Menno Hurenkamp

Leon en George

Bij het zien van de televisiebeelden van de aanslagen in de Verenigde Staten schoten flarden van liedjes door mijn hoofd. Eerst het voorspelbare «It’s the end of the world as we know it», en daarop hoorde ik De bom zingen en zelfs Sting over de Russians zemelen. Allemaal hits uit de jaren tachtig, toen de angst voor oorlog zoveel tastbaarder was dan het afgelopen decennium, toen de wereld ook eenvoudiger leek. In de totale verwarring die volgde op alle explosies verlangde ik onwillekeurig terug naar die zwart-witte tijd — in 1985 hadden we tenminste meteen geweten wat er aan de hand was.

Vermoedelijk vanuit datzelfde verlangen naar eenvoud organiseerden de Nederland 3-omroepen op zondagavond een ingelast discussieprogramma met allerlei kenners van de internationale politiek. Het werd een ouderwets potje joden-Arabieren over het Palestijns-Israëlische conflict. De Arabieren wonnen op punten, wat toch opmerkelijk is in Nederland. Meer nog dan aan hun genuanceerde standpunten lag de overwinning vermoedelijk vooral aan de opstelling van de joden. Met Leon de Winter in de spits kon de nederlaag hen al bijna niet meer ontgaan. Zelden iemand zo goed intellectuele ontreddering zien verbeelden. Op zoek naar een verklaring voor de vliegtuigaanslagen scharrelde de schrijver in twee minuten van de Middeleeuwen via Atatürk en de vernietiging van de tempel naar het World Trade Center. Hij verliet dit historisch doolhof met de conclusie dat Arabieren gefrustreerde zeloten zijn die alle ongelovige honden willen vermoorden.

«Bij de moslims maakt God de dienst uit!» schalde De Winter paniekerig. Wat zou hij bedoeld hebben? Dat de laatste zelfmoordaanslag van deze halfwas woestijnbewoners pas te verwachten valt als hun Allah zelf zich in een flat boort? Juist in de VS en Israël is God tenslotte ook big time. De Amerikanen op mijn televisie zongen in vijf dagen tienduizend keer God Bless America. Ariel Sharon maakte van de radiostilte gebruik om nog wat Palestijnen van de grond van zijn religieuze voorvaderen te bulldozeren. Als het niet tot nog meer haat zou leiden, zou het een geinige oefening zijn in De Winters betoog moslims door joden te vervangen — eens kijken hoeveel zendtijd je krijgt voor zulke generalisaties.

De Winters flapteksten zijn niet uniek in dit conflict. Ze zijn de haatdragende variant van George Bush’ emotionele incontinentie. De Amerikaanse president lijkt voortdurend bevangen door de wetenschap dat hij iets moet zeggen, maar niet weet wat. In zijn onwetendheid stamelt hij de associaties die opkomen in zijn hoofd: «We gaan ze uitroken… we willen wraak… dat is onze plicht…» Als hij huilt, is het vanwege gebrek aan woorden om zinnen te bouwen. Bush vermoeit zich in zijn constante paniek niet te veel met de wereldpolitiek. Wanneer hij de ramp ten slotte verklaart, zegt hij: «Amerika was het doelwit omdat wij het meest stralende baken van vrijheid en mogelijkheden in de wereld zijn.» Helder. Leon en George bakenen met hun fanatiek beleden simplisme de politiek van de 21ste eeuw af. Amerika is een fantastisch land dat nooit wat fout doet en de moslims willen het kapotmaken. Ze herstellen de eenvoud waar ik ongewild naar terugverlangde toen de wolkenkrabbers explodeerden.