Anarchie voor een betere wereld

Leren hoe je democratie doet

De Occupy-beweging kent geen hiërarchie en prefereert ‘directe actie’ boven het stellen van eisen - beginselen die de anarchist en antropoloog David Graeber al jaren verkondigt. Niet toevallig is Graeber inspirator van de voornamelijk jeugdige beweging.

‘ANARCHIE!’ brulde de jonge vrouw naast me in Zuccotti Park, New York. Met haar houthakkersblouse boven een donkere skinny jeans en hooggehakte laarzen leek de naar schatting twintigjarige blondine zo uit een Dolce & Gabbana-reclame weggelopen. 'Anarchie!’ riep ze nog eens.
Het was haar reactie op de eerste woorden van vakbondsman Kevin Harrington, die begin oktober de Algemene Vergadering van Occupy Wall Street toesprak om zijn steun aan die beweging te verklaren. Met hem waren enkele honderden vakbondsleden naar het plein gekomen, om zich voor een later die dag te houden protestmars tegen politiegeweld bij de Occupiers aan te sluiten. Nadat hij zichzelf als 'vice-president van de Transport Workers Union’ aan de Algemene Vergadering had geïntroduceerd, al niet erg bon ton bij de nadrukkelijk egalitaire Occupiers, had Harrington het bestaan om alle aanwezigen te verzoeken om op de grond te gaan zitten, opdat 'ook de mensen achter in het park me kunnen horen’ - duidelijk niet op de hoogte van het gebruik binnen Occupy Wall Street van de menselijke microfoon, de human mike (de woorden van een spreker worden door omstanders in koor herhaald en aldus versterkt).
Met een grijns op het gezicht, alsof ze het allemaal niet zo bedoeld had, ging uiteindelijk ook de Dolce & Gabbana-anarchiste zitten. Maar ze had het wel degelijk gemeend: 'What the fuck?’ zei ze tegen me. 'Wie denkt die vent wel niet dat hij is? Niemand vertelt hier de mensen om te gaan zitten. This is bullshit.’

OP 2 AUGUSTUS van dit jaar organiseerde de groepering New Yorkers Against Budget Cuts een Algemene Vergadering in Bowling Green, het park in het uiterste zuidpuntje van Manhattan waar ook het beroemde beeld van de briesende stier staat - dat subtiele symbool voor Wall Street. De bijeenkomst was in navolging van de oproep van het Canadese anticonsumentismeblad AdBusters om Wall Street te bezetten. Een groepje activisten van de progressieve kunstenaarssociëteit 16Beaver had over de vergadering gehoord en besloot te gaan kijken. Onder hen bevond zich ook de anarchist David Graeber, net vanwege het begin van zijn sabbatical teruggekeerd uit Londen, waar hij hoogleraar antropologie is aan Goldsmiths University.
Een Algemene Vergadering, of GA ('General Assembly’), betekent iets heel specifieks en bijzonders voor een anarchist. In zekere zin is de GA zelfs het centrale concept van het hedendaagse anarchistische activisme, zoals dat sinds de 'acties voor globale rechtvaardigheid’ rond de millenniumwisseling (anarchisten hebben het nooit over 'protesten tegen globalisering’ of 'antiglobalisering’) vorm heeft gekregen. Hoe dan ook, een GA is een groepsdiscussie waarin men door middel van consensus beslissingen neemt; iedereen moet het met de beslissing eens zijn. Het is ondenkbaar dat de stemmen van een paar leiders of een meerderheid bepalend zijn - andere koek dus dan bijvoorbeeld het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden of de Nederlandse Tweede Kamer. Onopgeloste kwesties worden verwezen naar ter plekke opgerichte werkgroepen, maar uiteindelijk moet iedereen met het eindresultaat instemmen. Dit is - uiteraard - een hardnekkig proces, dat gepaard gaat met een specifieke gebarentaal: handtekens voor onder meer bijval, bezwaar of oppositie komen in de plaats van burgerlijke gebruiken als applaudisseren of vocaal interrumperen.
Graeber en zijn vrienden arriveerden dan ook met grote verwachtingen in Bowling Green. Wat ze daar aantroffen, beviel echter slecht, zo vertelde Graeber begin november aan de online publicatie Mayinville: 'Dit was helemaal geen algemene vergadering. De AdBusters-oproep om Wall Street te bezetten bleek te zijn opgepikt door een traditionele protestorganisatie, compleet met megafoons, podia en vlaggen. Dit waren wat wij in activistische kringen “verticalen” noemen - met leiders die demonstranten toespreken en orders geven, waarna ze met voorgekauwde leuzen een protestmars wilden houden.’
Wat volgde was een klassieke botsing tussen 'verticalen’ en 'horizontalen’, zo vervolgde Graeber in het gesprek met Mayinville. 'We waren boos. En we bedachten: waarom beginnen we niet zelf een GA? De meeste mensen om ons heen zagen er meer uit als horizontalen dan als verticalen. Ik bedoel, ze waren jong en leken net als wij naar de bijeenkomst te zijn gekomen met andere verwachtingen.’
Graeber en zijn vrienden verplaatsten zich naar een ander deel van het park en begonnen hun eigen GA. 'De leiders op het podium begonnen ons terug te roepen, maar wij wonnen de strijd: de verticale bijeenkomst werd opgedoekt en iedereen schoof aan bij onze vergadering. Oké, zeiden we, nu gaan we een echt democratische, horizontale beweging beginnen. En dat is wat uiteindelijk uitmondde in Occupy Wall Street.’
De keuzes die daarop zouden volgen, waren allemaal 'horizontaal’ en dienen nog altijd als een soort ongeschreven leidraad voor de Occupy-beweging: bijvoorbeeld de beslissing om geen leiders te kiezen, zelfs geen woordvoerders, en geen eisen te formuleren. Of de dagelijks gehouden GA’s en werkgroepbijeenkomsten.
Voor Graeber werd de daaropvolgende periode, tot aan de daadwerkelijke bezetting van Zuccotti Park op 17 september, één langgerekte vergadering c.q. werkgroep c.q. training. 'Veel activisten waren tussen de 17 en 22. Geweldige lui, maar ze hadden nooit contact gehad met de oudere generatie activisten en hadden geen idee hoe je’ - hier schakelt Graeber over op activistenjargon - 'facilitatie en consensus doet, hoe je affiniteitsgroepen opzet en burgerlijke ongehoorzaamheid plant.’
Graebers voornaamste rol werd die van liaison: 'Ik faciliteerde vergaderingen en vond mensen bereid om juridische en medische trainingen te geven. Zo leerden de jongelui hoe je “democratie doet” - op de manier zoals anarchisten, feministen en andere horizontalen zich dat in de afgelopen dertig jaar hebben aangeleerd.’

DE VIJFTIGJARIGE David Graeber is een veteraan van de grootste linkse protesten van het afgelopen decennium. Hij was erbij in Quebec City (2001, Free Trade Area of the Americas), Genua (2001, G8), de Republikeinse Conventies in Philadelphia (2000) en New York (2004) en het World Economic Forum in New York (2002) - protesten die steevast tot gewelddadige politieacties leidden. Maar hij is ook een gerespecteerd academicus, volgens menigeen in zijn vakgebied zelfs een van de briljantste antropologen van zijn generatie. Hij doceerde van 1998 tot 2005 op Yale, alwaar hij zoals hij zelf vermoedt geen contractverlenging kreeg vanwege zijn politieke activisme. Na een jaar betaald verlof verruilde hij Yale voor het Engelse Goldsmiths.
Zijn liefde voor de antropologie kwam voort uit zijn 'belangstelling voor menselijke mogelijkheden’, zo vertelde hij in 2006 in een interview met Charlie Rose op de publieke zender PBS. 'Antropologie is de enige discipline die echt probeert te onderzoeken wat werkelijk mogelijk is in politiek, economisch en sociaal opzicht. Er is dan ook altijd een zekere affiniteit geweest tussen antropologie en anarchisme, omdat antropologen weten dat een maatschappij zonder staat mogelijk is: er zijn voorbeelden uit het verleden en heden die prima werken.’
Zelf kwam Graeber tot die conclusie toen hij eind jaren tachtig een half jaar in Madagascar woonde, vanwege zijn promotieonderzoek naar de relatie tussen magie, slavernij en politiek in dat land. 'Er zijn op deze wereld duizenden plaatsen zonder functionerende staat waarvan we dat niet weten, juist omdat het zo goed werkt’, zei Graeber tegen Rose. 'Dat ontdekte ik in Madagascar: de staat bemoeide zich al lang niet meer met grote delen van het platteland, maar niemand was zo onnozel om hard te gaan roepen: ha, nu zijn we onafhankelijk! Iedereen ging gewoon zijn gang en deed alsof er zoiets als een staat was.’
Dat de overheid in feite gestopt was te functioneren in delen van Madagascar ontdekte Graeber voor het eerst toen een man in een naburig dorp zijn zuster had geslagen. 'De dorpelingen belegden een fokon'olona, een lokale vergadering die met consensus werkt. Die besloot de man een bekentenis te laten ondertekenen, die vervolgens bij het politiebureau werd ingediend, in de wetenschap dat de politie toch niets uit eigen beweging zou ondernemen. Mocht er in de toekomst echt iets ernstigs met de zuster gebeuren, dan had de man in ieder geval alvast bekend.’
Graeber had zijn ervaringen in Madagascar echter niet nodig om anarchist te worden: dat was hij al vanaf zijn zestiende. Hij groeide op in een links-intellectueel arbeidersgezin in New York. Zijn moeder was kleermaakster (en kortstondig Broadway-ster vanwege haar hoofdrol in een door de International Ladies’ Garment Workers’ Union geproduceerde musical), zijn vader werkte in een drukkerij. Als jongeman had vader Graeber nog gevochten in de Spaanse Burgeroorlog en meegemaakt dat de Republikeinse coalitie, die tevens bestond uit anarchisten, Barcelona controleerde. 'De meeste mensen denken dat anarchisme gekkenwerk is’, zei Graeber tegen Rose. 'Zonder gevangenissen, politie en hiërarchische structuren zou iedereen elkaar maar vermoorden, nietwaar? Ik was echter opgevoed vanuit het idee dat anarchisme niet krankzinnig was. Mijn vader had immers gezien dat het kan werken.’
Mensen voelen zich wel degelijk aangetrokken tot het idee van anarchisme, vervolgde Graeber. 'Veel mensen lijkt het fijn om in een vrije maatschappij te leven waar mensen hun zaakjes zelf regelen, zonder een systematische structuur die je continu regels oplegt. Ze kunnen zich alleen niet voorstellen dat het ooit zou gebeuren.’
Tegenwoordig denken de meeste mensen bij anarchisme vooral aan de protestacties van de laatste tien jaar. Graeber: 'Ik heb een probleem met het woord protesteren: dat is alsof je al verloren hebt. Anarchisten prefereren directe actie boven protest, omdat directe actie impliceert dat je weigert de legitimiteit van machtsstructuren te erkennen - of zelfs maar de noodzakelijkheid daarvan. Directe actie is je gedragen alsof je al vrij bent.’
Als klassiek voorbeeld van directe actie haalde Graeber 'de waterbron’ aan. 'Er is een stad waar het water is geprivatiseerd en de burgemeester zit in de zak van het waterbedrijf dat het water heeft gemonopoliseerd. Als je daartegen demonstreert bij de burgemeesterswoning, dan is dat protest. Blokkeer je de toegang tot die woning, dan is dat burgerlijke ongehoorzaamheid. Bij directe actie doe je iets heel anders: je graaft gewoon je eigen waterput, want dat is wat je in een vrije samenleving zou doen als je geen water hebt.’
De Occupy Wall Street-beweging brengt directe actie regelmatig in praktijk. Omdat Occupiers moeilijk letterlijk Wall Street kunnen bezetten, simpelweg omdat de politie dit voorkomt en de activisten zweren bij geweldloosheid, gebruiken ze andere middelen. Zo gebruiken Occupiers en masse de website moveyourmoney.org, die het mensen makkelijk maakt om hun bankzaken weg te halen bij de grote nationale banken en ze onder te brengen bij lokale, coöperatieve banken of kredietunies. En Occupy Our Homes maakt leegstaande, door de bank in bezit genomen huizen bewoonbaar voor daklozen.
Het stellen van complete eisen is daarentegen geen directe actie, vindt Graeber. 'Aan wie stel je die eisen? Wij zeggen dat dit helemaal geen democratisch systeem is: het is compleet in handen van Big Money’, zei hij in Mayinville. 'Je kunt niets eisen van een systeem dat je niet legitiem acht, want daarmee erken je het.’

ZO UITEENLOPEND als de grieven van de Occupy Wall Street-activisten ook lijken, je zou ze onder drie noemers kunnen scharen: inkomensongelijkheid, de invloed van geld in de politiek en 'schuld’ - creditcardschulden, studieleningen, hypotheken en vooral het verschil tussen de wijze waarop de schulden van grote bedrijven en die van gewone mensen worden behandeld. Het fenomeen schuld is tevens het onderwerp van Graebers meest recente boek, Debt: The First Five Thousand Years, dat in juli is uitgekomen. Het is een geschiedenis van de opkomst van geld en financiële markten, waarin Graeber de ambivalente houding ten opzichte van schuld door de eeuwen heen onderzoekt. Dan weer is schuld een verplichting, dan een zonde, een aanjager van economische groei, een handig middel om het volk te onderdrukken.
Een van Graebers verklaringen voor de macht die schulden hebben over mensen is dat niemand precies weet wat schuld echt is. 'Schuld is de perversie van een belofte’, zei Graeber onlangs hierover in een interview met de White Review, een Engelse publicatie over kunst, cultuur en politiek. 'De belofte om een zeker geldbedrag binnen een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden te betalen. Het is een overeenkomst waarvan de navolging met de dreiging van geweld kan worden afgedwongen.’ En daar wringt de schoen: 'Het probleem is dat we dergelijke gewelddadige daden als de essentie van moraliteit zijn gaan beschouwen.’
Schuld, schrijft Graeber, perverteert het natuurlijke instinct van mensen om elkaar te helpen. Een concreet, hedendaags voorbeeld daarvan is de sheriff die - uiteraard onder dreiging van geweld - mensen uit huis komt zetten omdat ze hun hypotheek te lang niet hebben afbetaald. 'Dat is een directe aanval op het idee van gemeenschap, maar het is ook een aanval op de toezeggingen die we elkaar doen via het medium overheid’, zei Graeber. 'Waarom heeft de belofte van een politicus aan zijn kiezers - bijvoorbeeld om gratis onderwijs te bieden - minder waarde dan de belofte die een politicus doet aan een bankier? Dat lijkt krankzinnig, maar tegenwoordig is het simpelweg een gegeven.’
Extra verontrustend is dat tegenwoordig bijna elke Amerikaan wel schulden heeft, zo waarschuwde Graeber onlangs in het PBS-programma Need to Know. 'De meeste mensen hebben banen die ze niet zouden hebben als ze geen schulden hadden. Ze verkopen zichzelf niet, maar verhuren zich. Ik betwijfel echter of Aristoteles dat onderscheid zou maken. Sterker, ik denk dat de meesten van ons in de ogen van mensen uit de Oudheid slaven zijn.’

VOLGENS ADAM SMITH, en dit is wat de meeste leerlingen nog altijd op school leren, verliep het eerste economische verkeer tussen mensen door middel van ruilhandel. Zeven kippen voor een varken. Omdat dit toch wel onhandig was, begon men op een gegeven moment producten te waarderen in grootheden als zilver en koper: geld. Dit verhaal is echter nooit door enig antropologisch onderzoek bevestigd, stelt Graeber in zijn boek. Mensen ruilen helemaal niet in maatschappijen zonder geld (tenzij ze te maken hebben met vreemden of met vijanden). Mensen blijken eerder dingen simpelweg aan elkaar te geven, ontdekte Graeber - soms als teken van respect, soms in de hoop er later iets voor terug te krijgen, soms gewoon als gift. Geld kwam niet voort uit Smith’s menselijke drang om te ruilen, maar was een uitvinding van oude staten als Egypte en Mesopotamië, die op manieren zinden om eenvoudig belastingen te innen en eigendommen te waarderen.
Dit is geen gekissebis over geschiedenis, zo maakt Graeber duidelijk. Het maakt uit hoe geld tot stand kwam. Geld verandert immers verplichtingen en verantwoordelijkheden - wat natuurlijk sociale grootheden zijn - in schuld, en schuld is louter financieel. Als we de sociale herkomst van schuld begrijpen, stelt Graeber, zijn we wellicht meer bereid om schulden te heronderhandelen wanneer zich nieuwe omstandigheden voordoen. Daartoe waren we in het Westen in ieder geval wel bereid toen de grote banken in 2008 in problemen kwamen. Waarom zouden we nu niet hetzelfde doen voor Amerikanen die hun creditcard, hypotheek of studielening niet meer kunnen terugbetalen?
Het zijn argumenten die we ongetwijfeld nog veel gaan horen van Occupy Our Homes en Occupy Student Debt.


David Graeber, Debt: The First Five Thousand Years, Melville House, 544 blz., $ 32.-. Momenteel werkt Graeber aan een boek over de Occupy Wall Street-beweging en haar relatie tot de beginselen van directe actie en participatoire democratie