Groen

Lente

Onlangs maakte ik met mijn vader een rondje door zijn tuin. Het was zo’n vreemde dag waarop maartse buien dreigen, maar in stille zonhoeken de knieën makkelijk onbedekt kunnen blijven. De vijf wilgen waren geknot. ‘Een stomp laten zitten ter dikte van de betreffende tak’, had ik hem geraden. ‘Dan krijg je een mooie knot.’ Maar hij is ongeduldig en zo her en der had hij de kettingzaag er eens flink in gezet. Hij liet me de twee stekken van de Hydrangea quercifolia zien die ik afgelopen najaar voor hem meebracht. ‘Deze gaat het misschien nog wel doen’, zei hij. ‘Je had ze tijdens de vorst even binnen moeten halen’, zei ik. Overal stonden kleine klompjes zielige sneeuwklokjes. ‘Ik ben bedot’, zei hij. Hij dacht ‘groenpunten’ gekocht te hebben, maar de exemplaren bleken dit voorjaar de Galanthus nivalis ‘Flore pleno’ te zijn.
Rondom een van de twee lindes was het kaal. ‘Die bank was helemaal af, ik ga een nieuwe maken, vierkant.’ De twee hazelaars onder de grote linde waren bij de grond afgezaagd. ‘Wat komt hier?’ vroeg ik. Dat wist hij nog niet. In het heemgedeelte stonden obsceen grote krokussen en de kievitsbloemen begonnen ook al. Her en der een Anemoon. De ooit door hem uit een Duits bos gestolen (want beschermde) boshyacinten ging hij verplaatsen, want die deden het daar niet goed. In een grote, ondiepe pot had hij hazelnoten in de grond gestoken, ‘Eens zien of dat wat wordt.’ De kippen in het hok naast de Duivelswandelstok tokten met hun baasje mee.
Uit de appelboom was een bil gezaagd. ‘Heb jij dat gedaan?’ vroeg ik. ‘Met de kettingzaag boven je hoofd?’ Nee, dat had mijn broer voor hem gedaan. Een Viburnum stond prachtig te bloeien. ‘Kan ik die nou straks eens snoeien?’ vroeg hij. Ja, ik vond dat-ie wel wat omlaag mocht. In de moestuin aan de zijkant van het huis stond de boerenkool door te schieten. Mijn moeder had toen de laatste goeie stronken al op het vuur staan. Het rondje was klaar, en iets later aten we de boerenkool, met een halve worst. Het was lente.