Leonardo’s brein

De Mona Lisa en het duikerpak, die kennen de meeste mensen van hem. Maar in zijn vrijwel onbekende teksten toonde hij welhaast nog meer esprit. En zwaarmoedigheid. Een greep uit de gedachtenwereld van Leonardo da Vinci
Leonardo da Vinci: Uitvinder, wetenschapper en kunstenaar. Tot 17 maart 1996 in de Kunsthal te Rotterdam.
‘IK WIL WONDEREN verrichten’, noteerde hij op een van de 6500 papiervellen vol tekeningen en teksten die bewaard zijn gebleven. Leonardo da Vinci (1452-1519) kan met recht een wonderbaarlijk man worden genoemd. Hij is misschien wel de enige mens ooit die het epitheton l'uomo universale toekomt: kunstenaar, uitvinder en wetenschapper - in die volgorde.

Door de eeuwen heen bleef hij bekend als de schilder van de Mona Lisa en Het laatste avondmaal; pas in de negentiende eeuw ging men zijn herontdekte manuscripten bestuderen. In die tijd van uitvindingen en verregaande romantisering nam men hem serieus als onovertroffen genie, als goddelijke schouwer. Te serieus. Walter Pater sprak zonder te hoeven overdrijven van de legende van Vinci.
In de twintigste eeuw kwam daar verandering in. Althans, bij de wetenschappers. Maar Leonardo bleef populair. En nu we in het dagelijkse leven worden omringd door de wonderen der wetenschap en dat allemaal als heel gewoon zijn gaan beschouwen, lijkt Leonardo da Vinci te zijn verworden tot de spreekwoordelijke excentrieke uitvinder. De geheimzinnige glimlach van zijn Mona Lisa is onttoverd tot een banaal foefje waarmee andere kunstenaars (Duchamp, Dali) grappen uithaalden. De Mona Lisa werd het symbool van het dode museumstuk. En zo krijg je dan die tentoonstelling, hoe prachtig op zich ook, in de Rotterdamse Kunsthal met als titel: Leonardo da Vinci: Uitvinder, wetenschapper en kunstenaar. Maar hij blijft in de eerste plaats kunstenaar, en wel in zijn hoedanigheid als schilder.
Toch zijn er uiteindelijk maar vijftien schilderijen bewaard gebleven. Veel meer heeft hij er niet gemaakt. Hij heeft uberhaupt weinig tastbaars voortgebracht: ‘Nadenken is edel werk, uitvoeren een slaafse daad.’ Maar tekeningen van zijn hand zijn er honderden. Ze getuigen, behalve van zijn artistieke genie, van zijn grootste wetenschappelijke verdienste: hij zag de grote waarde van duidelijke illustraties in en optimaliseerde daar het effect van door ze in drie dimensies af te beelden alsof je ze in je hand houdt. Door zijn beheersing van het lineaire perspectief kon hij zijn voorbeelden op dit gebied overtreffen. Leonardo da Vinci was kunstenaar in de wetenschap.
MAAR WAAR NOOIT aandacht aan wordt besteed, zijn zijn literaire kwaliteiten. Zijn manuscripten vormen bij elkaar een encyclopedie in wording. Ongeordend, vol tegenspraak en herhalingen, een labyrint van kennis. Tekst en tekeningen staan door elkaar heen: Leonardo zette rustig een boodschappenlijstje in de kantlijn van een anatomische tekening of een kriebeltje van een bloemblad naast een uitweiding over een bouwkundig probleem.
Leonardo, linkshandig, schreef zijn leven lang in spiegelschrift, van rechts naar links om de nog natte inkt van de reeds geschreven regels niet uit te wrijven. Door gespiegeld te schrijven kregen de letters de stand die past bij het linkshandige schrift. Hij gebruikte veel afko’s en ligaturen; interpunctie liet hij vaak achterwege. Je ziet hem als het ware denken op papier.
Tamelijk ongewoon is dat Leonardo in het Italiaans schreef; tot zijn veertigste beheerste hij het Latijn niet eens. De door hem bewonderde geleerde humanist Alberti had al tien jaar voor zijn geboorte door middel van een wedstrijd aangetoond dat het Italiaans zich met het Latijn kon meten zelfs wanneer er verheven dingen tot uitdrukking moesten worden gebracht: Dante, Petrarca en Boccaccio hadden de bewijzen reeds geleverd. Leonardo legde woordenlijsten aan en schreef: 'Ik ken zoveel woorden in mijn moedertaal dat ik me eerder zou moeten beklagen dat ik de dingen slecht begrijp dan dat ik gebrek heb aan geschikte termen om mijn gedachten uit te drukken.’ Maar aan woorden alleen had hij niet genoeg, want tekeningen beschrijven natuurlijke dingen beter dan woorden.
Toch kon hij ook technische zaken prachtig verwoorden. Zoals bijvoorbeeld zijn beschrijving van een overspanningsboog. 'Wat is een boog? Een boog is niets anders dan een kracht die wordt veroorzaakt door twee zwakheden: de boog van een gebouw is samengesteld uit twee delen van een cirkel, die op zichzelf heel zwak zijn en in elkaar dreigen te storten, maar aangezien het ene deel die dreiging in het andere tegengaat, vormen de twee zwakheden juist kracht.’
HIJ GING OVERIGENS prat op zijn ongeletterdheid, noemde zich een 'homo sanza lettere’. Smalend merkte hij op dat hij niet in staat was om andere auteurs te citeren, maar zich wel kon beroepen op iets dat veel groter is: de ervaring, de meesteres van hun meesters. In een prachtige maxime haalt hij nog eens uit naar de literati en hun boekenwijsheid: 'Degene die in discussie auteurs aanhaalt, doet geen beroep op zijn intelligentie, maar op zijn geheugen.’ Maar zo ongeletterd was hij niet: uit zijn aantekeningen blijkt dat hij tientallen, misschien zelfs meer dan honderdzeventig boeken heeft gelezen. Hij was bovendien in het bezit van een voor die tijd behoorlijke bibliotheek. En hij putte er, zoveel is zeker, naar believen uit. Dat moest hij ook wel, want hij had grote ambities als schrijver, zoals blijkt uit deze snoeverige notitie: 'Ik zal een vertelkunst scheppen die grote dingen uit zal drukken.’ Of is het zelfaansporing?
Het is er niet van gekomen. Leonardo, wispelturig, gauw afgeleid, mogelijk zelfs onzeker, had er zijn leven lang de grootste moeite mee iets af te maken en dat geldt ook voor zijn schrijfwerk. 'Ik zal er nooit genoeg van krijgen nuttig te zijn’, schreef hij eens, om er in de kantlijn bij te zetten 'is een carnavalskreet’. En zo bleef het boek waarvoor hij een indeling maakte van twaalf hoofdstukken slechts bij een opzet voor een roman. Betreurenswaardig, want hoe nieuwsgierig maakt die indeling niet: in het begin wordt er een voorspelling gedaan en dan volgen een overstroming, de verwoesting van een stad, wanhoop, puinhopen; ten slotte toont de nieuwe profeet (Leonardo zelf) aan dat alle kwaad geschied is zoals hij voorspeld had. Het verhaal geeft een beschrijving van de berg Taurus en de rivier de Eufraat. Uiteraard illustreert Leonardo het verhaal met tekeningen en kaarten om de geloofwaardigheid te vergroten - geweest is hij daar nooit.
Een ander aan zijn rijke fantasie ontsproten reisverhaal in briefvorm geeft aan de bereisde Florentijnse koopman Benedetto Dei (echt bestaan) 'de laatste berichten uit de Orient’. Het behelst de lotgevallen van een reus uit de Libische woestijn, geboren op de berg Atlas, die in zee woonde op walvissen. Ergens aan wal komt hij ten val, wat een schok als een aardbeving teweegbrengt. Als hij opstaat blijven de mensen die hem beklauterd hebben, in zijn baard hangen als bij storm op zee. Gulliver als tijdreiziger - en er is meer dat doet denken aan de satires van Swift (die Leonardo’s manuscripten nooit heeft kunnen lezen).
Helaas, het verhaal is bij deze aanzet gebleven. En waarom? We weten het niet: er staan maar weinig persoonlijke notities in het hele manuscript, en die erin staan, zijn grif aangegrepen door biografen en psychoanalytici om hun alles verklarende inzichten aan op te hangen. Maar zoals tekstbezorger Pedretti al schreef, maakt een interval van vijfhonderd jaar het vandaag de dag voor iedereen onmogelijk zijn gevoelens te begrijpen, laat staan zijn seksuele leven.
Dat laatste vanwege het sterke vermoeden dat Leonardo homoseksueel was. Zo schreef hij een uiterst vermakelijke lofrede op de penis, die Alberto Moravia mogelijk inspireerde tot zijn roman Hij en ik. Leonardo noemde de testikels de getuigen van de coitus en maakte gedetailleerde, bijna liefdevolle (teken)studies van het mannelijke geslachtsdeel in al zijn verschijningsvormen. Van het vrouwelijke daarentegen bestaat er een tekening waarop die te zien is als een weinig subtiele, zeg maar lelijke, gapende opening. Elders maakt hij de volgende grap over de vrouw: 'Een vrouw die een moeilijk toegankelijke, modderige plaats moet oversteken, tilt zowel van voren als van achteren haar rokken op; terwijl ze haar vulva en haar anus aanraakt, spreekt zij drie waarheden tegelijk uit met slechts de woorden: dit is een moeilijk toegankelijke plaats.’
HIJ WAS GEK OP grollen en grappen en soms steekt hij daarmee zijn beroemde streekgenoot Poggio naar de kroon. Bijvoorbeeld met deze anekdote: 'Men vroeg aan een schilder waarom hij van die lelijke kinderen had terwijl zijn afgebeelde figuren, onbezielde dingen, zo mooi waren. Hij antwoordde dat hij overdag zijn schilderijen maakte en ’s nachts zijn kinderen.’ Soms is hij scherpzinnig: 'Het mes, een kunstmatig wapen, berooft de mens van zijn nagels - zijn natuurlijk wapen.’ Of ronduit surrealistisch: 'De roem zou voorgesteld moeten worden in de vorm van een vogel, maar met het hele lijf bedekt door tongen in plaats van veren.’ En net als Flaubert noteerde hij de pasklare ideeen en domheden van anderen. Verder maakte hij fabels, raadseltjes, allegorieen en een bestiarium. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Leonardo een graag geziene gast was op de feesten aan de hoven, die hij mede organiseerde. Soms maakte hij speelgoed met een mechaniekje om de gasten de stuipen op het lijf te jagen. Of blies hij schoongemaakte darmen van een schaap met blaasbalgen op tot die de kamer vulden en de aanwezigen moesten zien te ontkomen. 'Agressieve aardigheden’, noemt biograaf Serge Bramly zulke grappenmakerij.
Agressie, het van zich afbijten: als het erop aankwam was de eenzaamheid hem het liefst. 'Als je alleen bent, behoor je uitsluitend jezelf toe. Als er slechts een mens is om je gezelschap te houden, behoor je maar voor de helft jezelf toe of nog minder, al naar gelang de gedachtenloosheid van de ander en als je meer dan een metgezel hebt, zul je nog meer onder deze ellende lijden.’ Toch deelde hij een groot deel van zijn leven met zijn talentloze, maar kwajongensachtige leerling Salai. In een van zijn fabels beschreef hij de lotgevallen van een steen die zich van een groene hoogte laat vallen om zich te voegen bij zijn soortgenoten de kiezelstenen. 'Soms, als hij bevuild was met modder of uitwerpselen van dieren, lukte het hem zich enigszins op te richten en te kijken - tevergeefs - naar de plek die hij verlaten had, die plek van eenzaamheid en vredig geluk. Zo loopt het af met degene die zijn eenzame en bespiegelende leven verruilt voor een bestaan in de stad, te midden van buitengewoon boosaardige mensen.’
Naarmate de jaren verstreken werd hij steeds somberder. Nog vaker dan voor feesten werd zijn hulp ingeroepen bij oorlogen of zag hij zich genoodzaakt zijn hulp aan te bieden. Zijn beroemde sollicitatiebrief aan het adres van hertog Ludovico Sforza in Milaan - een tamelijk literaire omgeving overigens, waar hij nadien zijn produktiefste jaren zou beleven - is opgebouwd uit tien punten van aanbeveling. De eerste negen daarvan betreffen zijn ideeen voor oorlogswapens en -technieken. Pas in de tiende maakte hij er gewag van dat hij zich in vredestijd met architectuur (en hydrodynamica) kan bezighouden. Zijn kwaliteiten als beeldhouwer en schilder brengt hij pas in het slotwoord ter sprake.
Toch is het niet onmogelijk dat hij zijn oorlogstuig met plezier bedacht en tekende, zonder dat je hem nou een oorlogshitser kunt noemen. Van een door hem ontwikkeld duikerpak beschrijft hij niet hoe het te gebruiken: 'Ik wil hem verspreiden noch publiceren vanwege de kwade inborst van de mensen, die mijn methode zouden aanwenden om te moorden op de bodem van de zee.’ Zijn veldslagschilderij Slag bij Anghiari toont naar eigen zeggen de beestachtigste krankzinnigheid van de oorlog en daar deed hij flink zijn best voor: 'Zorg ervoor dat er niet een plek overblijft die niet is omgewoeld en met bloed doordrenkt.’ In zijn Bestiarium stelde hij de weerloze vrede gelijk met de bever die zijn testikels met zijn scherpe tanden losscheurt en ze achterlaat voor zijn vijanden.
HIJ HAD EEN lage dunk van de mensen en kon het dan ook goed vinden met de amorele moralist Machiavelli. 'Men kan kleinere noch grotere heerschappij hebben dan de heerschappij over zichzelf’, schreef Leonardo, die streng was voor zichzelf. Hij probeerde in alles maat te houden en was vegetarier: hij staat niet toe dat zijn lichaam 'een graf voor andere beesten, een herberg van doden… een omhulsel van verrotting’ is. En hij dronk met mate. In een schitterende fabel geeft hij het woord aan de wijn, die 'goddelijke likeur van de druif’. In de roemer vraagt de wijn zich af wat hij aan het doen is nu hij op het punt staat dat gouden onderkomen te verlaten en binnen te treden 'in de walgelijke en stinkende spelonken van het menselijk lichaam, om daar van een zoete geurende nectar veranderd te worden in een smerig en weerzinwekkend sap’ en ten slotte met andere luidruchtige en rotte troep verwijderd te worden uit de menselijke ingewanden. Nee, dat nooit! En de wijn roept de hulp in van de hemel tegen zoveel onrechtvaardigheid. Het is Jupiter die luistert en de drinker Mohammed gek maakt van dronkenschap, zodat hij, weer eenmaal bij bewustzijn, besluit dat Aziaten geen wijn meer mogen drinken.
Sommige mensen zijn, vindt Leonardo, zelfs het lichaam niet waard. 'Zie toch, hoeveel mensen zich slechts afvoerbuizen van voedsel, drekproducenten en vullers van het privaat zouden kunnen noemen, want zij hebben geen andere bezigheid in deze wereld, zij brengen geen enkele deugd in praktijk; alles wat zij achterlaten zijn volle latrines.’ Maar nee, hij was niet alleen als praktizerend anatoom bekend met het inwendige van de mens. In Over de wreedheid van de mensen schreef hij: 'O aarde! waarom heb je je nog niet geopend om hen op te slokken in de diepe spleten van je grote afgronden en van je grotten, om een dergelijk wreed en afzichtelijk monster nooit meer ten overstaan van de hemel te tonen!’
De wanhopige aanroepingen die steeds beginnen met 'Zeg mij…’ duiken op bijna bezwerende wijze steeds vaker op. Leonardo weet het niet meer… Hij twijfelt, vooral ook aan zichzelf, zo lijkt het.
Uiteindelijk maakte hij in woord en beeld (twaalf zwartkrijttekeningen) zijn eigen Laatste Oordeel, zijn eigen Zondvloed: een ware apocalyps waarin met shakespeariaans geweld gigantische stromen neerstorten uit een woeste hemel vol striemende hagel. Takken worden afgerukt, bomen ontworteld, de kaalgeregende bergen zakken ineen en de vlakten worden gevuld met het kolkende water. Op de geimproviseerde vlotten zitten mannen, vrouwen en kinderen die schreeuwen en jammeren. Anderen verdedigen hun schuilplaats tegen dol geworden leeuwen, wolven en andere wilde dieren. Een 'schouwspel van het meedogenloze bloedbad waaraan de woede van God de mensheid uitlevert’. Sommigen werpen zich van een hoge klif, anderen wurgen zichzelf eigenhandig, weer anderen grijpen hun kinderen en vellen ze met een klap. Er rest niets dan het geweld van de elementen - en geen ark van Noach te bekennen.
Schreef hij in vroeger dagen dat een goed besteed leven een gelukzalige dood brengt zoals een goed bestede dag een zalige slaap, nu beziet hij de dood als het grootste kwaad: 'Elk kwaad laat een droefheid achter in het geheugen, behalve het grootste kwaad, de dood, dat tegelijk met het geheugen het leven vernietigt.’ Nergens heeft hij het over een hiernamaals. En het was misschien wel typerend voor zijn antiklerikale instelling dat hij weigerde om de door hem afgebeelde bijbelse figuren en zelfs Jezus en Maria van een aureool te voorzien. Toen hij zich bezighield met fossielen die in de bergen waren aangetroffen, doorzag hij dat het zondvloedverhaal niet klopte omdat ze in verschillende aardlagen werden gevonden. 'Natuurlijke oorzaken schieten te kort en dus (…) zullen we onze toevlucht moeten nemen tot een wonder.’
Dit goddelijke genie stond verre van los van zijn tijd en tijdgenoten. Het lijkt zelfs alsof alles en iedereen in Leonardo’s brein bij elkaar komt. Het is als in Pico della Mirandola’s De hominis dignitate (1486) waarin God tot de mens zegt: 'Wij hebben u in het centrum van de wereld geplaatst zodat u gemakkelijker kunt waarnemen wat er allemaal op de wereld is.’ Die mens moet haast wel Leonardo da Vinci zijn geweest.