Schrijven is misschien toch een vak

Leren schrappen

Het Nederlands schrijfonderwijs lijkt volwassen te gaan worden. Met dank aan het grote voorbeeld Amerika, waar ‘creative writing’ aan de universiteit verrassend goede schrijvers voortbrengt.

TIEN JAAR GELEDEN trok Louis Stiller, hoofdredacteur van Schrijven Magazine, ten strijde tegen wat hij een ‘loodzware lobby’ noemde van mensen die menen dat je schrijven niet kunt leren. 'Nergens ter wereld vind je een culturele elite die laatdunkerder doet over schrijfonderwijs’, vond hij. Stiller wees daarbij naar critici als Elsbeth Etty en Jeroen Vullings die openlijk hun scepsis uitten. Aanleiding was het op de schop gaan van schrijversvakschool ’t Colofon, waar vanaf 1984 amateurschrijvers werden begeleid door minder wantrouwige vaklui als Thomas Rosenboom en Helga Ruebsamen. De Raad voor Cultuur besloot in 2001 de subsidie in te trekken met de redenering dat het viel te betwijfelen of de school de kwaliteit van de Nederlandse letteren wezenlijk beïnvloedde.
Inmiddels is er iets veranderd. ’t Colofon is succesvol opgevolgd door Schrijversvakschool Amsterdam, die concurrentie geniet van talloze particuliere schrijfopleidingen, workshops, masterclasses en debutantencursussen door het hele land. Bij literair agent Paul Sebes kun je je zelfs, als je eenmaal een manuscript hebt klaarliggen, voor een schamele vijftienhonderd euro een lang weekend intensief laten onderwijzen op een idyllische locatie in Noord-Italië. Bovendien bekostigt de overheid sinds jaren twee officiële hbo-programma’s die in vier jaar opleiden tot schrijver. Aan de Amsterdamse Rietveld Academie is dat de opleiding woord en beeld en aan de Hogeschool voor de kunsten in Utrecht de bachelor writing for performance. De laatste richt zich vooralsnog alleen op dramaschrijven, maar volgens directeur Don Duyns wordt er ook gedacht over een richting proza. Daarnaast beoogt de Arnhemse kunstacademie Artez 'onderzoekende’ schrijvers af te leveren die vooral ook openstaan voor allerlei nieuwe (digitale) tekstvormen en werkt schrijver, recensent en ervaren schrijfdocent Arie Storm ondertussen aan de Amsterdamse Vrije Universiteit in alle rust aan een vak creative writing, een beetje in de geest van Amerika, waar aan elke zichzelf respecterende instelling schrijfles wordt gegeven door grootheden.
De argwaan waar Stiller het tien jaar geleden over had, lijkt af te nemen. Hoewel de meeste mensen het erover eens zijn dat aanleg een eerste vereiste is, is de vraag of je schrijven kunt leren volgens een groeiende groep schrijfdocenten achterhaald. 'Talent is te ontwikkelen’, zegt bijvoorbeeld Thomas Verbogt, die al jaren lesgeeft op verschillende opleidingen. Daar valt wel degelijk veel te leren, vindt hij, 'en dan heb ik het over het ambachtelijke, over de technische aspecten, dialoog, ritme, structuur enzovoort’. Ook Ton Rozeman, schrijver, docent en alumnus van de Schrijversvakschool, heeft het liever over de aard van het schrijfonderwijs dan over het nut ervan: 'Wat natuurlijk telt is ook het resultaat. Er zijn schrijvers waar we gewoon niet meer omheen kunnen die wel van een opleiding komen.’ Rozeman zelf is een van die schrijvers en de lijst met succesverhalen groeit (zie kader).
Het is nog wat vroeg om te zeggen wat dit alles zou kunnen betekenen voor onze literaire cultuur. Duidelijk is wel dat er behoefte bestaat aan nieuwe manieren van talentontwikkeling. Volgens Frank Tazelaar, oprichter van de nieuwe opleiding in Arnhem, zou dat wel eens te maken kunnen hebben met het langzaam verdwijnen van het literaire tijdschrift, van oudsher een belangrijke kweekvijver. In het snel veranderende landschap zoeken uitgevers naar passende nieuwe selectiemethoden en verdienmodellen. Ook relevant is de toenemende noodzaak voor jonge debutanten om zichzelf slim in de markt te zetten. Behalve dat hij dient te weten hoe hij zich op borrels gedraagt, wordt de debutant tegenwoordig ook vaak geacht over marketingtechnische vaardigheden te beschikken. Inzicht in het promotiebudget van de uitgever bijvoorbeeld, en kennis over welke redacteur hem tot de grootste hoogten zal brengen. Artez is van plan om, net als de HKU, een belangrijk deel van het programma te wijden aan dit 'cultureel ondernemerschap’, een term die jaren geleden werd gesmeed door staatssecretaris Rick van der Ploeg in een poging kunstsubsidiëring terug te dringen.
Hoewel er op de verschillende scholen uiteenlopend werk wordt geproduceerd valt er toch een tendens te ontdekken in het soort literatuur dat onderwezen schrijvers bijdragen. Opvallend is bijvoorbeeld dat alle succesgevallen, op Hermine Landvreugd na, hun prozadebuut maakten met korte verhalen. In een stukje met de titel 'Het korte verhaal in opkomst’ maakte de Volkskrant een aantal jaar geleden een kleine opsomming van veelbelovende korte-verhalenschrijvers. Allen - maar dat werd niet gemeld - waren afkomstig van een schrijfopleiding.
Hier dringt de vergelijking zich op met de Verenigde Staten. Daar oefent de academische creative writing-cultuur al decennia een onmiskenbare invloed uit op het schrijfklimaat. In het veelbesproken boek The Program Era dat vorig jaar verscheen, traceert UCLA-professor en New York Times-criticus Mark McGurl de ontstaansgeschiedenis van de verwantschap tussen de academie en de boekenwereld. Hij laat zijn verhaal beginnen in 1926, met de organisatie van de eerste, en tot vandaag meest prestigieuze schrijfconferentie in de VS, The Breadloaf Writer’s Conference, lang de plek van Robert Frost, waar jaarlijks tweehonderd gelukkigen samenkomen op een landgoed in Vermont voor tien dagen van lezingen, lessen en netwerkborrels. Als andere mijlpaal noemt McGurl de lancering van de Iowa Writer’s Workshop, nog steeds de meest gerenommeerde schrijfschool ter wereld, die in 1941 de eerste MFA (vergelijkbaar met een universitaire master) uitreikte en sindsdien zestien Pulitzer Prize-winnaars voortbracht. Tot de docenten behoorden onder anderen Richard Yates, Philip Roth, John Irving en Kurt Vonnegut.
Het Amerikaanse creative writing-model neemt een vlucht na de Tweede Wereldoorlog, schrijft McGurl. Hij gaat zelfs zo ver die ontwikkeling te bestempelen als 'the most important event in postwar American literary history’. Een hoofdrol in zijn betoog is weggelegd voor Raymond Carver, die verantwoordelijk wordt geacht voor de herleving van het Amerikaanse korte verhaal in de jaren tachtig en vaak fungeert als boegbeeld van de writing-workshop vanwege zijn bruikbaarheid als voorbeeld. Een veelgehoorde stelling is dan ook dat het workshopsysteem vooral stimuleert tot het schrijven van korte verhalen. De rijke naoorlogse traditie in short story (met grote hedendaagse vertegenwoordigers als David Foster Wallace, Dave Eggers en A.M. Homes) is daar volgens McGurl een resultaat van.
De vorm van het korte verhaal leent zich ook gewoon goed voor schrijfonderwijs, zegt Ton Rozeman die zich als schrijver en liefhebber van korte verhalen en oprichter van het online platform shortstory.nu opwerpt als onofficiële ambassadeur. Korte verhalen zijn in groepen makkelijker werkbaar en bij uitstek geschikt voor experimenteren, vindt hij: 'Je kunt veel makkelijker het roer omgooien als er iets verkeerd gaat.’ Sanneke van Hassel, door Rozeman graag als voorbeeld aangehaald voor zijn studenten, gaf in een interview al eens te kennen geïnspireerd te zijn door het klassieke Amerikaanse korte verhaal zoals dat van Carver. Van Hassel maakt zich dan ook net als Rozeman sterk voor de promotie van het genre in Nederland. Binnenkort organiseert ze voor de tweede keer het festival Hotel van Hassel in De Balie, volledig gewijd aan het korte verhaal.
Dat ons schrijfonderwijs trekken vertoont van een Amerikaans exportproduct was overigens al langer zichtbaar. Los van de vraag of ze bruikbaar zijn of niet zijn klassieke workshop-oneliners als 'kill your darlings’, 'show, don’t tell’ en 'writing is re-writing’ ook bij ons vaak gehoorde deviezen. Toch zijn er belangrijke verschillen. Van intimiteit tussen de academische literatuurbeschouwing en de fictiepraktijk is in Nederland vooralsnog geen sprake. De VU lijkt daar met het aannemen van Arie Storm, het instellen van een gastschrijverschap (momenteel Ronald Giphart) en het studieonderdeel schrijvershuis, waarbij studenten bij schrijvers op de koffie gaan, langzaam wat verandering in te willen brengen. Maar aan de UvA, waar wel gesproken is over een eventueel programma creative writing, was de opinie dat zoiets niet academisch genoeg is. Dat zegt Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschap, die daarover destijds meediscussieerde. 'Je kunt best een cursus geven voor een paar punten, maar een bul uitreiken, dat is toch meer iets voor een hbo of hobbyisten.’
In Verbogts afwijzing van een te academisch schrijven weerklinkt een veelgehoord argument tegen schrijfonderwijs, namelijk dat het een monotone literatuur zou voortbrengen: eenheidsworst waarin je te goed de rigide Amerikaanse focus of craft (het toverwoord van de writing workshop) en de vastgeroeste schrijfcredo’s kunt teruglezen. Gevreesd wordt wel dat een te literatuurwetenschappelijke aanpak ten koste zou gaan van creativiteit. Te veel brein, te weinig middenrif. Vooralsnog centreert de nieuwe lescultuur zich dan ook nog rond kunstacademies, die in Nederland minder hechte banden hebben met universiteiten. Artez wil daar overigens wel verandering in brengen. Studenten in de bachelor zullen ook literatuurtheoretische vakken moeten gaan volgen aan de Universiteit van Nijmegen. In de VS zie je echter ook, weet Rozeman uit een gesprek met Tobias Wolff, dat bij verschillende opleidingen wel degelijk verschillende stijlen te herkennen zijn. Voor eenheidsworst vreest hij dus niet echt. Ook in Nederland beginnen zich volgens hem de contouren van verschillende scholen af te tekenen.

ANGST dat een groeiend aantal opleidingen de markt zal overspoelen met nog meer hongerige schrijvers leeft ook al niet zo. Meer onderwijs betekent namelijk niet in de laatste plaats meer werk voor schrijvers. Bovendien onderschrijven de meeste docenten het idee dat ze niet alleen auteurs opleiden maar ook lezers. Voor het universitaire programma dat Arie Storm voor ogen heeft is dat zelfs een van de eerste vereisten: 'In Nederland debuteren soms nog schrijvers die zeggen: ik heb nog nooit een boek gelezen. Dat vind ik heel raar.’ Ook Rozeman meent dat scholen helpen bij het creëren van een nieuw lezerspubliek: 'Lang niet iedereen komt natuurlijk zelf met werk uiteindelijk.’ Hij ziet daarentegen wel dat de overgrote meerderheid van zijn studenten tijdens hun opleiding een nieuwe liefde ontwikkelt voor het korte verhaal. Daarmee vormen ze dus meteen een nieuwe markt. Met de groei van het lessysteem zullen schrijvers dan ook misschien wel meer en meer schrijven voor andere schrijvers. De recente bevinding van Lisa Kuitert dat het aantal amateurschrijvers toeneemt, sluit daarbij aan. Het zou haar niet verbazen als momenteel een miljoen Nederlanders een manuscript in een bureaula heeft liggen. In Amerika sprak een criticus onlangs al de wat hysterische voorspelling uit dat de toekomstige schrijver een missionaris zal zijn die er op uit is om van iedereen een schrijver te maken.
Zo ver zijn we hier nog niet. Het hardnekkige romantische beeld van de auteur als eenzaam genie mag dan langzaam verdwijnen, maar aan de uit de kluiten gewassen lescultuur van de VS kunnen we ons geenszins meten. Of we dat moeten willen is ook nog maar de vraag. Want, over romantiek gesproken, tegen de groene, strak gemaaide gazonnen, de pompeuze campussen en de Dead Poets Societies van de Amerikaanse academie en haar writer’s workshop, steekt alleen al het wat houterige woord Schrijversvakschool veelzeggend polderachtig af.


Succesverhalen
Het idee dat de schrijver het moet hebben van goddelijke inspiratie, rode wijn en zolderkamermelancholie begon definitief terrein te verliezen bij het verschijnen van de debuutbundel IJsregen van Sanneke van Hassel in 2005. Het boek werd bejubeld en positief vergeleken met eerder verschenen werk van Ton Rozeman en Vincent Overeem, net als Van Hassel succesvolle producten van een schrijversvakschool. Al veel eerder, in 1993, had ’t Colofon Hermine Landvreugd voortgebracht en van de HKU debuteerde in 2000 Esther Gerritsen als prozaschrijver. Aan diezelfde school studeerde ook Elke Geurts af, wier succesvolle debuut in 2008 verscheen. Het meest recente glorieverhaal is dat van Maartje Wortel, studente van de Rietveld, die vorig jaar de Anton Wachterprijs won voor haar boek Dit is jouw huis.