Omdat ik mijn jongste zoon straks wel mag afdrogen maar nu niet mag kijken hoe hij zwemt wacht ik op een bankje bij de grote parkeerplaats, waar overvloedig zonlicht op de daken van auto’s schittert en andere ouders, de meesten zonder jas, op hun smartphones staren. Een paar weken geleden vond hier een aanrijding plaats. Een man die achterwaarts een parkeervak verliet zag een vrouw op een bakfiets over het hoofd. Er klonk een metalige klap, een kortstondig schrapen, een kreet. De man in de auto gooide zijn portier open, rende naar zijn achterbumper, staarde verwilderd naar de vrouw die van het zadel op het asfalt was beland en toen naar de bakfiets, die als door een wonder overeind was blijven staan en waarin een roodharige peuter zat, bleek maar ongedeerd, de beide armpjes in de lucht gestoken; ik geef me over. Er werd niet gescholden. De vrouw krabbelde overeind en tilde haar kind uit de bak, klemde het tegen zich aan. ‘O godzijdank’, zei de man. ‘Godzijdank.’

Nu is het rustig. De zwemles is bezig en de ouders wachten. We zijn verstandige mensen in een land vol grachten, sloten en vijvers. We bestrijden risico’s. We vinken dingen af. Het is nu nog even doorzetten, inpakken, aanmoedigen, afdrogen en uitspoelen, maar later zullen we onszelf feliciteren.

Ik denk aan de eerste keer dat ik hier kwam, tien jaar geleden, met de oudste zoon, het behoedzame exemplaar. Hoe hij ineengedoken aan de kant bleef staan, rillend van afkeer en onbegrip, terwijl de rest van de beginnersgroep al met felgekleurde ringen in de weer was. Hoe een andere moeder, tevreden kijkend naar haar eigen, volstrekt angstloze nageslacht, me ongevraagd toevoegde: ‘Joh, ook zo’n schijterd krijgt het vroeg of laat onder de knie.’ Hoe die zin in mijn hoofd bleef haken. De vanzelfsprekendheid waarmee het woord ‘schijterd’ was gekozen.

Ik kijk naar de tijd; we moeten nog zeven minuten wachten. Op een dag zullen de kinderen die we straks mogen afdrogen, hun zwemdiploma’s al lang behaald, spatwaterbestendig, immuun voor chloordampen, zelfstandig naar de ingang lopen. De zon zal schijnen. Ze zullen bij de schuifdeuren samenklonteren, groepjes vormen, nog even op elkaar wachten. Ze zullen de touwtjes van hun zwembroek, de bandjes van hun bikini angstvallig aansnoeren. Ze zullen elkaar speels van de bandrand duwen, gillend en lachend achterna duiken, zogenaamd vechten om een drijfmat maar ondertussen toch vooral bezig zijn elkaar te monsteren, te bekijken, te bevoelen. Na afloop zullen ze op een bankje zitten met uitzicht op deze parkeerplaats, zakken paprikachips bij de hand, het natte haar achterovergekamd, de spieren warm en tintelend. Ze zullen zowel beginpunt als herhaling zijn.

De oudste zoon, het behoedzame exemplaar, is inmiddels langer dan ik. Als het warm genoeg is vertrekt hij met handdoek onder zijn bagagedrager naar een recreatieplas in de buurt. Hij houdt er een goeddeels onzichtbaar sociaal leven op na, zegt dingen als ‘we gaan nog even hangen’ en blijft dan langer weg dan de afspraak was. Steeds vaker wisselt zijn stem halverwege een zin van blokfluit naar contrabas – alsof de volwassen man die in hem verborgen zit dan even omhoog zwemt, tot vlak onder de oppervlakte, waar hij op een dag met een klap doorheen zal breken.

In een ongewoon licht
rijden de straten vandaag,
helder als nooit tevoren.

Zand op de wind, een geur
van oude bureaus uit een zwembad,
iemand die hoog in een huis de ramen bespeelt –

het schrift gegeven, lees
tussen de vlugge tekens de weg, hoe de voet
terloops bij het asfalt vandaan gaat,

het zo weer vindt in de ruimte
tussen twee oogopslagen.

‘Hoezo herhaling’
Eva Gerlach
Uit: Niets bestendiger,
De Arbeiderspers, 2012