat Zwarte Piet nogal racistisch is en die daarom vond dat ik boven het Rif uit een vliegtuig gegooid moest worden? (Wat heb in Marokko te zoeken? Ik heb geen idee.) Of de oud-leidinggevende bij een progressieve krant die zei dat ik mijn nieuwe baan bij het weekblad alleen had omdat ik een Turk ben? Voor Geert Wilders, die het liefst heeft dat ik hier oprot?

Sorry, maar het interesseert me echt niet meer wat dat soort mensen van me vinden. Het boeit me gewoon niet. Niet interessant en een gepasseerd station. Dat ik nu zo’n tijd nadenk over de aanhef van deze brief is omdat ik goed wil zijn in wat ik doe en niet om erbij te horen. Dat doe ik namelijk al.

Waarom mijn generatie unapologetic is? Als ik voor mezelf spreek: ik ben hier geboren. Het ís mijn land, mijn toekomst en die van mijn kinderen ligt hier. Als ik iets ben, ben ik een Nederlander. Mag ik dan verdomme mede bepalen hoe we onze samenleving inrichten? Zo simpel is het eigenlijk.

En toegegeven, mijn generatie heeft het veel makkelijker dan jullie het hadden. Wij waren nooit de eersten en wij hadden jullie als rolmodellen. Daardoor was onze aanwezigheid ook voor onszelf vanzelfsprekender. Jullie hebben deuren voor ons geopend, Sheila, alleen al door er te zijn. Wat wij nu roepen, riep Edgar Cairo al in de jaren zeventig en tachtig, iemand als Anil Ramdas in de jaren negentig. Zij werden verguisd omdat ze kritiek hadden op het zelfbeeld van de witte Nederlander. Als ze ons nu willen aanpakken, gaan we om elkaar heen staan en steken gezamenlijk een middelvinger op. En we is in dit geval een hele generatie, van wit tot zwart en van christen tot moslim.

Het doet me eerlijk gezegd best veel dat ook jij, iemand die ik bewonder om hoe scherp en autonoom je denkt en schrijft, zo’n weg heeft moeten afleggen, moeite had om je plek op te eisen, je schouders ophaalde als iemand zei dat je goed Nederlands sprak (ik zal niks zeggen over het gebrek aan historisch besef bij degene die dat zei).

Misschien kun je het het best zien als domino: jullie hebben de steentjes neergezet, wij hebben ze slechts omgegooid.

Alle goeds, Rasit
PS: Toch nog even, het n-woord. Jij schrijft het voluit in een citaat, iets wat mijn generatie niet snel zou doen. Ik doe het zelf overigens ook niet, maar ik ben er ook niet voor om anderen op te leggen wat wel en niet te schrijven. Hoe denk jij daarover, moeten we woorden schrappen of van sterren voorzien?

Ha Rasit (dit is de meest Nederlandse aller aanheffen),

In de jaren negentig heb ik een tijdlang gewerkt bij een weekblad – Elsevier, jij kent dat vermoedelijk als een ietwat reactionair blad, maar het was in die jaren een nieuwsgierig, interessant blad met een imposante hoofdredacteur, HJ Schoo, van wie alles kon en mocht (zo was Pim Fortuyn er columnist! Daar komen we vast nog over te spreken).

Daar zag ik collega’s ‘Waarde X’ boven mails zetten. E-mail was een nieuw verschijnsel, er werd veel getobd over mailetiquette, en op een gedenkwaardige dag zag ik mezelf min of meer tot mijn eigen verbazing ‘Waarde X’ tikken boven een berichtje aan een collega. Eén keer deed ik dat per ongeluk ook naar een Surinaamse vriend; jaren daarna heeft hij me nog uitgelachen en bespot. Ik had een ongeschreven wet overtreden: ik had de codes van mijn ene wereld per ongeluk meegebracht naar mijn andere. Terwijl er nog zó was afgesproken dat bubbels zorgvuldig van elkaar gescheiden zouden blijven. Accent, muziek, kleding, gespreksonderwerpen, de aanhef van een e-mail: alles veranderde zodra je de trein pakte naar je andere wereld.

Code-switching leer je nooit af, een van de favoriete imitaties van mijn kinderen is:

  1. mama die in perfect-neutraal abn aan de telefoon praat met iemand van het werk;

  2. mama die, nadat ze heeft opgehangen, erachter is gekomen dat de kinderen hebben nagelaten om de was op te hangen en ze met de slipper bedreigt in een taal die in niets op het ik-ben-aan-het-werk-accent lijkt.

Via de kinderen die hier zijn geboren en getogen, via jullie, Rasit, zijn de bubbels lek geraakt en zijn de talen en accenten in elkaar overgevloeid. Ik vind weinig grappiger dan hoogblonde jongetjes uit Amstelveen die praten alsof ze hartje Bijlmer zijn opgegroeid, Kikkenstein, zesde verdieping.

Integratie werd in mijn herinnering altijd gepresenteerd als een eenrichtingsweg, als de eis tot assimilatie van de nieuwkomers. Word zoals wij, dan zullen we voor je applaudisseren en je kronen tot succesvol lid van de gemeenschap.

‘We are the Borg, you will be assimilated, resistance is futile.’ Ken je dat nog? Star Trek: Voyager. Keek je daarnaar? De Borg, de verzameling geassimileerde cyborgs. (En Seven of Nine natuurlijk! Zij ontworstelde zich aan de Borg, in die ontworsteling aan het collectief zat ongetwijfeld een diepe kapitalistische moraal verborgen.)

Terwijl: op het moment dat je nieuwe mensen in je opneemt, verander je, per definitie, in je kern, als samenleving. In wie en wat je bent als geheel, in hoe je ademhaalt, denkt, voelt, bent.

Bij elke assimilatie verandert de Borg, ongemerkt en tegelijk onmiskenbaar.

En ja, dan breekt er een dag aan waarop een hoogblond, met alle privileges omhangen jongetje uit Amstelveen in alle ernst ‘fa waka’ zegt en je niet-begrijpend aankijkt als je daar de slappe lach van krijgt. En ja, dan breekt ook de dag aan waarop de mensen niet ongestraft meer neger kunnen zeggen. Omdat de Borg verantwoordelijkheid draagt voor al zijn onderdelen. De Borg blijft mensen in zich opnemen, en zal dat blijven doen tot de laatste dag. Omdat dat zijn verantwoordelijkheid is.

Ik heb dat door weinigen zó pregnant horen uitleggen als door Anil Ramdas, op wie ik zeer gesteld was en die prachtig heeft geschreven over de onweerstaanbare kracht van wat toen nog onbekommerd het Westen heette.

Eens (in Zomergasten, dertig jaar geleden, gaat dat zien) heeft hij het zo perfect samengevat dat ik het als uitgeschreven citaat in een boekje bewaar: ‘Als je eenmaal besmet bent door het idee van het Westen, de vrijheid die je krijgt, de culturele waardigheid die je krijgt als individu, de rechten, de vrijheden, dan is dat onverwoestbaar. En zolang je daar geen greep op krijgt, is geen muur te hoog, men komt er toch overheen of onderdoor. En het Westen kan niet meer terug. Je kán niet zeggen: ik heb niks meer met de wereld te maken en de rechten en verworvenheden zijn voor ons. Het Westen kan niet anders dan doorgaan met de wereld verwesteren en deze mensen in zich opnemen. En het Westen ontkent deze betekenis. En daaruit ontstaat deze zogenaamde vreemdelingenproblematiek.’

Goed hè? Of denk jij: nou, er zijn wel meer groene grasvelden in de wereld.

Jaren later las ik bij Chimamanda Ngozi Adichie iets terug wat er sterk aan doet denken. In Americanah, haar prachtroman over de migrantenervaring, dineert een wit, Brits gezelschap in Londen met Nigeriaanse vrienden die een illegaal, marginaal bestaan in Londen prefereren boven een comfortabel geprivilegieerd bestaan in Lagos.

Obinze, een van de Nigerianen, denkt: ‘The other guests all understood the fleeing from war, from the kind of poverty that crushed human souls, but they would not understand the need to escape from the oppressive lethargy of choicelessness. They would not understand why people like him, who were raised well fed and watered but mired in dissatisfaction, conditioned from birth to look towards somewhere else, were resolved to do dangerous things, illegal things, so as to leave, none of them starving, or raped, or from burned villages, but merely hungry for choice and certainty.’

En daarom zal het altijd vol zijn in Ter Apel. Volkomen terecht.

Je vroeg of ik voor een verbod van woorden ben. In de jaren tachtig heb ik met afgrijzen toegekeken hoe het land van mijn vader ten prooi viel aan wat zo fraai ‘de revolutie’ werd genoemd en wat in de praktijk neerkwam op een cynische en haast nihilistische moordmachine voor eigen gewin. Daar zijn veel verboden uit voortgevloeid, zelfopgelegde en van bovenaf bepaalde. De woordcombinatie ‘Bouterse moordenaar’ is decennialang uit de geschiedenisboekjes op de scholen geweerd, om maar wat te noemen.

Dus nee, wie pleit voor het verbieden van woorden, uitdrukkingen, geschriften, boeken, gedachten is een verwend welvaartskind dat spilziek en achteloos omspringt met de verworvenheden hier waar elders mensen voor gestorven zijn.

Liever neem ik het pleidooi over van Anil, alwéér Anil, Ramdas. Alles is een kwestie van beschaving. Van beleefdheid. Als je dat als leidend principe neemt, zijn we er. Zwarte Piet is simpelweg een vorm van onbeleefdheid. Het woord neger (of het woord koelie, djoeka, Surinamers grossieren in scheldwoorden over elkaar). Je mag het gebruiken. Maar het hóeft niet.

Anil dacht dat dat onze redding zou zijn: als we maar allemaal beleefd en beschaafd met elkaar om zouden gaan, zou alles goed komen. Het kwam niet goed.

Of vind jij dat het goed is gekomen, Rasit?

Met grote groet, Sheila

Waarde Sheila,
Mag ik je bedanken voor deze mooie en grappige brief en de flashbacks naar m’n eigen jeugd en moeder die ons ook met een slipper in de hand passief-agressief richting huishoudelijke taken dirigeerde?

En meteen een bekentenis. M’n vrienden en ik deden onze ouders ook heel vaak na. Dit is hoe ik het me herinner. We staan op een zaterdagavond op een pleintje, net voor we uitgaan. We drinken rum met cola uit petflessen en het is vriend 1 die begint met een perfecte imitatie van zijn vader bij onze voetbalwedstrijd eerder die dag. De scheidsrechter neemt een verkeerde beslissing, iemand wordt onterecht afgefloten voor buitenspel en hij zegt: ‘Hey, jij bent flauwtketel (fluitketel) of zo?’ Vriend 2 begint over zijn vader die eens ziek was en aan de telefoon tegen de doktersassistent zei: ‘Ik ben ook waterpoep.’ Weer een ander begint over de moeder die naald en draad moest kopen en naar een medewerker in de winkel ging (met vriend 3 aan haar hand die zei: ‘Ik ga niks vragen’) en met de duim en wijsvinger van haar linkerhand een rondje maakte en met de wijsvinger van haar rechterhand in het rondje bleef poeren. O, wat hadden we een lol om die gekke ouders van ons en wat konden we hun hilarische accenten goed nadoen.

Wat we deden was niet alleen onze vaders en moeders voor lul zetten zoals pubers misschien wel horen te doen, maar we lieten ook impliciet zien dat wij wel wisten hoe het hier hoorde, dat wij anders waren dan zij, verder. James Baldwin benoemde dat sentiment eens treffend: ‘You know, it’s not the world that was my oppressor, because what the world does to you, if the world does it to you long enough and effectively enough, you begin to do to yourself.’

We zitten in de auto, mijn vriendin en ik, en mijn telefoon gaat. Het is een collega, we hebben het over dingen waar journalisten over praten, er zal vast ergens ophef over zijn geweest, de stand van de wereld, en ondertussen draai ik de muziek (hiphop) steeds iets zachter. Zij is snel misselijk in de auto en zit daarom achter het stuur. Als ik na een paar minuten heb opgehangen, zegt ze: ‘Praat je altijd zo met je collega’s?’ Ik weet precies wat ze bedoelt, maar ik zeg: ‘Hoe bedoel je?’ Ze zegt dat ik heel nadenkend praat, veel langzamer en netter en ik voel me betrapt. Het is de bedoeling dat ik dit voor mezelf houd. Dat alleen ik weet dat ik bij mijn vrienden veel platter ben, straattaal en scheldwoorden gebruik. Ze voegt eraan toe: ‘Doe nou niet alsof dit een verrassing is.’

Ken je de film Sorry to Bother You? Het gaat over een zwarte man die gaat werken als telemarketeer en maar weinig succes heeft. Tot een collega (die ook zwart is) tegen hem zegt: ‘Use your white voice.’ Dat is precies wat wij ook doen, onze white voice gebruiken. En hoewel ik me er dus voor geneer, vraag ik me ook af: is het erg om je manier van praten af en toe aan te passen?

Mijn vrienden maken overigens ook grappen. ‘Abi, leer mij ook wat moeilijke woorden.’ Of ze laten hun kin op hun hand rusten als ik aan een verhaal begin dat zij interessantdoenerij vinden en zeggen met een dik aangezet kak-accent, kennelijk associëren ze dat met elkaar: ‘Goh, interessante verhandeling.’

Sorry Sheila, ik moet bekennen dat ik nog nooit iets van Star Trek heb gezien. Ik ben niet echt van de sci-fi, al vind ik dat nu voor het eerst jammer, want de metafoor is treffend en ik zeg hierbij toe dat ik het alsnog ga kijken. Je bent als samenleving nou eenmaal verantwoordelijk voor iedereen, en ook, ik zou willen zeggen: misschien wel juist, voor de nieuwkomers. Het klinkt wat belegen, maar we moeten het samen doen. Eigenlijk heb ik aan de woorden van Anil weinig toe te voegen, en ik snap hoe hij na die uitzending van Zomergasten meteen een ster was in Nederland.

Ik zou wel willen reageren op het eerste deel van zijn citaat. Over besmet raken door het Westen. Dat is iets wat ik herken van mijn eigen vader, die in Turkije is geboren en getogen en op 26-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Want hoewel hij nog steeds slecht Nederlands spreekt, staat hij met alles wat hij heeft voor de westerse waarden. Hij verdedigt ze openlijk, kan het dan ook niet uitstaan dat het Westen zo laks reageert op de situatie in Iran. Dat heeft natuurlijk alles te maken met zijn eigen jeugd. Hij is niet alleen opgegroeid als onderdeel van een samenleving die weet dat het centrum van de wereld elders is, die daardoor altijd met begerige ogen naar het Westen keek, hij heeft vrijheden moeten bevechten, nogal letterlijk, en heeft ervaren wat het is als het individu zijn of haar ontplooiing niet in eigen hand heeft. Ik heb, en met mij mijn generatie, wat dat betreft inderdaad een luizenleven. Opgegroeid in het ‘hart van de beschaving’ én niks hoeven bevechten. Wij hebben de luxe dat we ons kunnen afvragen of woorden wel of niet kunnen, wij verhouden ons alleen theoretisch tot ingeperkte vrijheden.

Over dat sentiment, niet het centrum van de wereld zijn, schreef Orhan Pamuk vlak na 9/11 een essay en ik ben zijn woorden nooit vergeten. ‘Het is noch de islam, zelfs niet de armoede zelf die rechtstreeks steun verleent aan terroristen wier wreedheid en vindingrijkheid ongekend zijn in de menselijke geschiedenis; het is eerder de verpletterende vernedering die de derdewereldlanden heeft besmet.’ Pamuk schrijft dat ze met eigen ogen zien hoeveel slechter zij het zelf hebben ten opzichte van de mensen in het Westen. En dan weten ze ook nog dat hun armoede ‘in aanzienlijke mate de schuld is van hun eigen dwaasheid of tekortkomingen, of van die van hun vaders of grootvaders’. Ga er maar aan staan.

Je vraagt of het is goed gekomen. Ik moet meteen denken aan mijn eigen kinderen. Nederlanders, maar met Turkse en Surinaamse roots, net zoals hun vrienden en klasgenoten ook opa’s en oma’s hebben uit alle hoeken van de wereld. Het is totaal geen issue voor hen. Zij zorgen voor optimisme. Je begon even over Fortuyn (is er iets wat je over hem wil zeggen?). Als we kijken wat er sinds zijn opkomst/revolte is uitgekomen van de doemprofetie waar we sindsdien mee zijn doodgegooid, moet ik toch ook concluderen dat het allemaal wel is meegevallen. Geen burgeroorlog, geen totale segregatie, om onze NRC-collega Lotfi El Hamidi te parafraseren. De multiculturele samenleving is niet gelukt of mislukt, die ís gewoon.

Hartelijke groet, Rasit

Dankjewel, goede beste waarde lieve Rasit (ik ben door mijn aanheffen heen, van een vriend heb ik ooit geleerd dat de meest vertrouwelijke aanhef gewoon is: Rasit),

Dank voor je hartverwarmende brief. Goed dat je eraan herinnert dat de voorspelde burgeroorlog niet is aangebroken. Mijn generatie is nogal getekend door een matige tekst die ene Paul Scheffer een jaar of twintig geleden schreef; hij voorzag een multicultureel drama. Ik weet niet of jullie daar erg mee bezig waren?

Ik ergerde me te pletter. Het was ongeïnformeerd, ongefundeerd alarmistisch en doordrenkt met hogeschoolangst voor vreemde invloeden op de superieure cultuur. Maar in dit land kun je ook op ongefundeerde onzin een veelgeciteerd intellectueel worden als je de allochtonenangst maar chic genoeg formuleert. Het heeft de sfeer, het beleid en de manier waarop vrijelijk over ons gesproken kon worden voor jaren vergiftigd.

Onlangs las ik, bij twee sociologen die een studie hebben gedaan naar het fenomeen ‘de gewone man’, dat het onmiskenbaar is als je lange lijnen door de geschiedenis trekt en naar de cijfers kijkt: wij die uit alle windstreken hierheen zijn gekomen, gaan allemaal redelijk naadloos op in de mainstream. Sociologen vinden dat een maatstaf voor integratie.

Nu geloof ik niet dat ‘opgaan in de mainstream’ mijn persoonlijke hoogste doel is. Ik wens het ook niet voor mijn kinderen. Er is genoeg hier waar ik voor geen goud naartoe zou willen convergeren: de goedbedoelende lompheid, de gewoonte om overal met die heel grote voeten doorheen te banjeren zonder de schoenen uit te doen – wat ís dat toch met Nederlanders die hun schoenen aanhouden in huis? – en dan met iets te luide stem misplaatste opmerkingen te maken, als een grote vriendelijke reus die de huisregels niet heeft gelezen, omdat hij denkt dat hij die niet nodig heeft.

Tot je erachter komt dat je inderdaad bent geconvergeerd naar die mainstream. Als je terug bent in Suriname bijvoorbeeld, en merkt dat je sneller loopt en luider praat dan de mensen daar. Dat het lijkt of er een grote pijl boven je hoofd hangt met ‘uit Holland’ erop. Dat mensen tegen je zeggen dat je van verre al ‘naar valuta’ ruikt, naar harde euro’s. En dat je álles beter denkt te weten – en dat laat merken ook.

Fuck. Toch gemainstreamd.

Val jij op als je in Turkije loopt?

Die mainstreaming zag je twintig, wat zeg ik: dértig jaar geleden al in de cijfers, maar in dit land kun je óók een veelgeciteerd intellectueel worden als je niet kunt rekenen. Dus werd Scheffers onzin gedronken als nectar.

De sociologen die nu dat boek over de gewone man hebben geschreven, zagen Scheffer daarom bij de enkels af. Twintig jaar te laat. En ja, wij over wie het ging, deden dat twintig jaar geleden al, tamelijk gefundeerd, we stonden met staatjes te zwaaien. Maar waarom zou je het vragen aan de mensen over wie het gaat? En dit zijn mannen, die ook nog eens Duyvendak en Hurenkamp heten, dus nu is het waar.

Wil ik nog iets zeggen over Fortuyn, vraag je? Nou nee. Het is wel klaar. Want ja, Rasit, je hebt groot gelijk: de kinderen maken alles goed. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de ruimte vullen is waanzinnig.

Voor de zekerheid heb ik het gecheckt bij mijn jongste dochter, ze heet Zadie en ze is dertien en ik vroeg haar: ‘Voelt Nederland als jouw land?’

Zadie: ‘Eh, duh, ja hoezo?’

Ik: ‘En Suriname? Of Curaçao? Daar zijn we vaak geweest bij opa en oma.’

Zadie: ‘Niet echt. Of echt niet. I don’t know’ (ze praten de hele tijd Engels, doen die van jou dat ook?). ‘Ik vind pindasoep wel lekker.’

Ik: ‘Wat betekent Nederland dan voor jou?’

Zadie: ‘I love Nederland. Ik zou echt niet willen verhuizen. Gewoon, omdat het geen Amerika is, daar zijn ze gek. En geen Brazilië, daar zijn ze ook gek. Of Rusland of zo. En het is hier rijk, dat is wel chill.’

Ik: ‘Dat zijn negatieve redenen om van Nederland te houden. Weet je geen positieve?’

Zadie: ‘De wegen zijn goed.’

Ik: ‘De wegen?’

Zadie: ‘Dat is belangrijk als je overal naartoe moet fietsen.’

Ik: ‘Voel je je anders dan blonde klasgenoten uit Schipluiden of Naaldwijk?’

Zadie: ‘Alleen als ik jullie bel en papa of jij de telefoon opneemt met “Ey pssst, skaatje, fawaka?” Dat is echt raar. En andere kinderen zijn niet altijd opgevoed.’

Ik: ‘Wat is opgevoed?’

Zadie: ‘Dat je respect moet hebben voor oude mensen en zo.’

Ik: ‘Ben jij wel opgevoed dan?’

Zadie: ‘Soort van.’

Ik: ‘Wat is een Nederlander?’

Zadie: ‘Duh, iemand die in Nederland woont.’

Ik: ‘Ben je weleens raar behandeld?’

Zadie: ‘Die ene keer, je weet toch nog, toen ik vijf was en niet op de schommel mocht van een jongen die zei dat ik bruin ben.’

Ik: ‘Vond je dat erg?’

Zadie: ‘Het boeide me eigenlijk niet zo.’

Ik: ‘En wat vind je van Zwarte Piet?’

Zadie: ‘Idioot. Het is ook idioot dat witte mensen een mening hebben over racisme terwijl ze niet tot die groep behoren. Ik ga toch ook niet zeggen dat het geen pijn doet als je in je ballen wordt getrapt, hoe kan ik dat nou weten? Mag ik nu door met mijn huiswerk?’

Ik: ‘Je mag door met je huiswerk. O wacht, ik heb nog één vraag: wat vind je van mensen die stemmen op Geert Wilders of Thierry Baudet, en die min of meer vinden dat wij hier eigenlijk niet direct thuishoren?’

Zadie: ‘Meestal praten ze zich vast als je ze vragen stelt, ze zijn gewoon dom.’

Later kwam Zora (16) thuis, vastgelijmd aan haar telefoon zoals gewoonlijk (niet letterlijk vastgelijmd als een activist maar figuurlijk) en met de slappe lach: ‘Mama, mama, weet je waar mensen nu weer boos over zijn? Weet je Teletubbies? Nu zijn mensen boos omdat ze van de zon die opkomt een Asian hebben gemaakt, en de baby is zwart. I mean, WHY are you mad??’ Weer slappe lach.

Van Zadie moet ik het over andere dingen hebben. Over geen dieren eten, en over Earth Day, en over de zeespiegelstijging. Samen kijken we naar toespraken van Mia Amor Mottley, de premier van Barbados die retorisch zo begaafd is en die zo’n sensationele toespraak gaf op de klimaattop van Dublin, waar ze als vertegenwoordiger van de kleine eilandstaten die in de frontlinie van de klimaatverandering liggen in één klap duidelijk maakte waarom de bovenliggende partij altijd een verantwoordelijkheid heeft naar de onderliggende partij, in dit geval over het klimaat.

Tot zover de jongste generatie. Ze zitten, om in hun taal te blijven, on top of the world. En hun enige verantwoordelijkheid is om te zijn wie ze zijn.

Je hebt gelijk Rasit, het is.

Sheila

Yo Sheila (dit stuur ik vaak naar vrienden),

Het essay van de man die ook niet kan rekenen las ik een jaar of drie geleden voor het eerst bewust en ik dacht: hoe hebben we ons hier zo in laten lullen? Je wordt geacht om te zeggen dat er inderdaad problemen zijn en blablabla, maar even serieus, dat de-allochtoontjes-doen-alles-fout-en-wij-lekker-niks-toontje. Ik wilde er eigenlijk uit citeren, om te laten zien wat een hoop onzin erin staat, hij denkt het zelfs scherper te zien dan Ramdas deed, maar ik denk dat je met ‘ongefundeerd alarmistisch’ en ‘allochtonenangst’ de lading helemaal dekt. (Het lukt me om geen grap te maken over Samad en Archie’s kneuzenbataljon uit Zadie Smith’s Witte tanden, een van mijn favoriete boeken.)

Het enige wat ik hier nog over wil zeggen, is dat er in Nederland duidelijk sprake is van wat een vriend van me de integratieparadox noemt. Hoe beter je integreert, excuus voor dit jarennegentigwoord, des te kritischer je wordt en hoe minder ‘ze’ je moeten. Dat lijkt me ook de reden dat de tweede en derde generatie Nederlanders met migratieachtergrond minder tevreden zijn over hun bejegening in Nederland.

En dan nu over de echt belangrijke zaken, zoals de prachtige namen van je kinderen. Dit weet niemand, maar wil ik jou wel vertellen, Sheila. Toen mijn vriendin zwanger was van onze jongste dochter hadden we een denkbeeldig lijstje met zo’n vijf namen om uit te kiezen en daar stonden Zadie en Zora allebei op. Het is Zola geworden en Zola is nu net twee. Als ze bij mijn schoonouders is, speelt ze graag met Opa Gudu, die overigens ook heerlijke pindasoep maakt, en bij mijn ouders vraagt ze om su, het Turkse woord voor water. En daarmee is ze natuurlijk in alles een Nederlands product.

Ik hoop dat Zola en haar zus Novi, die bijna zes is, net als Zadie en Zora met hun ogen beginnen te rollen en duh zeggen als het over migratie, integratie en meer van dat soort boomer-onderwerpen gaat. Ik vind het echt geruststellend dat de generaties na mij zich vooral druk maken over het klimaat, wel of geen vlees eten en of het verstandig is om elk jaar naar Bali of New York te vliegen en niet of ze wel Nederlands genoeg zijn. Novi denkt overigens dat ze Nederlands, Surinaams, Turks én Engels is, omdat ze in al die talen wat woorden kent.

Wij slaan ook niet door in dat Nederlanderschap; bij ons thuis hoeven geen vriendjes en vriendinnetjes weg om 17.30 uur en kan iedereen altijd blijven eten, mits ze inderdaad hun schoenen uitdoen. Als een kind jengelt in een winkel omdat het iets wil hebben maar niet mag, gaan we niet in discussie. Sowieso gaan we niet in discussie met kinderen. Wie na twee waarschuwingen nog steeds niet luistert, krijgt een bari. Wil jij misschien uitleggen wat dat is?

Mijn dochters zijn nog te jong, maar ik heb een stiefzoon van dertien die op dat soort momenten graag zegt: ‘Surinaamse moeders be like.’ Afgelopen zomer waren we in Turkije en m’n tante wilde m’n stiefzoon een compliment geven. Zoals dat gaat op die leeftijd lag hij de hele dag in het water en hij was flink gebruind. M’n tante, die een paar jaar in Nederland heeft gewoond maar veertig jaar geleden terug is gegaan naar Turkije, zei heel vrolijk tegen hem: ‘Je lijkt nu op Zwarte Piet.’ Hij was woest en zij begreep niet waarom.

Je vroeg of ik opval in Turkije? Het antwoord is JA! Vroeger maakte het me onzeker, versterkte het een gevoel van ontheemding omdat ik er daar ook niet helemaal bij hoorde, maar afgelopen zomer was ik er voor het eerst in tien jaar weer en ik kan nu zeggen dat het me veel minder kan schelen. Ik ben daar ook ‘de ander’ en dat is prima. Behalve als ze me weer proberen op te lichten, omdat ze denken dat ik met m’n euro’s diepe zakken heb.

Wat me overigens opviel, en waar ik een nogal ongemakkelijk gevoel bij kreeg, is hoe er gestaard werd naar mijn vriendin. Die heeft een enorme bos afrohaar. Ze gingen nog net niet aan haar huid voelen, maar ze was een bezienswaardigheid. Vooral kinderen vergaapten zich met open mond aan haar, volwassenen keken snel weg als onze ogen kruisten. Het ging daar ook veel over vluchtelingen die de boel zouden ontwrichten en dat ging nog veel feller dan bij ons. Je kunt je daar vast een voorstelling van maken. Ik dacht vooral: wat ben ik blij dat Nederland mijn thuis is, ondanks alle tekortkomingen die ik natuurlijk ook wel zie. Omdat ik hier makkelijker kan zeggen dat ze de pot op kunnen als ik ze niet beval vanwege het land van mijn ouders, omdat er hier niet meer gestaard wordt naar mensen die er anders uitzien. Toen we weer thuis waren, en ik hierover begon tegen mijn vriendin, wees ze mij erop dat ik aanvankelijk had gezegd dat die mensen in Turkije zo naar haar hadden gestaard omdat ze zo buitengewoon knap is. En ja, ik schaam me daar nu voor.

Er is een bekende uitspraak van Zora Neale Hurston, de schrijfster die jou niet onbekend zal zijn: ‘If you are silent about your pain, they’ll kill you and say you enjoyed it.’ Daar probeer ik naar te luisteren.

Soms vraag ik me wel af of ik niet te optimistisch ben, Sheila. Of nog erger: naïef. We kunnen toch niet denken: die kinderen van ons lossen het wel op? Is Nederland zich ervan bewust dat je niet alleen kunt vragen?

Ik zie uit naar je antwoord.

Veel groeten, Rasit

Hey Rasit (zo neem ik meestal de telefoon op als ik denk: o leuk, het is Rasit!),

Een mens kan nooit te optimistisch zijn. Het is een eigenschap die ik graag met waakzaamheid combineer (die twee gaan heel goed samen), want als je even niet oplet, staat er weer ergens iemand met een omgekeerde vlag te zwaaien, krijgen de uitbaters van de nieuwste rancuneleer vrij baan op televisie, en staan politici van wie je had verwacht dat ze het fatsoen en de beschaving zouden beschermen opzichtig te hengelen naar stemmen van ‘bezorgde burgers’.

Wat mij optimistisch stemt, is dat al dat laffe heulen met viezige partijen als een boemerang is teruggekomen. Vroeger stonden alleen de mensen die direct last hadden van platvloers racisme en van de onverschilligheid van omstanders te zwaaien met waarschuwingsborden. Als kanaries in de kolenmijn, alleen sloeg niemand acht op ze.

Nu merken ook zogenaamd nette mensen die zelf nooit ergens last van hadden dat de hele samenleving ontwricht raakt en de democratische rechtsstaat in het geding komt als je maar blíjft volhouden dat elk onbeschaafd geluid eerbiedig aangehoord moet worden. Nu hebben ze spijt, dat ze Ongehoord Nederland hebben toegelaten tot de publieke omroep, dat ze Baudet consequent als een normaal lid van het parlement hebben behandeld, dat ze terreurboeren hebben behandeld als doodnormale onderhandelingspartners, dat ze netjes rechtop pootjes hebben zitten geven aan elke langs wandelende antidemocraat en cryptofascist, dat ze geen rode lijnen hebben getrokken. Dat ze ze niet op tijd een goede bari hebben gegeven.

Het klinkt paradoxaal, maar ik word optimistisch van die schrik.

De grote schoonmaak kan beginnen.

Je vraagt of Nederland kan volstaan met alleen maar vragen?

Wij zijn Nederland. En wat we volgens mij moeten doen is de aanvallen op de beschaving niet accepteren. Nee zeggen tegen de platvloersheid en de antidemocraten. Niet meebuigen, niet glimlachen, gewoon af en toe een goede bari geven.

Zo ruimen we obstakels op voor onze kinderen.

Die krijgen het namelijk druk genoeg met de wereld redden.

Ik groet je met een brasa, Sheila

Dit is een iets ingekorte versie van de Jan Terlouw Lezing die op 8 december is uitgesproken in de Deventer Schouwburg