Lenin leeft!

ANNO 1997 BESTAAT de klassenstrijd in Rusland voornamelijk uit het plaatsen van plaagstootjes. Dat wil zeggen: publiekelijk. Onder de oppervlakte broeit het in de Communistische Partij van de Russische Federatie (KPRF). Sinds haar val, nu zes jaar terug, verkeert de partij in een tamelijk diepgaande identiteitscrisis. In feite vertoont ze twee kanten die elkaar in hoge mate tegenspreken. De ene kant laat de wettelijke erfgenaam zien van wat ooit de sovjet-eenheidspartij was. Deze kant wenst Jeltsin liever vandaag dan morgen op de mestvaalt van de geschiedenis. In de taal van partijdocumenten: ‘De toekomst is aan ons! Socialisme en communisme zijn onsterfelijk!’ De andere kant is het meer officiële gezicht van de partij, de kant die haar leiders graag laten zien. Die partij heeft geleerd van de vroegere fouten. In het parlement schrikt die kant zelfs terug voor het indienen van een motie van wantrouwen.

De ene, zoveel hardere kant is populair onder de gewone partijleden en onder regionale bonzen. De andere, terughoudende, kant wordt uitgedragen door de partijleiding. Maar omdat de leiders niet te ver kunnen achterblijven bij hun volgelingen, bedient ook partijleider Zjoeganov zich bij gelegenheid van gespierde retoriek. Dan wenst ook hij het vertrek van de ‘moordenaars van het Russische volk’ en dan schampert ook hij dat de 'rijen die ooit voor de winkels stonden nu voor de ingang van het kerkhof’ staan.
Op het onlangs gehouden Vierde Partijcongres had de onverzoenlijke kant het hoogste woord. Het congres eiste de hantering van buitenparlementaire protestvormen zoals de werkstaking. Zjoeganov daarentegen zegt dat hij liever legaal de kieswet in zijn voordeel wil veranderen dan dat hij binnen- of buitenparlementair de regering naar huis stuurt. Hij wenst, om kort te gaan, eerder een tactische benadering dan een ramkoers. En dus vinden er opmerkelijk weinig harde botsingen plaats tussen de communisten en Jeltsin. Wel worden er, als concessie aan de harde kant, symbolische plaagstootjes uitgedeeld om de schijn van een gevecht hoog te houden.
De politieke agenda is overladen met relatief onbelangrijke discussiepunten. De verwijdering van Lenin uit zijn mausoleum. De keuze van een Russisch volkslied. Van Russische staatssymbolen. Het al dan niet aftappen van de telefoons van Zjoeganov en andere oppositionelen door de geheime dienst. Het stemmen in het parlement zonder lijfelijke aanwezigheid door communisten. Staat de zaak werkelijk op scherp, zoals bij het debat over de economie waarin Zjoeganov een motie van wantrouwen indiende, dan doen beide kampen onmiddellijk hun best tot een compromis te komen. Zjoeganov wil geen crisis. Hij wil meer invloed op de totstandkoming van het regeringsbeleid.
WAAROM IS ZJOEGANOV zo behoedzaam? De bevolking is, gezien de resultaten van talloze enquêtes, boos en verbitterd. De onvrede in de samenleving zoekt naar een politieke kanalisatie. Van de Russen geeft vijfenvijftig procent op niet aangepast te zijn aan de nieuwe tijden. Zeventien procent meldt onder het bestaansminimum te leven. Meer dan veertig procent zegt de dagen in armoede te slijten. De toestand waarin het land is terechtgekomen veroorzaakt bij bijna tweederde van de bevolking schaamte. Ongeveer driekwart ziet alleen maar onrecht om zich heen. Voor de helft van de Russen gaat de stelling op dat het leven zó niet kan doorgaan. Mocht hun levenssituatie drastisch verslechteren dan zegt dertien procent bereid te zijn de wapenen ter hand te nemen tegen de regering. Twee jaar geleden nog maar zes procent.
De toekomstverwachtingen van veel Russen zijn volgens de opiniepeilingen op een dieptepunt beland. Tegenover elke optimist staan zeven pessimisten. Driekwart van de Russen denkt dat de nabije toekomst alleen maar erger zal worden. Naar aanleiding van dit soort cijfers concludeert Michail Gorsjkov, vice-president van de sociologische tak van de Russische Academie van Wetenschappen, dat de psychologische en emotionele staat van de Russische bevolking tot radicalisering kan leiden. Er is volgens hem een gestage opbouw van irritatie en van protest tegen de falende staat.
Het is de extremistische communisten dan ook een doorn in het oog dat Zjoeganov zo behoedzaam laveert. Zij verwijten hem verraad aan hun zaak. Viktor Anpilov, een charismatische linkse communist, vindt en zegt dat in de KPRF-elite 'krachten die niet de macht willen overnemen maar kiezen voor een regelrechte verstandhouding met hun politieke tegenstanders, de overhand hebben gekregen’. Een cluster van communistische splintergroepjes heeft Zjoeganov niet uitgenodigd voor de komende gezamenlijke herdenking van de Russische Revolutie in Sint-Petersburg, omdat zij de KPRF 'opportunistisch’ vinden.
De hardste aanval van links op Zjoeganov verscheen vorig jaar in de Moskovskij Komsomolets. Aleksandr Golovenko veegde de vloer aan met Zjoeganov. Tijdens de coup in 1991 en tijdens de gewelddadige confrontatie tussen het parlement en president Jeltsin in 1993 zou Zjoeganov zich bewust hebben gedrukt. In 1993 zou hij vóór de strijd stilletjes uit het parlementsgebouw zijn weggeslopen om vervolgens de communisten op tv te manen 'kalm en ingehouden te blijven, niet tot provocaties te vervallen en niet aan bijeenkomsten en demonstraties mee te doen’. Golovenko citeert een belangrijke communiste die zich herinnert dat Zjoeganov tijdens de 1 mei-demonstratie van 1993 voorop liep, maar bij de aanblik van de oproerpolitie onmiddellijk het hazepad koos.
Een andere hoge communist vertelt dat Zjoeganov hem voortdurend afraadde tot demonstraties op te roepen, in 1994 zelfs vanwege het aanstaande paasfeest. Ook dit jaar verdween Zjoeganov in een crisisperiode weer uit beeld. In april, toen Jeltsin hervormers in de regering benoemde, verbleef Zjoeganov in de provincie, zijn volgelingen in verwarring achterlatend.
Ondertussen zoekt geen enkele belangrijke partij in Rusland de frontale confrontatie. De nationalisten van Zjirinovski stemmen op belangrijke momenten mee met de regering. Generaal Lev Rochlin die uit het regeringskamp is gestapt en openlijk speculeerde op een machtsgreep van het leger, stemt zijn daden af op die van Zjoeganov. Die had hij gaarne als president gezien. Daarnaast resteren onbeduidende linkse en rechtse splintergroeperingen, die kleinschalige gewelddadige acties ondernemen. Ook opereren er zo'n vijftig strak hiërarchische revolutionaire kernen die zouden kunnen uitgroeien tot terreurbewegingen vergelijkbaar met de IRA en de ETA.
Alleen de vakbond is in staat veel mensen op de been te brengen. Met apolitieke eisen lukte het haar op 27 maart om, naar eigen zeggen, twintig miljoen mensen te mobiliseren; de autoriteiten hielden het op minder dan twee miljoen. Belangrijker dan de precieze aantallen deelnemers was het feit dat de vakbond zich presenteerde als de vertegenwoordiger van alle ontevreden werknemers en als zodanig de voorkeur kreeg boven de communisten. Dat bleek bijvoorbeeld in Moskou waar op een vakbondsbijeenkomst vijftigduizend mensen bijeen waren. De communistische manifestatie die een uur later op hetzelfde terrein plaatsvond, trok slechts tweeduizend mensen. De communisten reageerden met dezelfde retoriek als die waarmee de extremisten op hen reageren: de vakbonden zijn te behoedzaam.
Een dag na de massademonstratie vergaderden de vakbonden met de werkgevers. De grootindustriëlen verklaarden de noden van de arbeiders te begrijpen en zich verantwoordelijk te voelen voor hun welzijn. Zij wensten het samenwerkingsverband met de vakbond te versterken. Zakenman Kacha Bendukidze probeerde zelfs naast vakbondsleider Sjmakov plaats te nemen, en niet tegenover hem. Daar moest hij wegens de corpulentie van Sjmakov en hemzelf van afzien. De werkgevers en werknemers spraken hun afkeer van de staatsbemoeienis uit en kwamen overeen de invloed van de staat te beperken.
HET BELEID VAN de vakbond om het persoonlijk welzijn boven abstracte theorieën te stellen en om de staat van alle feilen de schuld te geven, vinden veel mensen aantrekkelijk. In de laatste anderhalf jaar heeft zich volgens opiniepeilingen een kentering voorgedaan in de normen en waarden van de bevolking. Momenteel vinden veel Russen materiële welvaart het belangrijkste doel in hun leven. Tweederde van de bevolking verkiest welvaart boven vrijheid. Was voorheen het hebben van een interessante baan en het behouden van een rein geweten van het grootste belang, nu wordt de voorkeur gegeven aan een goedbetaalde baan en aan pragmatisme. Ongeveer tweederde van de Russen zegt macht, succes en de mogelijkheid anderen te kunnen beïnvloeden belangrijker te vinden dan schone handen. Genoemde Michail Gorsjkov oordeelt: 'De verslechtering van de psychologische en emotionele staat van de mensen heeft vooral dat deel van de bevolking aangetast dat de traditionele Russische mentaliteit belichaamt. Deze verslechtering wordt versterkt door de ontwikkeling van een complex van gevoelens dat “alles om ons heen slecht is”.’
Ideologieën, de moraal en spiritualiteit hebben voor veel Russen afgedaan en zijn vervangen door pragmatisme. Het Instituut voor Sociologische Analyse vond in haar onderzoek naar waardenclusters in de Russische samenleving dat de grootste identificeerbare groep bestaat uit 'post-sovjet-individualisten’: mensen die menen dat de kracht van Rusland gelegen moet zijn in een toename van het welzijn van de burgers. De tweede groep is die van de westers georiënteerde democraten - Rusland als staat met een markteconomie, democratische vrijheden en de naleving van mensenrechten. De derde groep is die van de internationalisten - Rusland moet een multinationale staat zijn van volkeren met gelijke rechten. Ver daarna komen de Groot-Ruslanddenkers, de nationalisten en de voorstanders van een hernieuwd socialisme. De onderzoekers constateren dat er voor het eerst in de geschiedenis van Rusland een belangrijk deel van de bevolking westers georiënteerd is.
Een tweede conclusie die getrokken wordt: 'Onze studie liet eenduidig zien dat er in het land nu een duidelijk overwicht is, niet van “staatsgerichte” mensen, maar van “privégerichte” mensen.’ Michail Gorsjkov definieert deze mentaliteit als 'de successen zijn van ons, de problemen van jou’. Volgens zevenenveertig procent van de bevolking kan de staat de situatie in Rusland niet fundamenteel veranderen; meer dan vijftig procent meent dat de staat in werkelijkheid door de maffia wordt bestuurd. Minder dan tien procent vertrouwt de staatsinstanties volledig. De 'privégerichte’ burgers laten de staat de staat en richten zich vooral op hun eigen sores.
De communistische top lijkt zich bewust van het groeiende pragmatisme onder de Russen. Ze maken zich sterk voor een wet die de rechten van de oppositie verzekert en de mogelijkheden van de oppositie om aan de totstandkoming van het regeringsbeleid deel te nemen vergroot. De verkregen toezegging van Jeltsin na de laatste motie van wantrouwen om de oppositie meer te betrekken bij het beleid, sluit hier naadloos bij aan. Commentator Anatolij Saloetskij van de Pravda meent dat Aleksej Podberjozkin, partij-ideoloog van Zjoeganov en medevoorzitter van het Populair Patriottisch Front, zelfs uit is op een tweepartijensysteem in Rusland naar Amerikaans voorbeeld. Daarbij zou de 'onverzoenlijke, maar verantwoordelijke oppositie’ langzaam in het politieke bestel groeien. Podberjozkin schrijft: 'Dit proces vermindert de intensiteit van de politieke strijd niet, maar het haalt het destructieve gevaar voor de staat weg.’
ZJOEGANOV BESEFT dat hij, om uit te groeien tot een van de twee grote partijen in een tweepartijenstelsel, aan zichzelf en zijn partij niet genoeg heeft. Hij weet dat hij niet veel krediet heeft onder de bevolking. Slechts zeventien procent van de Russen zegt hem te vertrouwen. Ook de doelstellingen van de communistische partij vinden weinig weerklank. Hoewel achtenveertig procent van de Russen het socialisme verkiest boven het kapitalisme, wil slechts twaalf procent terug naar het socialisme zoals het was; drieënvijftig procent is daar fel op tegen. Onder jongeren leeft het communisme helemaal niet. Als hoopvol toekomstbeeld heeft het zijn glans verloren.
De onaantrekkelijkheid van het communistisch ideaal poogt Zjoeganov te ondervangen door een coalitie aan te gaan met nationalisten, propagandisten van een nieuw Groot-Rusland en Russisch-Orthodoxen. Zijn oogappel is het Populair Patriottisch Front van Rusland, opgericht in augustus 1996, waarvan hij tevens de voorman is. Het Front is de neerslag van de toenadering tussen communisten en nationalisten, die vanaf 1991 gestalte kreeg. Het patriottische ideeëngoed kan op meer steun onder de bevolking rekenen dan het communistische. Het Populair Patriottisch Front wil een werkelijk alternatief zijn voor Jeltsin. Politicoloog Boris Kagarlitskij meent dat juist het schijnbare ontbreken van een dergelijk alternatief de basis vormt van Jeltsins macht. Volgens hem heeft Jeltsin met succes de keuze vernauwd tussen 'democratie’ (hijzelf) en 'totalitarisme’ (zijn tegenstanders). Dit lijkt ook op te gaan voor de presidentsverkiezingen van vorig jaar.
Zjoeganov heeft zichzelf tot taak gesteld uit te groeien tot redelijk alternatief. Daartoe is hij pragmatisch, sluit hij coalities en laveert hij behoedzaam. Vorig jaar was hij dicht bij het presidentschap. Nu wil hij niet te vroeg toeslaan. Hij wil ingroeien in het systeem. De vraag is of hij bereid zal zijn de laatste stap te zetten: Jeltsin vervangen.