Leren leren

Op mijn werk nam een hoge dame afscheid. Ze kreeg een symposium plus boekje over ‘Een leven lang leren’ aangeboden. Omdat ik in dat laatste een bijdrage had geschreven, kreeg ik een uitnodiging voor de bijeenkomst, waar verder slechts boven mij gestelden waren.

Het was in ‘de Lutherse Kerk’ en omdat ik noch in lutherse, noch in semi-wetenschappelijke kringen thuis ben, fietste ik braaf naar de ronde Lutherse, welks koperen koepel, vernieuwd na brand, een prachtig studieobject voor schilder en fotograaf moet zijn vanwege de langzame kleurverandering door oxydatie: elk half jaar vastleggen, zou ik als beeldend onbegaafde zeggen. De deuren hermetisch gesloten. Mijn vergeefs duwen wekte daverend gelach bij een jongeman die in een deplorabel automobiel dat hij tegen het gebouw had geparkeerd, bezig was een flinke portie bewustzijnsverruiming in elkaar te knutselen. Dubbele pret dus.
Beduidend te laat, maar prettig gestemd door een prachtig tochtje langs het Singel in lentetooi, arriveerde ik in 'de Oude Lutherse Kerk’, die aula van de Universiteit is. Geanimeerd pauzeerde men en toen ik besmuikt een plak cake, zoals men die ook bij crematies serveert, pakte, vroeg m'n directe chef de hoeveelste dat was. Tussen ons zit het namelijk wel goed.
Daarop discussie over niet-aanhoorde inleidingen. Maar voorzitster Rita Kohnstamm stelde aardige, relativerende vragen. Zoals of 'leren leren’ (kindje van 'een leven lang leren’), dat nieuwe alpha en omega in onderwijsland, het vergaren van kennis verbood omdat kennis per definitie snel verouderd zou zijn. In mijn bijdrage, die me zonder twijfel gevraagd was vanwege mijn functie als hofnar-annex-dorpsgek, had ik gesteld dat 'een leven lang leren’ mij niet zozeer de verlangde vreugdevolle opwinding alswel een dodelijke vermoeidheid bezorgde - dus kritische vragen dienaangaande gaan er bij mij in zoals Gods woord in een ouderling.
So far, so good. Volgde een vrolijk intermezzo in de persoon van bard Joop Visser. Nooit eerder live aanhoord en -schouwd en dus kolkten weemoed en verwarring door me heen over de metamorfose van die Leidse kakker, die ons jongbejaarden ooit verblijdde met z'n Eendje, z'n ei en Susan, in een volkse en weerbarstige criticaster van macht en gezag. Bizar was het in dat grijsgerokte en -gepakte kadergezelschap uitgerekend dat kader gekritiseerd en geridiculiseerd te horen worden - tot grote vreugde van alweer dat kader. En ik bedacht in welke merkwaardige, verdoezelende en toch ook vriendelijke cultuur wij leven, waarin autoriteiten en -tjes gieren vanwege het schandpaaltje waaraan ze worden genageld. Maar Joop zou Jaap niet zijn als hij niet de liefde in het spel had gebracht en ons tot meezingen had verlokt over 'Marianne met haar mooie ogen, Marianne met haar mooie haar’. Natuurlijk durfde het sopranenkader eerder en meer dan tenoren en bassen. Maar uiteindelijk zongen we toch, op die weekse aprilmiddag, het refrein, tussendoor van Joop vernemend dat alles wat ze over Marianne zeiden gelogen was - en hij kon het weten want hij deed het met haar. Ook dat was een generatie geleden geen onderwerp bij een waardig afscheid in hoge kring.
En verder bedacht ik hoe vreemd het is dat de televisie niet een wekelijks half uur kent over onderwijs en de veranderingen daarin. Belangrijk genoeg, dunkt me.