Lekker roepen in de woestijn

Enkele weken voor hij, op 21 september 1972, een eind aan zijn leven maakte noteerde Henri de Montherlant in zijn dagboek: ‘Sint Franciscus van Assisi sprak tegen de vogels. Ik schrijf voor de gorilla’s.’ Het is onder auteurs een veel gehoorde klacht dat het publiek er niets van begrijpt. Alle subtiliteit en stilistische brille zijn paarlen voor de zwijnen. Er zijn daarentegen ook auteurs, vermoedelijk de meerderheid, die door dergelijk rancuneus gemopper bewondering trachten af te dwingen zonder zich af te vragen of er soms iets schort aan de wijze waarop ze hun boodschap aan de man brengen.

Tot de laatste categorie behoort de wis- en natuurkundige C.W. Rietdijk. Reeds een decennium of vier predikt deze fervente aanhanger van De Verlichting het evangelie van de consequent doorgevoerde verwetenschappelijking van onze samenleving. De vooruitgang die het wetenschappelijk denken heeft geboekt op het terrein van de natuurkunde, de chemie, de biologie, de geneeskunde et cetera, is ook mogelijk op de terreinen van het politieke en maatschappelijke bestel, de voortplanting, de intermenselijke relaties, de kunst enzovoort. De ‘maakbaarheid van de samenleving’ wordt door dr. C.W. Rietdijk niet in twijfel getrokken.
Toch kunnen we hem niet typeren als een relict uit de jaren zeventig, een vergrijsde neomarxist. In die jaren publiceerde hij immers zijn tweedelige De contra-revolutie tegen de rede, waarin hij ten strijde trok tegen het anti-intellectualistische, grauwe, conformistische en schijntolerante linksisme dat toen domineerde. Dat hoogst opmerkelijke werk bezorgde hem de haat van allerhande 'progressieven’ en deed Hugo Brandt Corstius naar een van de meest platvloerse trucjes grijpen: hij verwisselde steevast Rietdijks voorletters.
Met uitspraken als 'Het sociale is meestal een surrogaat voor het intieme’ en zijn stelling dat het Kwaad een even objectief gegeven was als het lijden dat er het gevolg van was, streek hij ruw in tegen de haren van de tijdgeest. En op grond van zijn opmerking dat mensen die moeite hebben met een zin met vijf komma’s niet te veel invloed mogen hebben omdat ze een gemakkelijke prooi voor demagogen zijn, kon Rietdijk veilig worden opgeborgen in het kamp der 'antidemocraten’.
De meeste agressie riep hij evenwel op door zijn pleidooi voor genetische manipulatie, een beladen thema dat hij soms op geestige wijze aan de orde stelde: 'Misschien wel het grootste gebrek van de natuur is dat onaardige mensen niet vanzelf doodvallen. Het corrigeren van dat gebrek zal dan ook een van de grootste triomfen van de wetenschap zijn. Hoewel, voorkomen is beter dan genezen.’
In 1994 vatte hij zijn visie samen in magnum opus The Scientifization of Culture. Ook dit boek werd nagenoeg doodgezwegen. Maar de tijdgeest van de jaren zeventig is toch niet meer, de linkse obscurantisten hebben toch het veld moeten ruimen? Volgens Rietdijk is de cultuuromslag van de jaren tachtig en negentig maar schijn. De 'postmodernen’ van vandaag geloven net als de progressieven van twintig jaar geleden dat Goed en Kwaad subjectieve begrippen zijn en dat de Waarheid betrekkelijk is. Bovendien, veel postmoderne intellectuelen van nu waren toen vooraanstaande leden der linkse parochie. De oorzaak hiervan is volgens Rietdijk een samenzwering van intellectueel inferieure incrowds, van een vooral uit alfa’s en gamma’s bestaande 'relatiocratie’ die de bal in de eigen pleog houden om de veel slimmere bèta’s maar niet aan het woord te laten komen.
Om de stilte rond zijn Engelstalige meesterwerk enigszins op te heffen, heeft Rietdijk nu een merkwaardig boek in zijn moerstaal gepubliceerd. Wetenschap als bevrijding bestaat namelijk, naast twee stukken van hemzelf, uit een aantal interviews, hem afgenomen door enkele bewonderaars, onder wie S.W. Couwenberg en H.E.S. Woldring.
Evenals in De contra-revolutie tegen de rede stelt Rietdijk anno 1997 een aantal ongemakkelijke waarheden aan de orde. Veel zinnigs heeft hij te melden over het oerwoud van subsidies waarmee, bijvoorbeeld in de landbouw, noodzakelijke vernieuwing wordt tegengehouden; over het mechanisme waarmee de 'kansarmenlobby’ zichzelf in stand houdt; over de zinledigheid van veel moderne kunst; over de volstrekt redeloze wijze waarop doorgaans wordt gereageerd als het gaat om genetische manipulatie; en over de relatie tussen afwijkend gedrag en genen. Veel ervan klinkt ons wellicht niet leuk in de oren, maar daarom is het nog geen onzin.
En toch wringt er iets in dit boek, trilt er iets mee wat ervoor zorgt dat de boodschap niet goed overkomt. Om te beginnen is er Rietdijks pose als Verlichtingsdenker. Als rationalist pur sang schildert hij een beeld van mens en maatschappij dat in hoge mate eendimensionaal is. Met gevoelens en drijfveren van mensen die blijkbaar niet op hetzelfde intellectuele niveau zitten als hij, houdt Rietdijk beslist geen rekening. Evenals bij de lumières uit de pruikentijd is er bij Rietdijk een enorme afstand tussen 'hoe-het-zou-moeten-zijn’ en 'hoe-het-werkelijk-is’. Het is die kloof die de door de Verlichting aangestoken radicalen van de Franse Revolutie en later de bolsjevieken trachtten te dichten met een grote hoeveelheid lijken. Nu pleit Rietdijk niet voor concentratiekampen en executiepelotons, maar de recente berichten uit Zweden maken duidelijk dat de witte-jassenmethode der wetenschap ook niet alles is. Rietdijks pleidooi voor 'een consequente eugenetica’, iets waar de Scandinavische sociaal-democraten ook naar streefden, heeft een wrange bijsmaak.
Een probleem dat samenhangt met Rietdijks strikt eenzijdige benadering is de toon van het boek. Zelfs scholieren die door Rietdijk zouden worden geklassificeerd als 'minvarianten van het soort Hadjememaar’, hebben heel wat beter dan deze zeer geleerde auteur door dat gelijk hebben niet hetzelfde is als gelijk krijgen. Rietdijk trompettert als een losgeslagen olifant en hij stampt er ook nog oorverdovend bij.
Voor alle duidelijkheid: de elitaire De Montherlant beklaagde zich er niet over dat hij maar door weinigen werd gelezen. Veertig jaar eerder had hij immers al geschreven: 'Vox clamantis in deserto’ 'Maar als ik er nu van houd om in de woestijn te roepen?’ Misschien vind Rietdijk het ook wel gewoon prettig in de woestijn en wil hij helemaal niet dat wij dommeriken naar hem luisteren.