Sinds 24 februari is de dreiging van oorlog groot. Toch neemt de aandacht voor Oekraïne af. Een veeg teken. Zo zijn er meer. Dat deze oorlog een Russische aanvalsoorlog is, inclusief macabere genocidedoelstellingen, lijkt niet overal in Europa echt beseft te worden. Intussen eisen in ons eigen land andere zaken de aandacht op. Het WK voetbal is bezig. De Provinciale-Statenverkiezingen komen eraan.

Vanwege die verkiezingen is er nu ineens veel politieke aandacht voor zogenaamde taboes over bevolkingsgroei, voor de ongemakkelijke waarheden rond ‘Nederland is vol’ – die moeten nu benoemd, althans volgens een breed gedeeld gevoel in de politiek. Maar dat gebeurt op een curieuze manier.

De politieke fixatie op dit thema wordt gecombineerd met suggesties van eendimensionale causaliteit tussen bevolkingsgroei enerzijds en asielzoekers en arbeidsmigranten anderzijds. Het eerste is het gevolg van het tweede. Verder zijn hierbij nog twee dingen opvallend. Eén: de arbeidsmarkt wordt liefst geheel buiten beschouwing gelaten in deze redenering. Twee: asiel en migratie worden liefst samen gestopt in één vage verzamelcategorie. Vervolgens wordt die verzamelcategorie gekoppeld aan een tot de verbeelding sprekend beeld: groepen buitenlandse mannen.

Buitenlandse mannen op zoek naar huizen (die er onvoldoende zijn). Buitenlandse mannen op zoek naar tijdverdrijf (dat het onze niet is). Buitenlandse mannen op zoek naar ruimte in onze volkswijken en landbouwgebieden. Juist die plekken waar het verdriet van Nederland er ook zonder hen al zo opzichtig inhakt. Laat staan mét hen. In deze context van suggestie en beeldvorming wordt brandstichting in azc’s ineens een stuk begrijpelijker, net zoals de mensonterende toestanden in de asielopvang, die zo ook een stuk minder urgent worden.

‘Nuttige leugens’ werden Europa al eerder fataal

En de Nederlandse regering die EU-oplossingen voor asiel en migratie blokkeert? Dat moet in deze context begrepen worden als een staaltje opkomen voor het Nederlands belang. Dat op deze manier onze rechtsstaat – die ingebed is in verdragen en mensenrechten – langzaam op de helling gaat, daar talen weinigen naar. Dat iedere gezonde democratie bestaat bij gratie van een rechtsstaat, geworteld in samenleving-breed gedeelde mores van gelijke rechten, dat spreekt nog minder aan. Het verdriet van de Nederlandse plofeconomie – deze eigenliefde – is nu eenmaal allesoverheersend. Lessen uit het verleden worden erin verzwolgen.

De nationale en regionale journalistiek is intussen bloedserieus in het slechten van neptaboes, zoals het bovengenoemde. Niet zelden in de volle overtuiging dat zij daarmee de democratie dienen, het argument om extreem-rechtse en fascistische stemmen alle aandacht te geven in de duiding. Het is een tragische vorm van onwetendheid en domheid.

Afgelopen maand herdacht Europa het einde van de Eerste Wereldoorlog. Weinigen hebben indringender geschreven over die oorlog dan de Franse schrijver Roger Martin du Gard in zijn familie-epos Les Thibault. Daarin staat hij uitvoerig stil bij de gemoedstoestand in de zomer van 1914. Op een gegeven moment zegt de diplomaat Rumelles (een bijfiguur): ‘Maar wat, als we niets doen, en het gevaar is reëel?’ Hij raakt overspannen door wat hij plotsklaps inziet: de onvermijdelijkheid van oorlog. De cocktail van halve waarheden, nepnieuws en bluf, die hij jarenlang privé en professioneel genuttigd heeft, wordt hem nu ineens te machtig.

En er wordt nog iets duidelijk. De grote en zo kwistig gebruikte woorden als ‘Democratie’ en ‘Rechtvaardigheid’ ziet Rumelles nu voor wat ze in de achterliggende jaren langzaam maar zeker geworden zijn: ‘nuttige leugens’ (in de woorden van Thibault-duider Nicola Chiaromonte). Nuttige leugens, die niet alleen een politieke ‘taal’, maar ook ‘een systeem’ creëerden: ‘een duivels raderwerk’. Als Rumelles die woorden uitspreekt, verschijnt opnieuw ‘die onnozele grijns op zijn lippen’.

Het waren die ‘nuttige leugens’ die een eigen dynamiek ontketenden, aangedreven door alternatieve werkelijkheden gebouwd rond suggesties, karikaturen, samenzweringen en zondebokken. Deze dynamiek was oncontroleerbaar geworden, en werd Europa fataal. De zomer van 1914 transformeerde Europa in een wereld van onvoorstelbare wreedheid. Een wereld die elk eerder verdriet keihard uitlachte. Net als Europa zag Rumelles te laat wat er gaande was. Dat de idealen van ooit waren verworden tot lege woorden, en dat die op hun beurt weer gebruikt waren om ‘de eigenliefde van mensen en naties te ontzien’. Dat de waarheid hierin ten onder ging. Dit is de oerles van onze twintigste eeuw. Een les die we nu weer dreigen te vergeten.