Leo Schatz, 10 maart 1918 – 4 oktober 2014

Schilder, tekenaar, dichter en verzetsman Leo Schatz omschreef zichzelf als melancholisch optimist. Altijd droomde hij van het mooiste en vreesde hij het ergste. Het is hem allemaal overkomen.

In de schilderijen van Leo Schatz dralen doorzichtige gestalten door een heelal vol kleurvlekken en sterrennevels. Verdrietige spoken knielen, eenzame trompettisten blazen wolken uit, bespikkelde vrouwen schreeuwen in stilte, vervlochten lichamen kussen en strelen. De afgebeelde figuren lijken elkaar kwijt, maar laten zich niet klein krijgen, vinden elkaar in bonte dromen. En alles heeft kleur. ‘Wat ik schilder heb ik niet van tevoren bedacht’, lichtte Schatz ooit toe in een radio-interview. ‘Het ontstaat gewoon en ik jat het. De verf wordt mijn gevoel en wat ik zie wordt mij eigenlijk verteld.’

Zo bleek voor Schatz de schilderkunst een strategie om ‘het onacceptabele te lijf te gaan’. Maar dat betekende niet dat het therapeutisch was, of troostend. ‘Troost bestaat niet’, herhaalde Schatz vaak. ‘En verdriet verdwijnt nooit. Het verandert. Van ijskoud naar warm verdriet. Maar je “verwerkt” het niet, alsof het minder zou worden.’ Hij omschreef het laten stromen van de fantasie als een reactie op angst en verlies, om de zin van het leven in stand te houden. ‘En dat lekker met je vingers in de verf.’

In de jaren twintig groeide Schatz op in een liefdevolle familie aan de Nachtegaalstraat in Amsterdam-Noord. Samen met veel buurtgenoten sympathiseerde het gezin met de sociaal-democratische sdap. Toen een wantrouwige buurvrouw aan Schatz en zijn broertjes vroeg of zij joods waren, antwoordden zij dan ook in volle overtuiging: ‘Nee, wij zijn arbeiders.’

Niet veel later werd het gezin, in de woorden van Schatz, toch ‘joods gemaakt’. In de oorlog raakte hij zijn ouders en tweelingbroer kwijt in Auschwitz. Zelf verbleef hij onder een valse naam (‘Jan Mulder’) in Den Haag, waar hij samen met Wim Polak (de latere wethouder van Amsterdam, niet de burgemeester) een illegaal uitgeverijtje voerde. Zij hielpen onderduikers aan adressen en voedsel, kopieerden identiteitskaarten, fabriceerden voedselbonnen maar sloegen ook wapens op. Het lukte ze zelfs om als ‘officiële’ vertegenwoordigers van het Zweedse Rode Kruis vijftienhonderd witte broden aan te bieden aan de Hagenaren die alles kwijt waren geraakt na de bombardementen op het Bezuidenhout in maart 1945. Roekeloos schudde de ondergedoken joodse verzetsjongen Leo Schatz de handen van de foute Haagse hoofdpolitiecommissaris en de nsb-wethouder bij het overhandigen van het brood.

Na de bevrijding besloot Schatz niet te leven als een slachtoffer van de oorlog, maar als een overwinnaar die zijn verdriet koesterde. Eerst maakte hij lange reizen door Denemarken, waar hij vriendschappen sloot met Scandinavische kunstschilders die zich bezighielden met het impressionisme en hem het werk van Pierre Bonnard leerden kennen. Vanaf dat moment ontpopte Leo Schatz zich als een kunstschilder die de scheidslijnen tussen kleur en emotie ontsteeg.

‘Het atelier is zijn altaar verloren’, dichtte Schatz

Terug in Amsterdam volgde een huwelijk met Sonja Kopuit, ook zij verloor veel familie in de oorlog. Samen besloten zij ‘gewoon te gaan leven’. En zo begon, met het vinden van de liefde en de start van een gezin, het leven pas echt, stelde Schatz achteraf vast. Gelukkige jaren volgden in de Amsterdamse Plantage, waarin docentschappen aan kunstacademies, kunstexposities en het uitvoeren van kunstprojecten net genoeg geld opleverden om de eindjes aan elkaar te knopen. Het gezin dompelde zich onder in de warmte van het dagelijkse gezinsleven en de bohème van het naoorlogse Amsterdam.

Maar het verdriet drong zich opnieuw op toen dochter Irma Schatz na een jarenlang ziekbed in 1984 kort voor haar 35ste verjaardag overleed aan een hart- en longziekte. Twee jaar lang schilderde haar vader enkel nog schilderijen met daarop haar gestalte, met verzwakte schouders en ingevallen wangen, terwijl ze dwaalt en zweeft door tierige landschappen. De verbeelde vrouw is ongrijpbaar, steeds net niet tot leven gewekt door de verf. Maar tegelijkertijd is ieder doek wel degelijk een vergeefse poging haar terug te halen, met de schilder als Orpheus. Beeldhouwer Jan de Baat zei daarover: ‘Eigenlijk had Leo in Irma iets gevonden wat hij kwijt was, namelijk: thuis-zijn. En je begrijpt dat toen Irma stierf het leed onoverzienbaar groot was, en nog steeds, dat zal nooit meer overgaan. Maar dat heeft hij nu op zo’n manier geïntegreerd (…) dat hij een van de grootste schilders is die ik ooit heb ontmoet.’

Samen met zijn vrouw leefde Leo Schatz aan de Bredeweg in Amsterdam, tot zij stierf in 2003. Na ruim een halve eeuw onafscheidelijk samen dwong het verlies hem deze keer de kwast onaangeroerd te laten. Zonder Sonja lukte het schilderen niet meer, want ‘het atelier is zijn altaar verloren’, dichtte Schatz plots. En zo verruilde de schilder zijn kleurrijke verf voor zwarte inkt op wit papier. De bundel gedichten die hij uit rouw schreef, kwam uit onder de titel Ik heb geen aanleg voor verdriet. Uiteindelijk vond Schatz toch de weg naar de kleur en zijn atelier terug. In de laatste jaren van zijn leven exposeerde hij veel nieuw werk in het Cobra Museum en Museum Jan van der Togt.

Creatieve nieuwsgierigheid, humoristische levenslust en ‘de liefde van enkelen’ bleven onvermoeibaar de drijvende krachten achter de persoonlijkheid van Leo Schatz. De geschiedenis ‘maakte’ hem joods, verlies ‘maakte’ hem verdrietig – maar voor geen van beide koos hij of had hij aanleg. En op 96-jarige leeftijd schreef hij: ‘Steeds wil ik rusten/ hoewel ik niet moe ben/ en de ogen sluiten/ om te zien/ wat ik niet begrijp.// Steeds wil ik lopen/ hoewel ik vermoeid ben/ met de neus in de wind/ om het bijster spoor/ weer te vinden.// Steeds is er de drang tot leven/ hoewel de zin ervan ontbreekt/ en toch zie ik mij/ met verbazing/ de hoogste berg beklimmen.’


Beeld: Chantal Ariëns