Len dikker, kinderhelpster

Len Dikker werd op 26 maart 1921 in Amsterdam geboren als Len Spier. Zij trouwde in 1942 met Max Dikker en kreeg twee kinderen. Zij werkte als vrijwilliger 35 jaar bij Pro Juventute en woont in Amsterdam. ..LE ‘Wij waren op een gegeven moment ondergedoken in een huis tegenover het Kamp Amersfoort. In die tijd ontsnapten er nog mensen zodat er huiszoekingen in de onmiddellijke omgeving werden gedaan. Het was daar riskant. Al die tijd hebben we de geluiden uit dat kamp moeten aanhoren, dat vreselijke gillen, dat aanhoudende schreeuwen. Het was verschrikkelijk. Overdag vanaf de zolderkamer zagen we ook het strafexerceren: mensen moesten met volle bepakking over de weg kruipen. Je werd gewoon een en al vrees.’

Len Dikker was zich er v¢¢r de oorlog nauwelijks van bewust dat zij joods was. Zij en haar man hebben nooit een ster gedragen. Blijkbaar stond hij toch als jood ingeschreven bij de burgerlijke stand, want hij kreeg een oproep voor een werkkamp. Het was inmiddels zomer 1942 en de razzia’s waren al begonnen. Ze besloten onder te duiken.
‘Mijn man was feilloos op de hoogte van wat er in Duitsland gaande was. Toen ik hem leerde kennen was ik pas achttien. Hij werkte bij het joodse informatiecentrum van A. Wiener in de Jan van Eyckstraat; hij las daar de kranten, vergaarde nieuws en vertaalde dat naar het Nederlands. Toen hij bij ons thuis begon te komen, vertelde hij daarover. Mijn vader was zeer sceptisch. Hij ging ervan uit dat de soep niet zo heet gegeten zou worden. Mijn man bleef zeggen: “Het ziet er niet goed uit!”
Toen de oorlog uitbrak vroeg hij mijn ouders of ik met hem naar Engeland mocht vluchten. Ik was piepjong. Mijn vader weigerde pertinent dat ik onder zijn ogen uit zou gaan. Daarop is ook mijn man in Nederland gebleven. Hij had die verhalen over Duitsland ook aan vrienden van ons verteld. Die zeiden: “Je moet maar niet meer bij ons langskomen met je akelige verhalen. Er is niets van waar, we geloven je niet.” Want hij zei telkens: “We komen nog met z'n allen in Lublin, in Polen terecht.”
Ik was zo jong en nog zo onwetend en ik had nooit last gehad van antisemitisme. Ik wist wel dat ik joods was en ik heb nog eens een blauwe maandag op joodse les gezeten, maar dat was het. Wij waren liberaal, geassimileerd, wij deden thuis aan het joodse helemaal niets.’
'Toen kwam die oorlog, die vreselijke oorlog. Ik trouwde in maart 1942 en ging met de tram naar het stadhuis, wat toen al niet zonder gevaar was. We trokken in bij een oom in Amsterdam-Zuid. Onder invloed van de dreiging durfde je niet in de toekomst te kijken en een eigen huis te huren, daar begon je eenvoudig niet aan. Vlak hierna kreeg mijn kersverse echtgenoot een oproep voor een werkkamp. Hij werd afgekeurd met behulp van een vrouwelijke internist. Toen zei hij: “Nu moeten we hier direct weg.”
Het was inmiddels zomer 1942 en de razzia’s waren al begonnen. Eerst gingen we naar Rotterdam, naar een relatie van mijn vader. Daar woonde eveneens een gereformeerde jongeman, Arie, wiens ouders bij Amersfoort woonden, in een huisje op een landgoed tegenover het concentratiekamp. Zij waren bereid ons op te nemen. Op een goede dag gingen we er naartoe. Alles wat we aan kleren bij ons hadden trokken we over elkaar heen. We stapten zonder ster op de trein naar Amersfoort. Eindeloos hebben we naar dat huis gezocht. Dat was heel gevaarlijk, want mijn man zag er zeer joods uit.
Uiteindelijk kwamen we bij de tuinmanswoning en daar werden we typisch gereformeerd ontvangen: “Kom binnen, want jullie zijn kinderen van God.” Wij waren er welkom, ook al was het maar een klein huisje. We hebben de tijd doorgebracht met lezen, patience spelen en brieven schrijven naar mijn ouders. Dat ze vooral moesten onderduiken, want mijn vader zag de noodzaak ervan nog altijd niet in. Hij redeneerde: ik ben een gezond man, ik hoef daar in Polen alleen maar te werken, daar komen we wel overheen; bovendien duurt die oorlog niet lang meer. Dus wij schreven hun iedere dag om te zorgen dat ze niet op transport zouden gaan en dat ze zich zouden verbergen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Mijn moeder heeft dat doorgezet.
Het werd te gevaarlijk, in die tuinmanswoning, vlak tegenover het strafkamp Amersfoort. Na een half jaar kwamen we tot de conclusie dat we in een ratteval zaten. Begin 1943 waren we weer in Amsterdam. We wilden liever daadwerkelijk meedoen dan afwachten wat er zou gebeuren. Ook toen had niemand het idee dat de oorlog nog lang zou duren.’
'Wij gingen zonder onze joodse papieren naar Amsterdam en hadden het onwaarschijnlijke geluk niet gecontroleerd te worden. Op het Centraal Station belden we een bevriende relatie die zei dat we direct naar hem moesten komen. Via hem kwamen we in contact met Dora Matthijssen, een Utrechtse studente uit de groep van Geertjan Lubberhuizen. Zij bezorgde ons betrouwbare papieren. Mijn man begon direct in haar groep te werken. Dat was een humanitaire verzetsgroep die voor papieren, voedsel en huisvesting zorgde.
Ik ging weg uit Amsterdam. Het was veiliger niet al te regelmatig bij elkaar te zijn. Ik onderhield het contact met joodse kinderen in Limburg. Hoe ik het, achteraf gezien, als jodin zonder ster met een vals persoonsbewijs heb gedurfd, weet ik niet, maar iedere veertien dagen kwam ik in Amsterdam en nam zo nu en dan een joods kind mee naar Limburg. Natuurlijk liepen we altijd en overal gevaar. Ik ging ik eens met een kind in de trein naar Limburg. Toen we in Vught stopten riep zij uit: “Moet je eens kijken, dat is net Westerbork!” Daar zat je dan in een overvolle coupÇ. Tja, op dat moment had ik het niet meer en heb ik haar een zak snoepjes in de handen gedrukt, opdat zij haar mond maar zou houden.
Mijn man bleef in Amsterdam. Hij had daar wisselende adressen. Toen kwam de spoorwegstaking. Men stelde voor dat hij naar Limburg zou komen omdat men er op rekende dat het daar nu gauw afgelopen zou zijn. Maar mijn man vond dat hij niet uit Amsterdam weg kon. Daarop heb ik meteen de allerlaatste trein die uit Limburg naar Amsterdam ging genomen en ben ik niet meer in Limburg teruggekeerd.
In die tijd heb ik in zijn groep gewerkt. Ik regelde alle mogelijke dingen en bezorgde spullen bij ondergedoken joden in Amsterdam. We woonden op wisselende adressen, maar uiteindelijk zijn we samen gaan wonen in het huis van een NSB'er die kamers verhuurde. Na het bombardement op de Euterpestraat kwam de Sicherheitsdienst vlak naast ons. Wij waren dus goed bewaakt; de SD-lui liepen wacht. Mijn man droeg altijd een hoed, dus dat zwarte haar was bedekt. Maar hij liep als verzetsman en door zijn uitgesproken joods uiterlijk natuurlijk dubbel risico. Gelukkig was hij voor niemand bang. Dat was ik wel! Ik ben eens in de trein naar Limburg aangehouden voor een persoonsbewijscontrole. Ik had een vals persoonsbewijs van een meisje uit het weeshuis. Ik had me dermate in dat meisje ingeleefd dat ik haar ook was. Nog steeds vraag ik me af of ik niet door al die papieren persoonsverwisselingen een deel van mezelf ben verloren.’
'In 1944 werd de toestand in Amsterdam steeds erger. Je zag de mensen op straat zomaar voor je ogen sterven. Je zag ze liggen in de portieken waar je voorbij schichtte. Het was mensonwaardig. Er waren toen kinderen die echt weg moesten, anders gingen zij dood.
Je had de Winterhulp, een instelling uitgaande van de Duitsers, die kinderen naar Friesland bracht met de boot. Het liep tegen het eind van 1944 en de Duitsers zagen ook wel dat ze niet al die kinderen konden laten verhongeren.
Er waren natuurlijk een heleboel kinderen die voor die Winterhilfe niet in aanmerking kwamen. Kinderen van communisten, van verzetslieden, onderduikertjes. Er was een miljonair die geld gaf voor de boot. Een kinderarts keurde de kinderen of ze niet te ziek of te zwak waren om de reis te ondernemen, en bakker Rekers gaf het brood voor onderweg. Het enige dat nog ontbrak was een vergunning. Een perfect Duits sprekende jonge vrouw wist die bij de Ortskommandatur op het Museumplein los te krijgen.
Het eerste transport was ergens in de winter van 1944-45. Daar ging een aantal leidsters mee, onder wie ikzelf. We gingen uiteindelijk met zo'n tachtig kinderen weg in een rijnaak waarin stro lag om op te zitten en te slapen. We voeren ’s(nachts omdat het IJsselmeer overdag werd beschoten door de Engelsen. We hadden lantaarns en een aantal emmers voor de stoelgang, want veel kinderen hadden oedeem en moesten voortdurend naar de wc. Ik bewaakte de emmers, dat was mijn taak, en overdag las ik voor en probeerde ik zo troostrijk mogelijk te zijn. Nog zie ik al die grote, hongerige en bedrukte kinderogen die verder luisterden dan naar mijn verhaaltje en angstig de lucht afspeurden. Zo'n tocht duurde twee of drie dagen omdat we alleen ’s(nachts een aantal uren konden varen. Overdag lagen we stil.
Met het eerste transport kwamen we in Sneek aan, doodmoe en geradbraakt, want we sliepen amper. Wij hadden daar het adres van iemand die weigerde hulp te bieden omdat hij andere transporten verwachtte. Dus daar stonden wij op die kade, in de ijzige kou in die vreselijke snijdende wind met die ondervoede, dodelijk vermoeide, ontheemde kinderen en we waren zelf nog maar twintig, eenentwintig jaar oud.
Toen kwam er uit het niets een jongeman op ons af die zijn hulp aanbood, de gaarkeuken waarschuwde en iedereen naar de ruimte naast de pastorie dirigeerde, waar hij de kachels liet aanmaken. Hij bleek de hulppredikant te zijn. Een meisje met een fiets bood aan om samen met mij overal te gaan aanbellen om onderdak voor de kinderen te vragen. Om een uur of zes hadden we nog maar twee grote jongens van een jaar of zestien over. Het is bijna niet voor te stellen, maar bijna zeventig mensen hadden zich van het ene ogenblik op het andere bereid verklaard om kinderen op te nemen. Het hele probleem was in ÇÇn middag opgelost.
Tot slot meldde zich nog een boer met een grote kar om die twee grote jongens te halen. Toen waren ze allemaal ondergebracht.
Ik heb drie van deze transporten meegemaakt. Het was iedere keer een voldoening om te zien hoe de kinderen opknapten door het goede eten en de liefderijke verzorging die ze in Friesland kregen. Ze wisten precies wanneer weer een boot arriveerde. Dan stonden ze op ons te wachten aan de kade en riepen en juichten: “Juf! Juf!”(’
'Nadat mijn man in 1980 was overleden, vond ik het terecht om een uitkering te vragen. Mijn man heeft dat nooit gedaan. Hij wilde er niets meer mee te maken hebben en hij was duidelijk heel erg teleurgesteld over de gang van zaken na de oorlog in Nederland. Sinds 1944 werden vanuit Londen bepaalde mensen naar voren geschoven die na de oorlog het heft in handen zouden moeten nemen. Toen ik m'n verzetspensioen had aangevraagd, werd ik opgebeld door iemand die mij op uiterst agressieve toon te kennen gaf dat ik dit en dat had klaar te leggen als hij langskwam. Die meneer kwam en ik heb hem toen onmiddellijk gezegd dat als hij op dezelfde toon met mij verder zou gaan, ik hem linea recta de deur zou wijzen.
De Stichting 1940-45 accepteerde mij, maar het ABP in Heerlen niet, want mijn man was niet overleden aan de gevolgen van de oorlog. Ondanks de teleurstelling hierover en ondanks alle onderdrukte angsten die ik heb overgehouden, is mijn adagium gebleven: het is blijkbaar niet voorbij, maar we moeten hoe dan ook met elkaar verder.’