Lekker fris

Alles ruikt. Maar niet meer naar zichzelf. En wij lopen onze neus achterna.

WE DENKEN er nauwelijks over na, maar ondertussen is geurtechnologie wel het nieuwe ding. Het is een wereld die hevig in verwarring en daarom even hevig aan het veranderen is.

De nieuwe middenklasse van de opkomende economieën wil zichzelf en haar huizen parfumeren en dan gaat het ineens om heel andere voorkeuren en gewoontes dan de onze. In Brazilië douchen ze meermalen per dag en na elke douchebeurt wordt er gesprayd met niet-Europese geuren. Wij houden van koffie-, chocolade- en groene geurtonen, de Brazilianen van kokos, fruit en bloemen. In de Arabische wereld daarentegen is een zware geur geliefd. Het is allemaal klimaat, cultuur en geschiedenis. Tot niet zo lang geleden werden de eigenaardigheden van ‘de regio’s’ overgelaten aan goedkope plaatselijke mixers. Die tijd is voorbij. De grote huizen beginnen regio-specifieke parfums te produceren en verwachten dat wij ons ook voor dat olfactorische universum gaan interesseren.
Ondertussen ben ikzelf ook flink in verwarring. Het is herfst en ik denk aan open haard (die wij niet hebben), imponerende rode wijn (maar er moet ’s avonds gewerkt worden) en van vet glanzend wildgebraad (lastig voor een vegetariër). Dan maar badolie.
Daar sta ik in de winkel voor een rek vol zouten, oliën, schuimen, geurballen, serumcapsules en zelfs badthee. Het is een orgie van wilde roos/patchouli, lavendel/munt, Indiase roos/Himalayahoning en amandel/yoyoba. Waar zijn toch de literflessen dennenbadschuim gebleven waarmee Nederland in de jaren zeventig het huishoudelijke van het wassen achter zich liet en kennismaakte met, nou ja, de badbeleving?
Waarschijnlijk vind je enkelvoudige geuren alleen nog in macrobiotische supermarkten waar van die enge Duitse Natur-producten te koop zijn die ooit werden ontwikkeld om het blanke velletje van Eva Braun zacht te houden.
Het zal wel met de ingewikkeldheid van de wereld te maken hebben dat moderne geuren zo complex zijn. Ik stap elke ochtend uit de badkamer en ruik dan zoals het vroeger rook als mijn vader klaar was met het ochtendtoilet: Chanel pour Monsieur. Waarom ik al veertig jaar lang naar mijn vader wil ruiken is waarschijnlijk een vraag voor de psychiater. Maar de bedrieglijke simpelheid van die geur en de associaties die daarbij horen - zeep, scheren, schoongedoucht en klaar om de dag te beginnen - zijn tot mijn identiteit gaan behoren.
Dan moet ik onder de douche niet met mijn bijziende hoofd de verkeerde fles pakken, want dan ruik ik ineens naar een nagerecht.
'Waarom’, grom ik naar mijn vrouw, 'zou een mens in ’s hemelsnaam naar yoghurt en basilicum willen ruiken?’
'Dat is gewoon lekker fris’, zegt zij.
'Weet je wat lekker fris is?’ brul ik. Maar dat hoort ze niet meer, want zij weet zo langzamerhand ook wel wat er komen gaat als ik zo begin te roepen en heeft de badkamer al verlaten. Waarna mij niets rest dan de douche weer aan te zetten om mij te ontdoen van een geur die me de hele dag zal doen ruiken naar een toetje.
Yoghurt en basilicum…
Het was een onheilspellende voorzienigheid die Monty Python de aftershave-sketch deed schrijven.
Man: You haven’t got anything a little more halibutish?
Chemist: Er… parrot? Or skate with just a hint of prawn? Or crab, tiger and almonds, very unusual.
Mijn zoon maakt deel uit van de doelgroep die Axe voor ogen staat en op zijn verdieping ruikt alles, zelfs de meubelen, naar de diepe dierlijke bronst die ongetwijfeld bij zijn leeftijd hoort, maar waarvan ik vind dat je er nog niet mee te koop hoeft te lopen. Crab, tiger and almonds, indeed.
Alles ruikt. Ook wat geen geur heeft. Die dingen zijn in de fabriek van een 'geurloze’ geur voorzien. Gisteren zag ik een man in pak met een heel grote flacon een autoshowroom sprayen. Op de fles stond Aston Martin, het merk dat in die zaak werd verkocht. Er is dus zoiets als 'Aston Martin In De Showroom-geur’.
De was ruikt, het schoonmaakmiddel, de supermarkt en het kantoor en wie zijn huis wil verkopen steekt de open haard aan of bakt een appeltaart. Hoewel dat laatste nauwelijks nog nodig is. In de winkel staat het luchtverfrisserschap vol met 'clean linen’, 'relaxing zen’ en 'apple and cinnamon’. Daar ga je niet meer voor bakken.
Je kunt je nog voorstellen dat een huis naar potpourri (yuck), appeltaart of schoon linnen ruikt, maar wat moeten we met een toiletblok dat een zweem van grapefruit achterlaat? Het is bijna een filosofische vraag waarom we ons toiletbezoek met fruit willen maskeren. Dennengeur begrijp ik, Ocean Breeze ook nog, maar een plee die naar aardbeien of Nevada Desert Flower ruikt? Wat zegt dat?
Ik denk dat we het doen omdat het kan. Sinds de aromachologie (ja, echt) gebruik maakt van de headspace-technologie kan bijna elke geur chemisch worden ontleed en gereproduceerd. Die techniek plaatst een object met een bepaalde geur in een ruimte die vacuüm wordt getrokken. De geur wordt dan uit bloem, damestas of tuinaarde gezogen, door een gaschromatograaf geleid en tot op de molecuul gedeconstrueerd. Daarna kunnen de meeste geuren chemisch weer in elkaar worden gezet. De madeleine-kruimels die Marcel Proust lang geleden in een lepeltje thee weekte, wat leidde tot zijn mnemonische speurtocht naar de verloren tijd, kunnen morgen in een verstuiver in de winkel liggen.