Lekker griezelen

Het gegeven is niet nieuw binnen de jeugdliteratuur: eenzaam jongetje - hier Michael geheten en ongeveer elf jaar oud - verhuist tegen zijn zin naar een bouwvallig huis ergens buiten. Zijn ouders zijn lyrisch over de natuur, de ruimte en de mogelijkheden tot renovatie, maar die opwinding is van korte duur. De ophanden zijnde baby wordt veel te vroeg geboren en blijkt ook nog een hartkwaal te hebben. In een totaal onbekende omgeving wordt Michael min of meer aan zijn lot overgelaten, terwijl vader en moeder op de achtergrond vechten voor het leven van het nieuwe zusje.

In een wegens instortingsgevaar streng verboden garage stuit de jongen op een griezelige figuur, die het meeste heeft van een zieke, ernstig verwaarloosde zwerver, maar mogelijk ook de kenmerken van een uil of een engel vertoont. Met deze raadselachtige Skellig vult Michael zijn dagen en gedachten. Waar hij bij zijn nauwelijks levensvatbare zusje machteloos staat, kan hij hier zorg geven. Skellig appelleert aan Michaels ontluikende wetenschappelijke interesse: is de mens het eindpunt in de evolu tie of zouden wij nog door kunnen groeien, in de richting van de engelen bijvoorbeeld? Bovendien kent hij het magische wezen de macht toe het leven te normaliseren. Hij maakt hem tot zijn tijdelijke beschermengel. Skellig staat voor de vrijheid die hoort in het rijk van de verbeeldingskracht en de fantasie. Zo neemt ook het motief van vogels en vliegkunst een belangrijke plaats in. Daarbij past het eigenzinnige buurmeisje dat zich van niemand iets aantrekt en zelfs de school aan haar laars lapt. Ze krijgt thuis les van haar moeder en is met haar onbevangen instelling en onverstoorbare nieuwsgierigheid voor Michael precies het goede maatje om al het verwarrende wat hem overkomt nader te onderzoeken. De tegenpool in het verhaal wordt gevormd door dood, rotting en verval. Over de dokter die bij de bedreigende realiteit van het ziekenhuis hoort, denkt Michael: ‘Op zijn rug zouden nooit vleugels opengaan.’ Knap worden voorzichtige verbindingslijntjes uitgezet tussen vogelskeletten, de schouderbladen als aanhechtingsplaats voor ontbrekende vleugels en de breekbare botjes van de couveusebaby. Precies is de beschrijving van dode vogels, braakballen en bromvlieglijkjes, van klevende spinne webben en alle vergane materie in de oude schuur. Met de sloop van dat gammele gebouwtje, het verdwijnen van Skellig en het inzettend herstel van het zusje wordt er afscheid genomen van het oude en ruimte gemaakt voor een nieuwe start. Het knappe van debuterend kinderboekenschrijver Almond is dat hij de grote schare griezelboekenfans het volle pond geeft. Hij is een efficiënt, maar vooral suggestief verteller en de Skellig-figuur, van wie het realiteitsgehalte in het midden wordt gelaten, is mysterieus en doodeng. Maar van de clichématigheid en het effectbejag die het genre aankleven wil hij duidelijk niets weten. Hij tekent een geloofwaardig portret van een kind dat alle zeilen moet bijzetten om in een moeilijke periode overeind te blijven. Ook daarin is hij weinig expliciet. In korte hoofdstukken worden allerlei aspecten van de situatie even belicht, waarna die beeldflarden in het hoofd van de lezer een soort verhaal gaan vormen. En in de meeste hoofden zal dat een meeslepend, intrigerend en ontroerend verhaal zijn.