Een Aldi-economie is niet de oplossing

Leren van Duitsland

Nederland verkeert in crisis, maar ten oosten van de landsgrenzen gloort hoop. De oplossing volgens steeds meer beleidsmakers: we moeten Duitser worden. Maar wat houdt dat in?

Verdienen kappers in Duitsland nou vijf euro per uur, of vier euro? Het was een merkwaardige competitie die de afgelopen jaren werd uitgevochten in de Duitse media. De voorlopige ‘winnaars’ komen uit het Oost-Duitse Saksen: daar schijnen op sommige plaatsen haren geknipt te worden tegen een uurloon van 3,06 euro.

De stormachtige opkomst van zulke hongerlonen is het gevolg van de hervormingen van de arbeidsmarkt die Duitsland in het afgelopen decennium heeft doorgevoerd. In het kader van zijn ‘Agenda 2010’ sneed de rood-groene regering van bondskanselier Gerhard Schröder fors in de sociale zekerheid. Ook werd ruim baan gemaakt voor nieuwe, flexibele contractvormen. De afwezigheid van een wettelijk minimumloon deed de rest.

Na jaren van stagnatie moest Duitsland goedkoper worden en internationaal concurrerender. Dat eerste lukte. Mede door de krachtige toename van ‘Mini-’ en ‘Ein-Euro-Jobs’ is Duitsland het enige euroland waar de afgelopen tien jaar de loonkosten daalden, met zes procent. Ter vergelijking: in Nederland werd arbeid in diezelfde periode bijna twaalf procent duurder. Toch is het netto resultaat van de hele operatie twijfelachtig. De werkloosheid is met een slordige zeven procent nog altijd hoog. Onder­tussen zijn maar liefst 1,2 miljoen Duitsers minder dan vijf euro per uur gaan verdienen. Vooral in de dienstensector staan de tarieven zwaar onder druk. Dan gaat het niet alleen om de Saksische kappers. Ook bakkers, horecapersoneel, schoonmakers, verloskundigen en beveiligers kunnen nauwelijks meer rondkomen van hun loon.

Het groeiende leger werkende armen stelt Duitsland niet alleen voor een sociaal probleem van jewelste. Het mist ook economisch gezien iedere logica. Als er immers één sector is waar internationale concurrentie geen rol speelt, is het de binnenlandse dienstverlening. Zou een klant die de Duitse kapper te duur vindt werkelijk naar China uitwijken voor een goedkope knipbeurt? Of omgekeerd: reizen Nederlanders af naar Saksen voor een nieuw kapsel? Niet dus. Het voornaamste gevolg van de kelderende lonen is dat een groeiende groep Duitsers nauwelijks iets te besteden heeft. Daar varen alleen de discounters wel bij.

Het trieste dieptepunt van de zo ontstane Aldi-economie was de opkomst van zogeheten ‘flatrate bordelen’. Naar het voorbeeld van mobiele telefoons en slechte sparerib-restaurants kan de klant daar voor een euro of zeventig zo veel seks hebben als hij wenst. ‘Kom zo vaak als je wilt!’ luidde de pakkende slogan van een van de clubs. Een andere uitbater pakte uit met speciale kortingen voor senioren.

Loondumping en discountprostitutie: het zijn niet de eerste beelden die Nederlanders op hun netvlies krijgen als ze aan Duitsland denken. De Duitse economie geldt sinds kort juist als lichtend voorbeeld. Het afgelopen jaar groeide ze met drie procent. Alsof er niet zoiets als een eurocrisis is. Zelfs voor 2012 wordt met een bescheiden plus gerekend. De zieke man van Europa is veranderd in de locomotief die het continent uit de misère moet trekken.

Wie heeft er geen oren naar zo’n ‘Wirtschaftswunder 2.0’? Journalisten en columnisten buitelen dan ook over elkaar heen in hun zoektocht naar de sleutel tot dit succes. ‘Hoe kan het dat Duitsland het beter doet?’ was de veelzeggende titel van een kader in het onlangs gepresenteerde Centraal Economisch Plan. En dnb-­president Klaas Knot waarschuwde afgelopen week dat de rentes die Nederland betaalt over zijn staatsschuld uit de pas beginnen te lopen met die van Duitsland. Wil ons land de aansluiting met de booming buren niet verliezen, dan moet de regering volgens hem nú fors bezuinigen.

Zo eensgezind als de loftrompet gestoken wordt over het Duitse ‘herstel XL’, zo verdeeld is Nederland over het geheim daarvan. De een houdt het op het actieve industriebeleid. Een ander legt de zwarte piet bij ons van overheidswege gestimuleerde pessimisme: waar de Duitse consument na vele magere jaren weer ietsje meer geld uitgeeft, daalt in Nederland het consumentenvertrouwen het hardst van heel Europa. Het Duitse model blijkt kortom een grabbelton. Je zou er met een beetje fantasie zelfs een argument uit kunnen halen tegen bezuinigingen op kunst en cultuur. Suggereert het Duitse succes niet op z’n minst een verband tussen economisch succes en de hoeveelheid subsidie op een kaartje voor de opera?

Toch is de dominante verklaring een andere. Van Duitsland leren? Dat betekent strikte begrotingsdiscipline, arbeid goedkoper maken en zo de internationale concurrentie weer aankunnen. Daarop mikken ook de nieuwe af­spraken rond de euro. Om uit de crisis te komen, zo heet het inmiddels in Europa, moeten we allemaal een beetje Duitser worden. Lees: meer werken voor minder geld.

Zoals de Saksische kappers, zou je eraan willen toevoegen. Maar die zijn dan weer opvallend afwezig in het Europese debat. De verklaring ligt voor de hand. Als het buitenland over de Duitse economie praat, dan gaat het zelden over de noodlijdende dienstensector. Dan wordt er gedoeld op de vier 125 meter hoge schoor­stenen die de skyline van Volkswagen-hoofdstad Wolfsburg domineren. Op deze en andere plekken rollen de luxe Audi’s, Mercedessen en bmw’s van de lopende band waarvan de opkomende Chinese middenklasse maar geen genoeg lijkt te krijgen. Samen met andere kennisintensieve sectoren, zoals de machinebouw en groene energie, vormt de autoindustrie het kloppend hart van de Duitse exporteconomie.

Het is dit succesverhaal dat de rest van Europa, Nederland voorop, hoopt te kopiëren. Maar hoe? Zal dat inderdaad lukken door de hervormingen van Schröders ‘Agenda 2010’ te kopiëren? Daar mogen de nodige vraagtekens bij worden geplaatst. Toegegeven, via handige constructies maken ook de Duitse autofabrikanten steeds vaker gebruik van goedkope uitzendkrachten en tijdelijke contracten. Maar door de bank genomen steunt de exportsector relatief weinig op wegwerparbeid. Integendeel: na afloop van het recordjaar 2011 trakteerde Volkswagen al haar bijna honderdduizend mede­werkers op een winstbonus van gemiddeld 7500 euro. De concurrentie volgde snel.

De Duitse concurrentiepositie hoeft van die geldregen nauwelijks schade te ondervinden. Weinig Chinezen zullen een bmw kopen omdat ze de prijs zo gunstig vinden. Precies daarin ligt het werkelijke geheim van Duitsland. De exportindustrie floreert niet door goedkoper te werken dan de concurrentie, maar door deze te slim af te zijn – letterlijk. Succesvolle bedrijven als Siemens leveren kennisintensieve producten die andere landen grotendeels niet kúnnen maken.

De Duitse economische groei is zo bezien eerder ontstaan ondanks dan dankzij de politici in Berlijn. De exporteconomie drijft op superieure kennis en technologie. Die kwaliteiten zijn mede te danken aan politieke keuzes gemaakt in een ver verleden. Maar het huidige beleid van loondumping draagt daar niet aan bij. Er valt zelfs veel voor te zeggen dat de hervormingen van de afgelopen jaren het tegenovergestelde stimuleren. De neerwaartse druk op de lonen leidt niet alleen tot armoede. Ze stimuleert ook domheid. En ze kost, via de achterdeur, alsnog geld.

Hoe dat in zijn werk gaat, is te zien op een willekeurige achterplaats in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Te midden van huurkazernes uit de jaren vijftig slopen twee mannen een oud fabriekspand. Overal liggen stenen, kapotte tegels en resten van houten kozijnen. Er wordt met de handen gewerkt. Waarom ook niet? Een bulldozer huren kost meer geld dan een paar ongeschoolde werknemers voor wie geen minimum­loon hoeft te worden betaald. Maar na een paar uur klinkt plotseling een luide schreeuw. De zwaarste van de twee mannen is door het dak gezakt dat hij zojuist met zijn sloophamer probeerde te vernielen. Zijn been is gebroken. Er komt een ambulance.

De volgende dag is het al weer een komen en gaan op de bouwplaats. Van een machine is nog altijd geen spoor te bekennen. In plaats daarvan heeft de overgebleven arbeider gezelschap gekregen van een tiental Oost-Europese collega’s. Ook hier geldt weer: waarom slim werken als het ook goedkoop kan? Een jongen, hij kan amper achttien jaar oud zijn, gaat met de botte kant van een zaag een betonnen muur te lijf.

Goedkoop blijkt duurkoop. Er hangt een prijskaartje aan de door het ‘Duitse model’ geïntroduceerde wegwerparbeid. Op de eerste plaats doordat lage lonen de koopkracht aantasten. Het gevolg is dat de Duitse economie extreem afhankelijk is geworden van de export. Juist voor Nederland zou dat weinig soelaas bieden. Het cpb concludeerde onlangs nog dat de huidige recessie vooral het gevolg is van de Nederlandse burger die de hand op de knip houdt.

Daarbovenop hebben de lagere loonkosten nog tot een heel andere, onvoorziene kostenpost geleid. De in het buitenland om haar efficiëntie bewonderde Duitse overheid is jaarlijks honderden miljoenen kwijt aan het subsidiëren van werkende armen. Dat zijn werknemers die niet rondkomen van hun schamele uurloon – de kappers en de schoonmakers dus. In 2009 waren bijna anderhalf miljoen Duitsers, ondanks een baan, aangewezen op een aanvullende uit­kering. Critici spreken niet zonder reden van een perverse premie op loondumping. Werk­gevers kunnen hun medewerkers een fooi geven. De overheid vult die vervolgens aan tot een sociaal minimum, zorgt voor het pensioen en betaalt soms ook nog de huur. Kind van de rekening is de Duitse belastingbetaler. En de kennis­economie. Want de overheid verstrekt in feite een subsidie op goedkoop, dus dom ­werken.

In Berlijn geven de Oost-Europese slopers het na een week ploeteren op. Er verschijnt alsnog een bulldozer op het terrein. De gevallen bouwvakker is tegen die tijd al lang weer uit het ziekenhuis. Met een beetje mazzel ontvangt hij een uitkering. Uiteraard niet op kosten van zijn onverantwoordelijke baas of opdrachtgever, maar van de samenleving.