Myra Römer, Verhalen van Fita

Lelijke negers

Myra Römer

Verhalen van Fita

Atlas, 252 blz., € 18,50

Myra Römer neemt ons in dit debuut mee naar de jeugd op Curaçao, aan de hand van het opgroeiende meisje Fita, dat eigenlijk Josepha heet. De late jaren vijftig, schat ik. De watersnoodramp van 1953 wordt wel genoemd maar is al verleden tijd en de grote opstand van 30 mei 1969 toen de boel in Willemstad kort en klein geslagen werd, moet nog komen.

Literatuur maken over de Antillen gaat niet van hopla. Moet je nog een keer alle koloniale ins en outs uitserveren? Dat de zwarte mens onderdrukt werd en de witte er niets van begreep, ook al deed hij net alsof? Dat je vroeger slavernij had? En dat het altijd mooi weer was? Moet je van binnenuit schrijven of op een afstandje blijven staan volgens het principe «zij zijn gek en ik ben oké»? En dan moet je ook nog rekening houden met die verrekte traditie van de Caribische vertelling: de vermenging van mythische geschiedenis en bittere realiteit, onnavolgbaar mooi vertolkt in de roman Dubbelspel (1973) van Frank Martinus Arion. Wat een roman was dat! «Helemaal Curaçao», zei mijn moeder nadat ze de roman had gelezen, en zij kon het weten, want tussen 1947 en 1952 woonde zij met haar man en twee kinderen op dit rotsige en onbegrijpelijke eiland.

Römer is niet bij de pakken neer gaan zitten, ze voorzag haar kleine heldin van een aanstekelijke dosis verwondering en dat gaf haar de kans een mooie reeks inkijkjes te geven in het familieleven op Curaçao. Het knappe is dat ze wel degelijk ook een beeld heeft willen geven van de Curaçaose realiteit van deze periode, maar ze slaagde erin haar informatie onder die verwondering te verbergen. «Op het binnenplein stonden we dicht bij elkaar in de schaduw van de hoge muur die onze school scheidde van de jongensschool.» Dus je had op Curaçao gescheiden jongens- en meisjesscholen. Haar vader vraagt een keer of ze wel begreep wat de non op school tegen haar gezegd had: «Nee, pa, ik versta toch geen Nederlands?» Dus Nederlands was op Curaçao de taal van de witten. Zo doet Römer dat en het werkt prima.

Ze deinst er niet voor terug de reëel bestaande raciale tegenstellingen op Curaçao ongegeneerd, maar tussen neus en lippen door, over het voetlicht te brengen. Hoe zwarter je destijds was, hoe lager je op de sociale ladder stond (trouwens: is dat allemaal ineens veranderd?). Binnen Fita’s familie, die uit allerlei kleurschakeringen bestaat, spreekt men onverbloemd over «negers», «mooie» en «lelijke» negers. Zwarte negers eten buiten op de stoep als de rest van de familie aan tafel gaat. Maar we hoeven hier wat Römer betreft geen schuldgevoel over te krijgen, ze laat het zien, daar is ze schrijfster voor. Ze laat het ach-en-wee-geroep aan de politici over. Juist dat maakt haar beelden zo overtuigend.

Dit zijn trefzekere verhalen waarin gelukkig niet al te veel spectaculairs gebeurt, maar ondertussen krijg je wel de gelegenheid mooi weg te dromen over een leven op een eiland waar je niks van afweet. Er treden allerlei kleurrijke fi guren op, tantes en ooms, neven en nichten, de feestjes zijn in geuren en kleuren beschreven. En met haar warm kloppende en nieuwsgierige hartje is de kleine Fita bereid haar onwelgevallige jongens eens flink op hun bek te timmeren.

Römer doseert goed, ze laveert tussen realisme, verwondering en meisjes verlangen. En schrijven kan ze, ze weet de verwondering en het verlangen van het meisje Fita mooi in beeld te krijgen. «Het land bood meestal een verdorde aanblik. Je kon je handen in de verschroeide grond steken, de hitte van de aarde aftasten, brokken opgedroogde, verscheurde aarde tussen beide handen nemen. Voorzichtig brak je stukjes af van de plakken vastgekoekte aarde, en wat restte bewerkte je langzaam maar bewust met je vuisten. De laatste restjes verbrokkelden tussen je vingers: korrels rode aarde. Je handen verkleurden, geronnen bloed brokkelde van je handen af.» Ineens is Curaçao verpletterend dichtbij, maar ineens is ook het goede schrijven, waar we allemaal zo hart s tochtelijk naar verlangen, dichterbij dan ooit.

In de laatste paar verhalen treedt Fita niet meer op. Dat is jammer, ik zat haar te missen. Dan ontbreken ook de verwonderde toon en sfeer en laat Römer te veel sociologisch gekleurde beelden van het leven op dit eiland in haar verhalen toe. Moord en doodslag rondom overspel, het ligt er allemaal te dik bovenop. Maar ik ga hier niet te lang over lopen zeuren, want dit is een mooi, intiem en meeslepend boek. «Helemaal Curaçao», zou mijn moeder zeggen.