Literatuur special

Lessen en leeswijzen

F.W. Korsten

Lessen in literatuur

(herdruk, oorspronkelijk uit 2002)

Vantilt, 336 blz., € 24,90

Luc Herman en Bart Vervaeck

Vertelduivels: Handboek verhaalanalyse

(herziene uitgave, oorspronkelijk uit 2001)

Vantilt (België: Vubpress),

224 blz., € 22,50

Op het eerste gezicht oogt de «herziene en verbeterde druk» van F.W. Korstens Lessen in literatuur als een traditionele literatuurgeschiedenis, gestructureerd aan de hand van tijdvakken (Oudheid, Middeleeuwen, Renaissance), perioden (barok en classicisme, Verlichting) en stromingen (Romantiek, realisme, modernisme, postmodernisme, postkolonialisme). In minstens twee opzichten is Korstens boek innovatief. Lessen in literatuur beperkt zich niet tot de behandeling van één nationale letterkunde, maar is een geschiedenis van de Europese literatuur. Alleen al om die reden zou het boek verplichte lectuur moeten zijn voor alle beginnende studenten letterkunde en literatuurwetenschap, die veelal slechts het historisch parcours van de «eigen» literatuurgeschiedenis lopen en de voordelen van een internationale visie missen. Daarbij schrijft Korsten met zulk aanstekelijk enthousiasme over canonieke en minder bekende teksten dat iedereen die zijn liefde voor literatuur deelt zich minstens zal voornemen deze boeken te (her)lezen en zich daarmee iets van de Europese traditie eigen te maken.

Een tweede kwaliteit van Korstens boek ligt in de gewaagde poging om literatuurgeschiedenis te verbinden met een aantal twintigste-eeuwse literatuurwetenschappelijke benaderingen. Lessen in literatuur is dan ook een pleidooi voor het slechten van de grenzen tussen literatuurtheorie en literatuurgeschiedschrijving. In elk van de twaalf historische hoofdstukken wordt een koppeling gemaakt naar een centraal begrip dat de literatuur uit die periode (maar niet uitsluitend uit die periode) verheldert en naar literatuurtheoretische benaderingen die met dit begrip verbonden zijn. Zo staat in het hoofdstuk over «modernisme» de term «focalisatie» centraal, een keuze die onderbouwd wordt met het argument dat in deze stroming subjectiviteit en relativisme domineerden. Aandacht voor focalisatie (de relatie tussen waarnemende subjecten en waargenomen objecten in de vertelde wereld ) kan het begrip van complexe modernistische literatuur vergroten. Neem James Joyce’s roman Ulysses (1922). De eerste zes hoofdstukken laten zich lezen als een klassieke roman. Het is volstrekt duidelijk door wiens ogen we op welk moment de romanwereld gepresenteerd krijgen en de personages hebben een solide identiteit. Maar in het beruchte zevende hoofdstuk (Aeolus) beginnen de problemen. Een centrum van waaruit wordt verteld en waargenomen ontbreekt, de tekst is een collage van langs waaiende gespreksflarden, straatrumoer, snippers Italiaans rijm, krantenkoppen en reclameslogans, die ogenschijnlijk geen samenhang vertonen. Een concept als «meervoudige focalisatie» kan dan helpen om de chaos niet zozeer te bedwingen als wel te beschrijven en een begin van inzicht in de betekenismogelijk heden te verwerven (de polyfonie verbeeldt een onzekere want fluïde werkelijkheid waarin vaste punten van waarneming zijn weggevallen).

Binnen de grenzen die de omvang van het boek stelde kon Korsten de gekozen literatuurwetenschappelijke benaderingen uiteraard niet in hun volle complexiteit behandelen. Lessen in literatuur is een inleiding waarop kan worden voortgebouwd. Dat aan het boek als geheel geen overkoepelende theorie ten grondslag ligt – een punt van kritiek dat Barend van Heusden uitwerkte in zijn beschouwing in Spiegel der Letteren (2004-1) – vind ik geen bezwaar. Lessen in literatuur laat duidelijk uitkomen dat literatuur, door Korsten opgevat als een cultuurhistorisch fenomeen, een begrip is dat in de loop van de geschiedenis telkens andere inhouden heeft gekregen en dat in verschillende culturen uiteenlopende ladingen dekt.

Lessen in literatuur maakt, net als Vertelduivels, overtuigend duidelijk dat in de literatuurwetenschap anno 2005 alle vragen zijn toegestaan en dat het letterkundig onderwijs en onderzoek gebaat zijn bij een vreedzame coëxistentie en pluriformiteit van benaderingen. In een tijd waarin jongeren zich afkeren van het gedrukte woord tonen deze boeken de vitaliteit en relevantie van de literatuurwetenschap.

Anders dan de ondertitel wellicht doet vermoeden, is Vertelduivels geen handleiding voor de analyse van verhalen en romans (zoals het veel gebruikte Literair mechaniek: Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten van Erica van Boven en Gillis Dorleijn), maar een historisch overzicht van de narratologie en verhaaltheorie vanaf de vroege twintigste eeuw tot heden. In het voorwoord bij de herziene editie merken Herman en Vervaeck terecht op dat het goed gaat met de narratologie. De cultuurhistorische verbreding van de literatuurwetenschap in de afgelopen decennia is niet ten koste gegaan van de aandacht voor wat velen, onder wie Herman en Vervaeck, nog altijd beschouwen als het primaire object van de literatuurwetenschap: de (literaire) tekst. De toevoeging van het in 2001 verschenen boek van Marie-Laure Ryan, Narrative as Virtual Reality: Immersion and Interactivity in Literature as Electronic Media, maakt duidelijk dat nieuwe loten aan de stam van de verteltheorie als de «cybernarratologie» goede diensten bewijzen in het onderzoek naar zowel de nieuwste media als de geschreven roman.

Het belangrijkste onderscheid tussen de klassieke, structuralistische en de postklassieke narratologie is gelegen in een andere visie op betekenisgeving. Waar de structuralisten de tekst beschouwden als een gesloten systeem van duidelijk afgebakende hiërarchische niveaus, daar benaderen postklassieke theoretici de tekst als een open en dynamisch geheel en leggen zij de nadruk op mogelijkheden, dubbelzinnigheden en onduidelijkheden. Alle postklassieke narratologen benadrukken de betekenisgevende rol van de lezer, die zich niet langer uitsluitend laat regisseren door de tekst. Tekst en lezer zijn gelijkwaardige partners in het spel van betekenisgeving. De postklassieke narratologie stelt bovendien vragen met betrekking tot macht, gender, etniciteit en ethiek. Het is meer dan waarschijnlijk dat nieuwe media hun impact hebben op de verteltheorie. Zo heeft de introductie van computergames, waarvan het handelingsverloop vaak in hoge mate wordt gestuurd door de speler, nieuwe impulsen gegeven aan het denken over de betekenisgevende rol van de lezer/speler. «Ludologen», zij die van de bestudering van games een specialisme hebben gemaakt, zullen in Vertelduivels nogal wat van hun gading vinden. De interacties tussen de speler en het zich telkens anders ontrollende spel laten zich goed beschrijven in termen van possible worlds, frames en scripts (de verwachtingen op basis waarvan een speler/lezer op de handeling reageert en anticipeert).

Dat de postklassieke verteltheorie het structuralisme evenwel niet verdrongen heeft blijkt uit de nog altijd goeddeels op het structuralisme gefundeerde handboeken waarmee studenten teksten leren analyseren. Het eerder genoemde Literair mechaniek is een duidelijk voorbeeld van de gang van zaken in het onderwijs: het model dat wordt aangeboden is gebaseerd op het structuralisme, nieuwe «postklassieke» benaderingen zijn daarin sporadisch doorgedrongen en worden pas in het korte slothoofdstuk bij wijze van toegift beknopt gepresenteerd. Duidelijk is dat de klassieke/structuralistische narratologie nog altijd een grote gebruikswaarde heeft, ook voor de interpretatie van teksten die zich onttrekken aan traditionele vertelprocédés. Juist met behulp van de in hiërarchieën en binaire opposities gestelde structuralistische verteltheorie kunnen de eigenaardigheden worden beschreven van teksten die deze hiërarchieën en opposities omverwerpen of compliceren. Het concept dat Herman en Vervaeck beschouwen als de hoeksteen van de structuralistische narratologie – focalisatie – is bijzonder bruikbaar om ook in experimentele en postmoderne vertellingen genderaspecten te belichten, bijvoorbeeld waar het motieven betreft als «zien» versus «gezien worden» die kunnen worden geïnterpreteerd wanneer men in het verlengde van Mieke Bal (representaties van) subject- en objectposities in teksten onderscheidt. Terecht stellen de auteurs een combinatie voor «van klassieke systematisering en postmoderne relativering». Opmerkelijk is daarbij hun conclusie dat het vocabularium en de methodiek van de postmoderne narratologie «voorlopig niet overtuigend genoeg gesystematiseerd» zijn, waar zij eerder juist de voordelen van het a-systematische benadrukten.

Vertelduivels is een bijzonder welkom boek en wie de eerste editie kent zal zijn voordeel doen met deze herziene uitgave, waarin de aandacht voor de ethische, ideologische en genderdimensies aanzienlijk is verbreed. In verschillende besprekingen van de eerste editie is opgemerkt dat Vertelduivels het meest geschikt is voor lezers die reeds vertrouwd zijn met de klassieke narratologie. Voor die lezers, die bereid zijn over de grenzen van het structuralisme heen te kijken, is het boek beslist van grote waarde. *