Leren door schoonheid

‘Way finding’, zo noemt professor en vormgever Paul Mijksenaar (56) het vormgeven van visuele informatie. ‘Het is moeilijk genieten van de esthetiek van een gebouw als de wc onvindbaar blijkt.’

INMIDDELS HEEFT Paul Mijksenaar heel Nederland bewegwijzerd en voorzien van pijlen en icoontjes. Als enige in Nederland, de ANWB uitgezonderd, houdt de Amsterdamse vormgever zich al dertig jaar bezig met ‘instructiematerie’. Daarnaast is Mijksenaar hoogleraar aan de Technische Universiteit in Delft, waar hij vormgeving van visuele informatie doceert. En met collega Piet Westendorp is hij auteur van het onlangs verschenen Open Here: The Art of Instructional Design, een kleurrijke selectie uit de collectie van 20.000 instructies van zijn Delftse verzameling, voorzien van meer dan ironisch commentaar.
'Die instructies gebruik ik om iets uit te leggen’, legt Mijksenaar uit. 'De openbare ruimte verwerkt dagelijks een grote stroom mensen. Daarin moet je mensen de weg wijzen. Eerst zag ik dat als bordje ophangen en hup, klaar. Maar de laatste jaren raak ik steeds meer gefascineerd door de vraag hoe mensen hun weg vinden in hun omgeving. Way finding is daarom een beter begrip dan wegwijzen.’ Volgens Mijksenaar wordt er te weinig vanuit de gebruiker gedacht. 'Dat zie je bijvoorbeeld bij verzekeringen. Ga maar eens praten met iemand die gescheiden is. Die moet tot het eind van zijn leven allerlei gegevens over de ex-partner invullen. Voor gebouwen gaat dat precies zo. Een gebouw begint vanaf de grond. Daar moet je elke keer opnieuw het wiel bij uitvinden. Met alle gevolgen van dien. Een groot deel van de producten wordt verkeerd begrepen. Als ik zie dat iemand iets niet goed doet, dan vind ik dat irritant en wil ik het verbeteren. Uitleggen dus. Ja, ik heb wel iets van een schoolmeester. In New York vindt mijn opdrachtgever mij ook veel te scholarly. “Stop lecturing”, zegt hij dan. Ik heb het van mijn vader, hij was voorlichter van de gemeente Amsterdam.
De moderne architectuur, met haar voorliefde voor statements, wil de toiletten vaak wegstoppen, terwijl die op een voor de hand liggende plek zouden moeten komen. Architecten zien gebouwen graag als statement. De functionaliteit is zeer vaag. Of het nou bungalows of eigen huizen zijn, ze moeten allemaal een statement hebben, een imago naar de buren toe. Moderne architectuur en functionaliteit sluiten elkaar volledig uit, helaas.’
VORIGE WEEK KREGEN de architecten Crouwel en Benthum de prestigieuze BNA-architectuurprijs - de BNA-kubus - voor hun degelijke en functionele ontwerpen. Mijksenaar sneert: 'Het is een prijs van architecten aan zichzelf, net als bij die reclamejongens. Maar toch. Je ziet een soort Nieuwe Functionaliteit oprukken. Dat iets mooi en goed is ontworpen, spreekt zo vanzelf; daar hoor je niemand meer over. De term design is bijna verworden tot anachronisme. Functionaliteit, ja, dat is een issue. Functionele vormgeving krijgt steeds meer een poot aan de grond.’
De stations van de Nederlandse Spoorwegen, de metro in Rotterdam en Amsterdam, maar ook ziekenhuizen en 'typografische aanwijzingen’ voor diverse dagbladen - waaronder Trouw - kan Mijksenaar op zijn conto schrijven.
Hij is als permanent adviseur verbonden aan Schiphol, maar steekt inmiddels regelmatig de oceaan over. Op de drie vliegvelden van New York - La Guardia, Newark en John F. Kennedy - zijn de klachten over zoekgeraakte gates en dito taxistandplaatsen onbehandelbaar geworden. Twintig terminals wachten om bewegwijzerklaar te worden gemaakt.
Mijksenaar: 'Op Amerikaanse luchthavens zie je dat alles ondergeschikt wordt gemaakt aan het ontwerp van de architect. Bewegwijzering wordt daarom zo onopvallend mogelijk gehouden, bijvoorbeeld grijs met witte letters, of zelfs grote witte cijfers op een witte achtergrond. Borden mochten niet worden opgehangen. Dat zou visueel de aandacht maar afleiden van de lijn van het gebouw. Serieus. Verder was er een enorme verloedering van de luchthavens. Dat konden ze zich heel lang veroorloven. Mensen kropen desnoods naar New York. Maar nu begint iedereen het te merken: JFK wordt omzeild. Bovendien zien alle twintig terminals er anders uit. Dat levert een hoop verwarring op. Daarom zijn wij ingehuurd, om alles te standaardiseren en de problemen weg te werken.’
Uit marktonderzoek in de Verenigde Staten blijkt dat vijfentwintig procent van de ondervraagden opmerkingen heeft over het niet kunnen vinden van de gate of de taxistandplaats. Dat is erg veel, aldus de hoogleraar. 'Ik reis graag en ik erger me blauw aan dat soort fouten. Eigenlijk geneer ik me dat ik dit überhaupt moet uitleggen. Er komen heel veel mensen naar ons toe met een probleem. Niet alleen JFK, maar ook ziekenhuizen. Overal waar publiek samenstroomt is het raak.’
De Amsterdamse ontwerper wil een gebouw optimaal gebruiken. 'Tja, zuinigheid. Het is vooral leuk om iets zo goed mogelijk te gebruiken. Ik hou van een gecomprimeerd informatiesysteem. Ik codeer informatie, ik catalogiseer, waardoor anderen ook weer zelf een combinatie kunnen maken, door zelf te bedenken wat belangrijk is. Het is niet zozeer zuinigheid als wel de zoektocht naar het Zwitserse zakmes. Vroeger had je een boormachine waarmee je de heg kon knippen, schoenen kon poetsen en kon figuurzagen, maar dat idee is helemaal verlaten. Jammer. Uiteindelijk ben je op zoek naar het ultieme apparaat. Het liefst één waar ik tegen kan praten. Het is een zoektocht, maar alles is een utopie. Ik wil wat meer in de huid van de mensen kruipen, ik ben nog iets te oppervlakkig bezig met de concrete verschijningsvorm. Ik moet nog meer begrijpen van de mens en hoe hij dingen gebruikt.’
De relatie tussen architectuur en vormgeving laat Mijksenaar niet los. 'Ik ben altijd bezig met hoe anderen vormen ontwerpen en gebruiken. Dat vind ik ook heel romantisch: je ziet in de verte iets verschijnen en dat wil je gaan ontdekken. Zo ben ik altijd op weg naar iets wat leuker is. Ik heb behoefte aan duidelijkheid, aan controle. Natuurlijk betreft het een schijnduidelijkheid. Ik heb wel vijf ordners vol met instructies van apparatuur die ik heb gebruikt. Daar leer ik van. Je moet wel lol hebben in je probleem. Het moet leuk zijn, dat helpt het leed te dragen.
Architecten hebben het voordeel dat ze tweeduizend jaar ervaring hebben; ze hebben belangrijker werk dan ik, ze krijgen in elk geval meer respect. De architect heeft ook altijd het laatste woord. Dat mag wat mij betreft zo blijven. Ik los liever problemen op. Aan uitleg heeft het mij altijd ontbroken. Tekenen kon ik wel, maar leren vond ik moeilijk. De mulo heb ik met moeite gehaald. Ik kon pas iets opnemen als ik begreep waar het voor was, als ik de toepasbaarheid ervan begreep. Maar niemand legde mij ooit uit waar het voor was. Dus dat leverde woede en frustratie op. Muziekles, bijvoorbeeld, was een ramp.
Op het Montessori-lyceum waar ik toen op zat waren de lessen erg gericht op kennis. Pas toen ik negentien was, leerde ik echt van muziek te houden. Iemand liet me er de schoonheid van zien. Niet zozeer door kennis als wel door schoonheid leer je. Je moet schoonheid toegankelijk maken. Dat geldt voor taal, muziek en literatuur. Maar voor gebouwen is het net zo. Door de toegankelijkheid te vergroten, komt de schoonheid van een gebouw pas echt tot zijn recht. IJdel? Het zal best, maar ik kan het niet laten. Omstreden? Ach, in een gebouw moet men zich prettig voelen. Dat hangt er in grote mate van af of je de wc kunt vinden.’