Leren leren

De vierdaagse lesweek. Zitten blijven met een zes. Het onderwijs in Nederland zit in de wurggreep van de beheerders en met de week verslechtert( de kwaliteit. Jan Drentje opent de aanval.

IN HUN HART wisten de directeuren van grote scholengemeenschappen altijd al dat met het zittende personeel weinig te beginnen was. Een beetje docent trok zich in het verleden niet veel van de directie aan. De docent was verantwoordelijk voor het onderwijs in zijn vak, de directeur voor de randvoorwaarden. Daarom hadden de directeuren dringend behoefte aan een nieuwe visie op het leraarschap: waar haalde die man of vrouw voor de klas de pretentie vandaan om zichzelf als uniek medium van kennisoverdracht pal voor het bord op te stellen. Er werd een rapport geschreven over het gedroomde koninkrijk van die vakman die zo'n veertig jaar in een adembenemend isolement de vlag van de kennisoverdracht moest zien hoog te houden. Kon die kennisoverdracht niet beter door computerprogramma’s worden overgenomen, zou de docent niet een begeleider van leerprocessen moeten worden, konden de mondige nieuwe generaties niet beter zelf leren leren? De arbeidsmarkt vraagt immers niet veel meer dan flexibele werknemers die zich, niet gehinderd door te veel kennis, snel op nieuwe problemen kunnen inwerken. De werkomgeving van de toekomst zal net zo snel veranderen als de opleidingen verouderen. Daarmee lijkt het docentenprobleem een kwestie van afvloeiing. De lesprogramma’s worden herschreven in kerndoelen, modulair versnipperd in zelftoetsbare onderdelen die in grote mate zelfstandig in een studiehuis verwerkt kunnen worden. Voor het schrijven en updaten hiervan is een beperkt aantal hoogwaardige specialisten nodig. Voor de uitvoering en begeleiding ervan kan worden volstaan met onderwijsbegeleiders die, wat hun rechtspositie betreft, gelijkgesteld kunnen worden aan zoals dat in jargon heet, het onderwijsbeheerspersoneel. Het dreigende docententekort is daarmee een kwestie van definitie geworden. Een leerling-controlsystem zal ervoor moeten zorgen dat de studieprestaties tijdig in kaart worden gebracht, zodat bijsturen en eventueel schakelen naar een ander niveau mogelijk is, wat tevens een vorm van rendementsbewaking is waar de school ‘op wordt afgerekend’. ONDER HET MOM van historisch noodzakelijk geachte veranderingen vindt een geestdodende verambtelijking en standaardisering van het onderwijs plaats. De efficiency-operatie in het onderwijs van de laatste tien jaar heeft niet alleen de beheerssystematiek veranderd, maar heeft ook het onderwijs zelf in zijn fundamenten aangetast. De gesel van het kwantificeren, het denken in termen van doelmatigheid en resultaat, heeft ertoe geleid dat het onderwijs is gebureaucratiseerd en de docent verambtelijkt. Het beroep ambtenaar spreekt jongeren nog steeds niet tot de verbeelding. De lerarenopleidingen kampen met een gapend tekort aan aanmeldingen, vitale studenten mijden in de regel het bordkrijt. De status van het leraarschap is niet alleen bij buitenstaanders laag, maar ook in de ogen van leerlingen is de docent een beklagenswaardige figuur die in het kennisonvriendelijke onderwijsklimaat weinig meer kan doen dan het lesboek met veel bezigheidsopdrachten afwerken. Het is dankzij de oudere cohorten dat het onderwijs nog zijn herkenbare aanzien heeft. Nu binnenkort de massale uitstroom van deze goed opgeleide docenten begint, zal met hen niet alleen de vergrijzing uit het onderwijs verdwijnen. Met hun vertrek komt ook een einde aan het laatste restje, op gedegen vakmanschap gebaseerde gevoel van eigenwaarde van het docentencorps, dat naar het zich laat aanzien overwegend door onbevoegden zal worden aangevuld. De onderwijsvernieling kan dan probleemloos worden doorgevoerd. Retoriek onttrekt de aandacht aan de werkelijkheid. Voor zover de werkelijkheid benaderbaar is, moeten vooral eerst de feiten in ogenschouw genomen worden. Uit de lawine van meestal onleesbare rapporten over het onderwijs valt - dankzij de OESO - eenvoudig te destilleren dat de Nederlandse leraar in vergelijking met zijn collega vlak over de grens relatief slecht betaald wordt, gemiddeld meer uren voor de klas staat waar meer leerlingen in zitten dan goed is voor iedereen. Terwijl er jaren achtereen is bezuinigd, gaf Nederland relatief minder uit aan algemeen vormend onderwijs aan jongeren dan Frankrijk, Duitsland of Engeland. Dit feit werd in de politieke discussie verzwegen. Bovendien is uit vergelijkend onderzoek van de onderwijskundige Sarah Blom gebleken dat het Franse - in kringen van onderwijsvernieuwers doorgaans voor elitair gehouden - onderwijs aan jongeren van twaalf tot zestien jaar uit achterstandsmilieus meer mogelijkheden tot doorstroming heeft geboden dan in Nederland met de hele santenkraam van heilige huisjes van de onderwijsvernieling, van de Mammoetwet tot en met de basisvorming, is gepresteerd. Op deze schokkende conclusie van Bloms proefschrift heeft het ministerie wijselijk niet officieel gereageerd. Het Franse succes was onder andere te danken aan de handhaving van een duidelijke intellectuele standaard voor alle niveaus. De intellectuele maat mag in Nederland echter niemand genomen worden. Universitaire maatstaven worden uitgedrukt in termen van studielast en studeerbaarheid, waarbij ieder tentamen in een aantal punten - een punt is een ambtelijke werkweek - wordt uitgedrukt. De intellectuele vorming, de ontwikkeling van een universitaire habitus is reeds lang tot een anachronisme gedegradeerd. Het ideaal van Bildung - dat toch tot enorme wetenschappelijke en culturele prestaties heeft geleid - wordt nog slechts als een romantisch overblijfsel uit een voorbije tijd gezien, waarin de hoogleraar en zijn studenten globaal uit dezelfde maatschappelijke laag afkomstig waren. Het huidige massaonderwijs dwingt tot functionaliteit, waardoor de onderwijsambiance die van een hamburgertent is geworden: voorspelbare menu’s in een mum van tijd verstrekt door altijd vriendelijk personeel, zonder al te veel smaak te verorberen, met als resultaat - voor wie nog kan proeven - een vaag gevoel van onheil in de maag. VOOR HET GEMAK nuanceer ik bovenstaande typering maar eens niet. Dat doen de onderwijsvernieuwers met hun beweringen meestal ook niet. Zij kunnen bijvoorbeeld straffeloos beweren dat klassikaal onderwijs een inefficiënte vorm van kennisoverdracht is, zonder daar een spoor van bewijs voor te leveren. Hogere onderwijskunde zou de lezer bovendien maar vermoeien. De lezer weet zelf immers ook wel dat er nog steeds veel mooie studies verschijnen en dat in alle faculteiten genoeg talent aanwezig is om een rijk wetenschappelijk leven mogelijk te maken. Waar het hier om gaat, is dat die rijkdom in toenemende mate in een maatschappelijk isolement zal komen te verkeren als de functionalisering van het onderwijs aan de massa zich definitief heeft voltrokken. Die functionalisering houdt gelijke tred met de economisering van het sociale en politieke leven. Waar politiek leven staat of valt met de mogelijkheid van een intellectueel onafhankelijk oordeel waarbij argumenten van verschillende aard en orde gewogen kunnen worden, is een eenzijdig door het economische denken bepaald discours op den duur gedoemd dit oordeelsvermogen aan te tasten en retorisch te maken. De calculerende, speculerende burger en de dito politicus hebben hinder van een teveel aan denken. Gemakshalve kiezen zij in de op zichzelf steeds complexer wordende samenleving voor de eenvoudige oplossing van het voorzienbare rendement. Zij laten de oplossingen van problemen die zij liever niet aan hun hoofd hebben, over aan de markt. Zie het onlangs geopperde idee van de vierdaagse lesweek en de poging van het Marnix College in Ede om scholieren met zessen voor kernvakken toch te laten zitten. De onderwijsmarkt moet het (sloop)werk doen. Overigens gaat achter de begrippen markt en deregulering ook in het onderwijs het fijnmazige web van het poldermodel schuil, dat in de scholen zelf meestal tot een enorme toename van regels en voorschriften heeft geleid. Ook de beleden vrijheid van onderwijs is een retorische illusie. De uitdijende stafbureaus van de grote onderwijscomplexen zijn kleine Zoetermeers geworden. In Zoetermeer zelf blijkt overigens - de krant is een ongeëvenaarde bron - meer dan de helft van de ambtenaren dringend naar een andere baan uit te zien, buiten het onderwijs wel te verstaan. Gelukkig kan studie tot begrip van op het oog chaotische verschijnselen leiden. De nog niet zo lang geleden overleden Tsjechische antropoloog Ernest Gellner heeft in zijn studie van de ontwikkeling van moderne geïndustrialiseerde nationale staten, Naties en nationalisme, laten zien hoe het traditionele onderwijs in het algehele proces van schaalvergroting wordt gemangeld. De economische noodzaak van een flexibele, breed inzetbare beroepsbevolking maakt standaardisering en daardoor nationalisering van onderwijsprogramma’s noodzakelijk. De creatie van een Europese economische ruimte zal mutatis mutandi tot Europese scholingsprogramma’s leiden, omdat niet alleen de Europese stekkerdoos een uniforme maat moet hebben, maar ook de kwalificatie tandarts in iedere regio de zekerheid van een deugdelijk gerepareerd gebit moet bieden. In dit proces van uniformering van de onderwijsinhoud verdwijnt de ambachtelijke status van de leraar als vakman. De suggestie is dat zijn kennis eventueel op floppydisc kan worden aangeleverd. Gellner constateerde scherp dat vanouds de relatie tussen leraar en leerling gebaseerd was op een persoonlijke overdracht van een op kennis en vaardigheden gebaseerde habitus die de leerling zich eigen moest maken om lid te kunnen worden van het gilde. In het universitair promotieritueel krijgt dit bij wijze van komedie op niveau nog steeds gestalte. Het gildesysteem werd onder andere gekenmerkt door exclusiviteit, die gewaarborgd werd door het hanteren van hoge standaarden. Zolang de leraar nog - al was het maar symbolisch - lid is van een gilde van vaklieden, kan hij de uitoefening van zijn vak tegenover de bureaucraten met succes verdedigen. Hij is voor de overdracht ervan immers onmisbaar. In het verleden stelde de directeur van de school zich om die reden in de regel bescheiden op tegenover de vaksecties die de school inhoudelijk vorm gaven. Die vaksecties ontleenden als het goed was hun eigenwaarde aan de band die zij onderhielden met de wetenschap. Gepromoveerde docenten waren geen uitzondering. Twee onlangs gepromoveerde leraren Nederlands merkten in een interview in NRC Handelsblad op dat als tijdens functioneringsgesprekken het onderwerp scholing ter sprake kwam hun wetenschappelijke arbeid niet meetelde. Alleen de vergroting van didactische vaardigheden had de belangstelling. Bijscholing van docenten mag in het huidige onderwijs zelden de verdieping van de kennis van het vak als doel hebben. HET UITGANGSPUNT van zelfstandig leren leren dat aan het concept van het studiehuis in de tweede fase van het voortgezet onderwijs ten grondslag ligt, geeft uitdrukking aan een van de hoogste onderwijsdoelstellingen. Zelfstandig studeren vraagt om een actieve houding en de ontwikkeling en vormgeving van eigen interesses. Het welslagen van het studiehuis zou daarom een breuk met de gebruikelijke consumptieve, passieve, schoolse benadering van het leren kunnen betekenen. Dit ambitieuze vernieuwingsproject kan dan ook alleen slagen als er voldoende bezielende leraren zijn die de taaie weerstand bij de meeste leerlingen tegen een actieve studiehouding moeten zien te overwinnen. Het studiehuis zou tot een ware onderwijsrenaissance kunnen leiden als docenten meer tijd voor persoonlijke begeleiding zouden krijgen. In de functionalistische praktijk van het huidige massaonderwijs komt het er echter helaas op neer, dat docenten te veel leerlingen aan het werk moeten zien te houden in wat al snel veredelde huiswerkklassen zijn. Waar ouders de kinderen thuis moeilijk achter het bureau krijgen, mogen docenten als studieoppas proberen de meute aan het werk te houden. Op de grote scholengemeenschappen vraagt vooral de administratieve verwerking van de liefst als supermarkten opgezette open leercentra de aandacht. In plaats van vaklieden die hun pupillen begeleiden bij het afleggen van de meesterproef, treedt een gilde van onderwijsadministrateurs aan die druk doende is de zaak beheersmatig vlekkeloos te laten verlopen. Aangezien het individuele proces van het leren leren te veel tijd en aandacht vraagt, worden in de praktijk al snel gestandaardiseerde 'leren leren’-programma’s ontwikkeld, zodat zonder al te veel problemen toch nog het diploma van economische inzetbaarheid behaald kan worden. Voor een individueel leerproces was echter geen tijd; er was geen geletterd mens aanwezig. Daarvoor ontbrak het de beleidsmakers en onderwijsmanagers aan geld en onderwijzersgeweten. Misschien is de pendant van Francis Fukuyama’s The End of History and the Last Man het einde van het onderwijs en de laatste leraar. De laatste leraar staat met zijn petje op in een stadion wat onhandig te demonstreren voor een extra centje en een lesuurtje minder. Daar zouden we dan vrolijk van moeten worden, blij als we zijn dat de pretentie van het onderwijs als cultuurdrager tot het ideologische verleden behoort. Nu de muur van de ideologie gevallen is, worden ook de muren van het klaslokaal afgebroken en vervangen door multifunctionele schuifwanden. De nieuwe leerling leert gemakshalve vooral vaardigheden. Welk boek hij leest is niet van belang, het gaat erom dat hij aantoont een boek te kunnen lezen, of gelet op het massale gebruik van uittreksels op Internet: welk boek hij zou hebben kunnen lezen. Dat lijkt ons in het huidige tijdsgewricht in de meeste gevallen voldoende en wel zo gezellig. Het hanteren van intellectuele standaarden past niet in het huidige tijdsgewricht, waarin ouders en kinderen het overwegend prima naar hun zin hebben. IN REACTIE OP uitwassen van de jeugdcultuur pleiten politici echter nog wel eens voor een herstel van onderwijs in normen en waarden, het aanscherpen van de standaarden. Terwijl het economische, kwantitatieve denken het onderwijsbeleid bepaalt, moet datzelfde onderwijs dan de oude paarden van de moraal en levenskwaliteit van stal halen. Tot welk digitaal circusnummer dat moet leiden wordt nooit duidelijk gemaakt. Op zijn best worden korte modules 'omgangsvormen’ geschreven, waarin de mooie liberale waarden van vrijheid, verdraagzaamheid en gemeenschapszin worden uitgelegd en afgesloten met een absolverende zelftoets. Het onderwijs in de houdgreep van het kwantitatieve denken kan alleen de consumptiecultuur reproduceren en geen bron zijn van de ontwikkeling van beschaving voor nieuwe generaties, op wier veelzijdige humane vermogens in de nabije toekomst een groot beroep gedaan zal worden. Die humane vermogens zijn zoals altijd ruim voorrradig. Kennisdorst en leeshonger kunnen nog steeds ontstaan. Veel leerlingen zijn bereid veel tijd in werkstukken en leesverslagen te steken als hun ziel maar wordt geraakt. Bezielend onderwijs vraagt om vitale leraren die zichzelf kunnen respecteren als degenen die verantwoordelijk zijn voor het leren leren van hun pupillen. Het onderwijs dient daarom bevrijd te worden uit de wurggreep van de beheerders.