Mecenas, treed uit de anonimiteit

Leren dankbaar te zijn

Culturele instellingen in Nederland hebben veel te danken aan anonieme gevers. Dergelijke mecenassen moeten uit de anonimiteit treden, want goed voorbeeld doet goed volgen. Echter, oppassen is geboden.

Mecenas stierf acht jaar voordat Christus werd geboren. Hij was vriend en raadgever van keizer Augustus (63 voor Chr.-14 na Chr.) en beval de kunsten aan bij de keizer. Mecenas was eigenlijk meer een bemiddelaar. De mecenas van nu is dan ook een andere persoon dan de historische Mecenas. Een mecenas is iemand die veel geld aan kunsten uitgeeft.

Een mecenas is dus niet iemand die op kosten van de onderneming waar hij een baan heeft, de kunst en cultuur faciliteert. Hij is ook geen fondsbeheerder die de kunsten een goed hart toedraagt. Beiden zijn in Nederland onmisbaar geworden voor het huidige niveau van culturele activiteiten. Er is een gezellig sociaal circuit ontstaan van indus trië len, bankiers en fondsbeheerders die in het culturele leven in een vooraanstaande positie zitten omdat hun instellingen geld geven aan culturele bestemmingen. In ruil daarvoor geven de overheid en de culturele professionals hen, al of niet terecht, de indruk dat zij hun inzichten bitter nodig hebben bij het beleid, bestuur en beheer van hun instellingen en dat hun prominente aanwezigheid bij aller lei manifestaties eveneens zeer op prijs wordt gesteld.

Daarmee is niets mis, zolang dit eigenaardige systeem maar veel geld voor cultuur oplevert. Het moet flink veel zijn. Anders is het de moeite van al die investeringen in vriendschap en respect – of het veinzen daarvan – niet waard en zitten de vermogende bobo’s in feite voor een dubbeltje op de eerste rang.

Wie binnen dit systeem het quid pro quo onvoldoende in acht neemt, is in elk geval verkeerd bezig. De beste sponsor die ik tijdens mijn werk bij het Rijksmuseum heb leren kennen, stelde als enige voorwaarde dat ik minstens één keer per jaar het hele personeel van zijn onderneming in het museum zou ontvangen, van de werksters tot de topmanagers. De meest indrukwekkende sponsor was KPN, dat de renovatie van de Zuidvleugel van het Rijksmuseum financieel mogelijk maakte. Als markering liet men Wim T. Schippers een vlaggetje in de garderobe aanbrengen, dat zo minuscuul was dat de Zuidvleugel enkele jaren later moeiteloos Philipsvleugel kon gaan heten.

Toch is echt mecenaat iets anders. Dat mecenaat gaat over mensen die met hun eigen geld iets doen. Een voorbeeld. Het Rijksmuseum kreeg eens bezoek van een deftige broer en zuster van in de zeventig. Zij wilden een schilderij van Averkamp aan het museum schenken. Nu wilde het toeval dat het museum al een Averkamp had, die groter en mooier was dan het ijsgezicht dat ons zo genereus werd aangeboden. Omdat het bijna honderd procent zeker was dat deze Averkamp nooit «op zaal zou hangen», weigerde ik de gift onder dankzegging en verwees de goede gevers naar Zwolle, waar Averkamp vandaan komt, maar waar geen Averkamp hing.

Enkele jaren later word ik gebeld door een notaris, die informeert of ik stevig in mijn stoel zit. Hij vraagt of ik een miljoenengift in één keer wil ontvangen of in porties van vier. Op mijn vraag aan wie het museum dank is verschuldigd, antwoordt hij dat het niet de bedoeling was de naam van de goede gever te kennen. Het was een mevrouw en ze had alleen gezegd dat ze nog nooit een museumdirecteur had ontmoet die geen Averkamp wilde accepteren. «Maar», had ze eraan toegevoegd, «tegen veel geld zal hij vast geen bezwaar hebben.» Na de dood van haar broer had zij het grootste deel van de erfenis voor het museum bestemd. Bedanken mocht niet. Toen de chauffeur van het museum vervolgens bij haar langs ging met een bloemetje reageerde ze: «Dat is helemaal niet de bedoeling, maar het is toch wel aardig.»

Dit nu is Nederlands mecenaat. Het is een sprekend voorbeeld van in stilte geven. Daaraan heeft menige culturele instelling in de loop der jaren onnoemelijk veel te danken gehad.

Hoe mooi en voornaam in stilte geven ook moge zijn, er is een probleem. Anoniem geven levert geen goed voorbeeld op om te volgen. Wie in het Rijksmuseum de statige trap bestijgt, ziet daar wat publiek geven vroeger uitstraalde. Op een groot raam zijn de wapens en de namen gebrandschilderd van vrijwel alle families die er vroeger in Nederland echt toe deden. Die families gaven allemaal aan het museum. Anders stond je er niet bij en telde je dus niet mee. Ruw geschat bestaat ongeveer tachtig procent van de collecties van het Rijksmuseum uit giften.

Die tijden zijn voorbij. Maar het is toch aardig om te bedenken dat pas na de Tweede Wereldoorlog de rol van de overheid in de cultuur zo dominant en onmisbaar is geworden als die nu is. En het kan ook geen kwaad om je te realiseren dat het individuele geven toeneemt naarmate de goede voorbeelden toenemen. Daarom moeten mecenassen in ons land uit de anonimiteit treden. Daarom is het fantastisch dat de huidige fundraisers voor het Stedelijk Museum in Amsterdam begonnen zijn met zelf flink te geven. Want daarmee voorkomen ze de volkomen terechte vraag: «En wat doe jij zelf eigenlijk?» Het optreden van dit comité voor het Stedelijk Museum is een belangrijke doorbraak in de huidige opvattingen over het mecenaat in Nederland.

Er is namelijk alle aanleiding om in dit tijdsgewricht de maatschappelijke betekenis van het mecenaat opnieuw aan de orde te stellen. We worden geconfronteerd met wat in de media wordt beschreven als «grove zelfverrijking». Overal speuren journalisten naar topmanagers wier enige doel schijnt te zijn hun bedrijven leeg te zuigen ten eigen bate. Nergens is de verontwaardiging over dit soort roofdieren zo uitbundig als in Nederland. Die wordt ook veroorzaakt doordat «nieuw geld», zoals dat heet, zich in Nederland onvoldoende maatschappelijk legitimeert door publieke generositeit, zodat het beeld van onversneden hebzucht op geen enkele manier wordt gecorrigeerd.

Het is dan ook nuttig om de effecten van het mecenaat op dit punt (het zoeken van maatschappelijke legitimatie door «nieuw geld») in de Verenigde Staten nader te bestuderen – hoewel ik tegelijkertijd hoop dat al dat vergelijken met het systeem in de Verenigde Staten eindelijk eens ophoudt. Net als bij de universiteit, waar de amerikanitis ook heeft toegeslagen, slaat het werkelijk nergens op. De voortdurende fixatie op wat er in de VS gebeurt, belet ons de eigen mogelijkheden van het mecenaat in ons land te onderkennen.

Want het gaat goed met het mecenaat in Nederland. Er zijn meer grote schenkers. Er zijn ook stichters van plaatsen waar het van belang is beeldende kunst te zien. Denk aan Beelden aan Zee, aan het Frisia Museum en aan Kasteel Wijlre. Denk aan al die fondsen op naam van het Prins Bernhard Cultuurfonds, aan de endowment funds van sommige musea. Denk aan financiering van grote projecten als de Hermitage aan de Amstel in Amsterdam.

Er is veel om dankbaar voor te zijn. Maar oppassen is nadrukkelijk geboden, namelijk voor de manier waarop deze gunstige ontwikkeling door de overheden kan worden geperci pieerd. Zogauw ergens een mecenas opstaat, begint er altijd wel een bestuurder of politicus vergenoegd over de «terugtredende overheid». Minder geld voor cultuur dus. Iedere sponsor en mecenas waar ik ooit mee te maken heb gehad, was maar voor één ding beducht: dat zijn schenking zou betekenen dat het museum door de overheid min of meer evenredig zou worden gekort. Alles best, maar niet via een omweg nog meer belasting betalen.

Met die uitspraak kunnen politici en bestuurders het oneens zijn, maar hun terugtreden uit de culturele sector zou onherroepelijk betekenen dat we de ontwikkeling van het mecenaat in Nederland kunnen vergeten. De indrukwekkende dichtheid aan culturele voorzieningen en de kwaliteit ervan kan alleen bestaan dankzij een besef van verantwoordelijkheid voor cultuur bij de overheid. De meeste van die voorzieningen komen bovendien niet of nauwelijks voor particuliere steun in aanmerking, al is er vaak meer interesse dan men denkt.

Er is nog een probleem. Een mecenas ontstaat binnen een bepaald maatschappelijk klimaat. In de meeste landen kan men fatsoenlijk «dank je wel» zeggen. In Nederland kunnen we niet publiekelijk dankbaar zijn. Hier en daar krijgt een mecenas wel eens een lintje of een museummedaille.

Ik vroeg eens heel voorzichtig aan een bevriende journalist of hij misschien enige positieve aandacht wilde besteden aan de schenker van een belangrijke collectie aan een Nederlands museum. «Je wilt zeggen dat ik moet gaan hielenlikken», was het antwoord. Die houding is een geweldig probleem, want als het gaat om het creëren van een maatschappelijke voorbeeldfunctie van een mecenas, dan hebben we journalisten nodig om die functie mogelijk te maken. Meestal worden schenkers in de media doodgezwegen. Maar als over ze wordt gesproken of geschreven, dan is het meestal met de ondertoon van: «Ja, hij kan het doen», of: «Daar heeft hij natuurlijk een geheime bedoeling mee», of: «Nu maakt hij zich ook al van de cultuur meester», of: «Die wil er zeker graag bij horen.» Het is bijna altijd smalend en insinuerend.

Dankbaar zijn is echt iets anders dan vleien en hielenlikken. Omdat we zo lang aan de borst van Moedertje Staat hebben gelegen, zijn we niet alleen de deugd van de vrijgevigheid ontwend geraakt, maar weten we ook niet meer hoe we moeten reageren als zij ons overkomt.

De belangrijkste belemmering voor de ontwikkeling van het mecenaat in Nederland is dan ook dat er onvoldoende politieke en publieke erkenning is van wat een mecenas aan ons culturele bestel bijdraagt en kan bijdragen. Zolang we niet behoorlijk «dank je wel» kunnen zeggen, zal het wat betreft het mecenaat in Nederland blijven bij slechts enkele moedige en overgemotiveerde goede gevers.