‘Les Temps Modernes’ - oktober 1945 - mei 2019

Decennialang drukte Les Temps Modernes zijn stempel op het intellectuele debat in Frankrijk. Maar volgens uitgever Gallimard deed het dat vroeger veel beter. De stekker gaat eruit.

Toen Albert Camus eind 1951 L’Homme révolté publiceerde was er één bespreking waar hij in het bijzonder naar uitkeek: die in Les Temps Modernes. Het tijdschrift, zes jaar eerder opgericht door Jean-Paul Sartre, was op dat moment het onbetwiste epicentrum van het Parijse intellectuele debat. En dus van de wereld. Het existentialisme maakte furore; filosofen en schrijvers ontmoetten elkaar in de cafés rond de kerk van Saint-Germain-des-Prés. De Franse pers deed gretig verslag van de gesprekken én uitspattingen van Les Mandarins, zoals figuren als Sartre of Simone de Beauvoir al snel te boek kwamen te staan. En de wereld keek mee.

Camus doopte hooguit zijn grote teen in de Geschiedenis

Op 22 februari 1952 liep Camus in een zaaltje Sartre tegen het lijf. In de beste Parijse traditie was er een bijeenkomst gaande ter ondersteuning van de zaak van een groep Spaanse vakbondslieden die door Franco ter dood waren veroordeeld. Na afloop liet Sartre zich ontvallen dat er inderdaad een bespreking van L’Homme révolté zat aan te komen, maar ook dat die niet gunstig zou zijn. In het meinummer verscheen een recensie onder de titel ‘Albert Camus ou l’âme révoltée’, waarin de auteur, niet Sartre zelf, Camus kwalijk nam dat diens verzet metafysisch bleef. Hij was een ‘belle âme’, een schone ziel, niet in staat of bereid vuile handen te maken.

Belle âme, in existentialistische kringen waartoe ook Camus zich rekende was geen erger verwijt denkbaar. De briefwisseling die volgde was al even kenmerkend voor deze tijd, waarin vriendschap niet zelden afhankelijk was van ideologische keuze. Camus, opgegroeid in de achterbuurten van Algiers, hekelde de ‘bourgeois-intellectuelen’, wier behoefte hun afkomst te loochenen omgekeerd evenredig was met de contradicties in hun denken – een overduidelijke sneer naar Sartre, afkomstig uit de Parijse haute bourgeoisie. Maar Sartre hamerde het punt er genadeloos in: hij bevond zich ín de Geschiedenis (dat wilde zeggen, zoals Marx die had geschetst, met de dictatuur van het proletariaat als na te jagen einddoel); Camus doopte er hooguit zijn grote teen in.

Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, 1950 © PhotoQuest / Getty Images

Camus, die in de begintijd van Les Temps Modernes ook zelf de nodige stukken in het tijdschrift publiceerde, had beter kunnen en moeten weten. Al vanaf het allereerste begin had Sartre een groot punt van engagement gemaakt. De schrijver had geen enkel middel om te ontsnappen; hij moest verantwoordelijkheid nemen, ‘en situation’ zijn met zijn tijdperk. Hij diende dat niet alleen van betekenis te voorzien, maar er ook actief naar te streven het te veranderen. Het volstond de schrijver of filosoof niet langer om zo nu en dan een politieke tekst te produceren of een petitie te tekenen. Alle proza, ook fictie, moest ‘nuttig’ zijn; woorden waren als ‘geladen pistolen’. Simone de Beauvoir, die de eerste hoofdstukken van Le deuxìeme sexe in Les Temps Modernes publiceerde, legde uit waarom het zo belangrijk was dat er op het scherp van de snede werd geschreven. ‘Woorden kunnen even dodelijk als een gaskamer zijn. Woorden hebben de moordenaar van Jaurès (voorman van de Franse socialisten, in 1914 vermoord door een nationalistische student – mk) bewapend.’ Het nam niet weg dat Sartre er de meer literair gezinde medewerkers van Les Temps Modernes mee wegjoeg, zoals Jean Paulhan. In het geval van Raymond Aron was het conflict ideologisch. De filosoof, lid van het comité van oprichting van Les Temps Modernes, koos partij voor Amerika in wat hét structurerende conflict van die periode zou zijn: de Koude Oorlog. Hij vertrok naar Le Figaro; il faudra choisir son camp. Aron werd geostraceerd, maar zou later wraak nemen met L’Opium des intellectuels, een nietsontziend betoog waarin hij de voorliefde van Franse intellectuelen voor het communisme hekelde. Zeker voor iemand als Sartre was dit de Alfa en de Omega van zijn engagement. Zo werd het bestaan van de kampen in de Sovjet-Unie niet door Les Temps Modernes ontkend, maar het revolutionaire project van de Sovjet-Unie als zodanig werd op geen enkele manier in twijfel getrokken, zelfs niet na de Hongaarse opstand van 1956.

Om nu, in 2019, een In Memoriam voor Les Temps Modernes te schrijven doet vreemd aan. Lag de glorietijd immers niet zeventig jaar eerder? Maar het is pas voorbij als het echt voorbij is, en het is ook niet zo dat het tijdschrift na de jaren vijftig en zestig maar wat voortkabbelde. Foucault publiceerde erin, Baudrillard, Bourdieu. Onder leiding van Claude Lanzmann, die na de dood van De Beauvoir in 1986 het stokje overnam, zou Les Temps Modernes zijn stempel blijven drukken op het intellectuele debat in Frankrijk. Maar ook toen was het sartriaanse moment al voorbij. Niet het communisme maar het geëmancipeerde individu, en in het verlengde daarvan het neoliberalisme, was de ‘onoverbrugbare horizon van onze tijd geworden’ – ook in Frankrijk. Dat vroeg juist om een kritisch tegengeluid en alternatieve vergezichten, zou je denken. En die rol speelde het tijdschrift onder Lanzmann ook wel, net als tijdschriften als Le débat en L’Esprit dat nog steeds (twee)maandelijks met verve doen. Maar volgens uitgever Gallimard was het toch niet meer helemaal hetzelfde. Zeker niet toen Lanzmann vorig jaar op 92-jarige leeftijd overleed. ‘De klokkenluiders zijn van identiteit en van tribune veranderd’, motiveerde Gallimard vorige maand zijn beslissing om de financiering van het tijdschrift te staken. Het redactiecomité kon het maar lastig verkroppen, maar legde zich er uiteindelijk bij neer, zei het met de dringende oproep te zoeken naar alternatieve middelen om, in de geest van Les Temps Modernes, ‘de volgende generatie slaapwandelaars te kunnen wekken’.