#5: Werk

Leren voor roem en voor poen

Ter ere van het veertigjarig bestaan van Kinderen voor Kinderen nemen Feike Dietz en Laurens Ham elke maand een thema onder de loep uit de 522 KvK-liedjes. Deze maand: over werk, klassenstrijd en het dromen over beroemdheid.

‘Op het prikbord in de bibliotheek / hangt een briefje “vakantiewerk” / ‘t is voor zeven dagen in de week / je moet slim zijn maar ook sterk.’ Zo begint ‘Zilvermijn’ (1992), geschreven door Nits-voorman Henk Hofstede en één van de intrigerendste liedjes uit het Kinderen voor Kinderen-repertoire. Het gaat over een meisje dat ingaat op de vacature bij de juwelier, omdat ze verlangt naar blingbling en glamour: ‘Wat een mooie ring ring / ‘k zie alles dubbel / in de etalage van fluweel / wat een mooie broche broche’.

Maar in dat dubbel zien zit al de achterkant van alle pracht en praal besloten. Onder het pand van de juwelier ligt namelijk een zilvermijn, waar kinderen uren moeten hakken met een houweel bij het schamele licht van een olielamp. Als de koorleden de echoënde slotregel zingen (‘Wat een mooie ketting ketting ketting ketting…’) wordt pas echt duidelijk hoe vernuftig deze liedtekst in elkaar zit. De luisteraar wordt ertoe uitgedaagd ook alles ‘dubbel te zien’: wie een blinkende halsketting koopt, moet zich er eigenlijk van bewust zijn dat die tot stand is gekomen door de arbeid van mensen die aan een slavenketting zitten.

Wie de clip erbij bekijkt, ziet dit ook uitgebeeld: de koorkinderen zijn in een soort achttiende-eeuwse kledij gestoken – het moment in de wereldgeschiedenis waarop de wereldwijde handel in tot slaaf gemaakten naar een hoogtepunt groeide – en het kunsthoofd waarop de sieraden in de etalage worden afgebeeld lijkt gemodelleerd naar dat van een zwarte man. Overigens werd Hofstede bij het schrijven wellicht geïnspireerd door een krantenartikel dat liet zien dat kinderarbeid in de mijnwereld allerminst een historisch verschijnsel was: Het Parool berichtte eerder in 1992 over de kindarbeiders in zilvermijnen in Potosí, Bolivia.

‘Zilvermijn’ is één van de weinige KvK-liedjes die kinderen leert dat alles in de wereld het product is van werk. De wereld draait op arbeid en we moeten ons bewust zijn van de omstandigheden waaronder die arbeid tot stand komt, zo toont ‘Zilvermijn’: een statement waarmee Karl Marx het volledig eens zou zijn.

Een vergelijkbaar KvK-nummer is ‘De krantenbezorger’ (1986), dat luisteraars oproept om respect te hebben voor werk dat je gemakkelijk over het hoofd ziet: ‘Bedenkt u wel eens, als u weer die krant pakt van de mat / dat er óók zoiets bestaat als de bezorger van uw blad’. Wie elke dag door weer en wint zijn arbeid levert, verdient erkenning, en in december een mooie fooi.

Afgezien van deze voorbeelden lijkt arbeid op het eerste gezicht nauwelijks een rol in het KvK-repertoire te spelen. Dat is niet zo gek. Het programma startte in 1980, en juist in de jaren tachtig en negentig begon de aandacht voor fysieke arbeid sterk af te nemen in westerse samenlevingen. Terwijl er in de jaren zeventig ijzersterke vakbonden bestonden, ‘werkende jongeren’ veel invloed hadden en zware arbeid in havens en fabrieken op steun en bewondering kon rekenen, veranderde dat vanaf de jaren tachtig. De mijnen waren gesloten, de massale haven- en fabrieksstakingen van de jaren zeventig raakten vergeten, en Nederland vormde zich eerst tot dienstensamenleving om en vervolgens tot ‘kenniseconomie’.

Een typisch muzikaal jongereninitiatief uit een voorbij tijdperk (opgericht in 1973) was Werk in Uitvoering (die naam alleen al!), een ‘kritiese’ vormingstheatergroep voor jongeren. Het gezelschap besteedde veel aandacht aan werk en de effecten van werkloosheid op jonge mensen. Bij de platenmaatschappij waar deze groep een elpee uitgaf, Varagram, zat ook KvK, maar de kindergroep zou alleen zijdelings liedjes maken over werk en klassenverschillen.

Want als we iets dieper graven, is werk wel degelijk een terugkerend thema in KvK. Daarbij speelt de spanning tussen het glimmende oppervlak en de grauwere realiteit steeds een rol, zij het minder uitgesproken en kritisch dan in ‘Zilvermijn’. Zo zijn er heel wat liedjes waarin kinderen zingen over hun eigen toekomstige werkzame leven. Steeds kiezen ze daarbij voor flitsende beroepen die hun rijkdom, macht en aandacht zullen bezorgen. De kinderen willen uitvinder worden (‘Pieter Peen’, 1988) of ‘Astronaut’ (1988), in de voetsporen van Wubbo Ockels, die destijds populair was als presentator van het kinderwetenschapsprogramma Kijk TV (1987-1989).

Vooral over glansrijke muzikale carrières wordt opvallend vaak gezongen. Niet alleen in het Top 40-hitje ‘Meidengroep’ (1983), maar ook in bijvoorbeeld ‘Hij wil niet meer naar school’ (1996), ‘Leren voor idool’ (2003) of ‘Hollywood’ (2015) dromen kinderen ervan beroemd te zijn, te worden toegejuicht en veel geld te verdienen. Omdat het accent zo sterk ligt op geld en glamour, doen de toekomstdromen van de kinderen wat leeg aan. In een liedje als ‘Weet je wat ik worden wil?’ (1987) zingen de kinderen zelfs expliciet dat zij rijkdom en beroemdheid nastreven, maar dat ze ‘er niet te veel voor [willen] leren’: ‘Want ik hoef geen mooie titels, ik heb liever maar de poen.’

De loopbaanliedjes krijgen echter meer reliëf als we ze beluisteren tegen de achtergrond van andere nummers, namelijk die over de beroepen van de ouders. Tot ongeveer halverwege de jaren negentig heeft het programma vrij veel aandacht voor de sociaal-economische omstandigheden van ouders. Het valt op dat de ouders waarover gezongen wordt niet de hoogopgeleide en goud geld verdienende Nederlanders zijn die je misschien verwacht bij een project dat als Goois bekend staat. Eerder gaat het om eenvoudige middenstanders, die ook maar gewoon een woning huren.

In ‘Ik ben toch zeker Sinterklaas niet’ (1986) verzucht een kind over haar vader: ‘Hij heeft niet eens een eigen huis, laat staan een flatgebouw.’ De kinderen zingen over ouders die op de grote vaart zitten, boer zijn, clown, wijkagent of taxichauffeur; over moeders die barvrouw zijn of de moedermavo doen in de avonduren. (Een uitzondering is misschien ‘Hahaha je vader’ (1982), waarin vaders ook schoolhoofd en dominee zijn.)

De beroepen-van-ouders-liedjes gaan vooral over de problemen die kinderen ondervinden door het werkende leven van hun ouders: kinderen worden gepest met het beroep van pa of ma, moeten verhuizen vanwege het werk, of lijden erdoor onder een gebrek aan geld, tijd en aandacht. In ‘Vader zonder werk’ (niet toevallig in crisisjaar 1983 gemaakt) heeft een kind te kampen met een ouder die werkloos en slecht gehumeurd thuis zit. ‘’t Leven zal best moeilijk zijn voor grote mensen zonder werk’, schat de zangeres in, maar ‘ook voor kinderen met een vader zonder werk’. Deze liedjes schetsen, kortom, een weinig rooskleurig beeld van een burgerlijk middenklasseleven.

Met hun veel glamoureuzere loopbaanliedjes proberen de kinderen te ontsnappen uit die burgerlijke context waarin zij opgroeien en waarin hun doodnormale ouders met hun doorsnee-banen (of zelfs zonder baan) gevangen zitten. De kinderen zien voor zichzelf geen leven dat getekend wordt door geldgebrek en hard werken, maar een zorgeloze toekomst waarin het geld tegen de plinten klotst. Hun loopbaanliedjes gaan dan ook expliciet in verzet tegen de verwachtingen van ouders en omgeving.

In ‘Astronaut’ proberen ouders en meesters het kind wanhopig bij een gewoon beroep te houden – ‘Blijf toch met je beide benen op de grond’ – maar moeten de kinderen niet denken aan een toekomst als vrachtwagenchauffeur, belastinginspecteur of kaartjescontroleur. In ‘Meidengroep’ krijgen de meisjes gedonder met ouders, ooms en tantes, maar blijven zij volhouden dat een ‘vrij beroep’ hen veel liever is dan ‘kantoor’. In ‘Hij wil niet meer naar school’ en ‘Leren voor idool’ zetten de kinderen zich af tegen hun schoolwerk en de saaie schoolvakken waar zij niets aan hebben voor hun artiestenbestaan.

Het verzet is ook meer verborgen zichtbaar in de muzikale voorkeuren van de kinderen. Ze willen rapper worden of drummer – een instrumentkeuze in maar liefst drie liedjes – terwijl ze weten dat hun familieleden de voorkeur geven aan blokfluit. Veel KvK-liedjes schetsen dus een tegenstelling tussen truttige ouders en ambitieuze kinderen die lak hebben aan al die kleinburgerlijkheid. De kinderen willen de glitter van de halsketting, maar vooral niet de ketenen van de werkende burgerman of -vrouw.

Maar weten zij wel aan die ketenen te ontsnappen? Is het zingen in Kinderen voor Kinderen zélf niet gewoon een vorm van culturele arbeid, die voorsorteert op een succesvolle carrière in de creatieve industrie? In ‘Van Nederland tot Broadway’ (1993) komen de kinderen er rond voor uit dat zij KvK zien als een gouden ticket naar een toekomst als megaster: ‘Als ik wat ouder ben / word ik een zanger / en ik een zangeres / met heel de wereld aan mijn voeten.’

En is een bestaan in de spotlights vervolgens een garantie voor vrijheid, of eigenlijk opnieuw een keten die je maar beter van je af kunt schudden? ‘Een gouden koets’ (2002), gemaakt in het jaar van de bruiloft van Willem-Alexander en Máxima, lijkt dat laatste te beweren. Volgens dit lied is een koninklijk leven op het eerste gezicht een sprookje van roze wolken, gouden koetsen en mooie jurken, maar blijkt het uiteindelijk een fuik: ‘Is dat leven wel zo mooi? / Geef mij maar de vrijheid om te doen en laten wat ik wil […] met een zelfgekozen leuke baan.’ ‘Zilvermijn’ zei het al: als je langer kijkt naar dingen, zie je ‘alles dubbel’. En ‘als ik langer kijk dan word ik scheel.’