Economie

Lerarensalaris

Vorige week stond de Tweede Kamer op haar achterste benen. Minister Plasterk onderzoekt of de stijging van de lerarensalarissen betaald kan worden uit verhoging van de collegegelden of invoering van een sociaal leenstelsel. Hoewel dat goede ideeën zijn, kunnen bij de verhoging van de lerarensalarissen kritische kanttekeningen worden geplaatst. Het begon allemaal met de Commissie Leraren onder leiding van ser-voorzitter Rinnooy Kan. Essentie van het probleem is dat de komende zeven jaar driekwart van de leraren het voortgezet onderwijs verlaat, en niet alleen daar. Ook elders ontstaan tekorten. Daarom worden forse maatregelen bepleit: verhoog de lerarensalarissen, verbeter de lerarenopleiding en versterk de positie van leraren op scholen. Kosten: structureel 1,3 miljard. De politiek nam het advies kamerbreed over.

De Commissie Rinnooy Kan (crk) luidt terecht de noodklok. De vraag naar leraren wordt veel groter dan het aanbod. Op de markt stijgen de lonen als de vraag toeneemt. Het is daarom goed dat ook nu de salarissen gaan stijgen, met name daar waar de grootste tekorten ontstaan: in de grote steden, voor bepaalde vakken en op scholen met probleemleerlingen. Maar voor loon_differentiatie_ wordt van de 1,3 miljard slechts 120 miljoen vrijgemaakt. Ruim één miljard gaat zitten in de omzetting naar nieuwe loonschalen, die korter zijn, en hoger voor beter opgeleide docenten. Docenten die uitmuntend presteren, krijgen extra periodieken. Dat is in beginsel prima; huidige en toekomstige docenten krijgen betere carrièreperspectieven. Dat is nodig om te voorkomen dat jonge docenten vertrekken en onvoldoende jongeren kiezen voor het beroep van leraar. Maar de uitvoering deugt niet. Waarom krijgen zittende leraren een cadeau van bijna een miljard? Het is ze gegund, maar een bedrijf betaalt toch ook niet al het zittende personeel extra omdat er onvervulde vacatures zijn? Bovendien verdwijnt driekwart van de zittende leraren binnen zeven jaar.

Laat de nieuwe beloningstructuur alleen gelden voor docenten die na 1985 zijn begonnen. Jongere en toekomstige docenten krijgen dezelfde verbetering in hun carrièreperspectieven, terwijl dit ettelijke honderden miljoenen bespaart. Rechtsongelijkheid! roepen de vakbonden onmiddellijk. Die worden gedomineerd door oudere mannen en zijn geïnfecteerd met het gelijkheidsvirus. Tot op heden frustreren de bonden iedere vorm van loondifferentiatie. Laat staan een beloningstructuur op basis van onderwijsprestatie en opleiding. Of nog radicaler: een nieuwe beloningsystematiek alleen voor jongere docenten. De crk hult zich in bezweringsformules, maar zolang alleen de bonden over de cao’s gaan, staat niets hun in de weg om het advies volkomen te negeren en generieke salarisstijgingen te eisen.

Niet alleen het salaris is een probleem. De niet-financiële kant van het leraarsberoep blijft onderbelicht, terwijl juist daarover veel leraren klagen. De werkdruk is hoog, door alle bureaucratische rompslomp en een stortvloed aan onderwijsvernieuwingen (basisvorming, studiehuis et cetera). Verhoging van de lerarensalarissen verandert daar helemaal niets aan.Door schaalvergroting worden scholen leerfabrieken. Leraren raken vervreemd van elkaar, van de leiding en van de leerlingen. De uitdijende bureaucratie is een kostbaar waterhoofd geworden. Schaalverkleining levert geld op en maakt het leraarsberoep aantrekkelijker.

De crk besteedt geen aandacht aan de beloningsystematiek voor onderwijsmanagers. Een gemiste kans. Als leidinggevenden dezelfde loonschalen hebben als docenten, is het gauw afgelopen met de perverse carrièreprikkels om papierschuiver te worden. De autonomie van de docent en het werkplezier nemen toe, terwijl verlaging van de managementsalarissen wederom geld oplevert in plaats van kost. Ook had de crk naar de invloed van de politiek op het onderwijs moeten kijken. Van veel onderwijsvernieuwingen is nooit bewezen of ze werken. Veel hervormingen (denk wederom aan basisvorming en studiehuis) pakken averechts uit. De crk had kunnen adviseren dat alleen evidence based onderwijsvernieuwingen worden doorgevoerd en mislukkingen uit het verleden worden gerepareerd. Ook dan neemt de aantrekkelijkheid van het leraar-zijn toe. En leraren worden zo beschermd tegen megalomane bewindspersonen die de beroepsstatus ondermijnen. Het rapport van de CRK is op belangrijke punten ondoordacht en biedt geen garantie dat het dreigende lerarentekort wordt ingelopen. De financiële onderbouwing is boterzacht en de vakbonden kunnen de goede zaak blijven frustreren. Aan verbetering van de niet-financiële aspecten van het leraarschap (bureaucratie, onderwijsvernieuwing) wordt niets gedaan. Het zou mooi zijn als politici, die massaal het rapport van Rinnooy Kan onderschreven, eerst nadenken in plaats van napraten.