Lessen in anticommunicatie ( 1 )

Wanneer zal ik voor het eerst het woord ‘communiceren’ hebben gehoord? Ik was twaalf jaar, meen ik, en mijn grote broer vertelde dat de ‘antirookmagier’ Robert Jasper Grootveld amok had gemaakt op het Spui en voortdurend had geroepen: ‘Com-MunNie-Kaat!-Sie! Com-Mu-Nie-Kaat-Sie!!’ Het woord was onderdeel geweest van een happening - dat was iets, jongelui, dat niet meer bestaat, en dat is maar goed ook, want ik kan niet uitleggen wat het was.

Hoe dan ook: sinds die tijd was communicatie noodzakelijk. Radio, televisie, telefoon, computer, fax, semafoon, video, antwoordapparaat, modem, van al die communicatiebevorderende apparaten die u hier leest, heb ik er wel een of meer in huis. Communicatie, de enige weg naar succes. Succes dat alleen maar te bereiken is via ‘netwerken’. (Wanneer is dat vreselijke woord eigenlijk in onze vocabulaire geslopen?)
'Hoe gaat het tegenwoordig met je?’
'Nou, ik heb een aardig netwerkje om me heen.’
Het netwerk als reddingssest dat je drijvende moet houden wanneer je dreigt te verdrinken in de massa. Draai 'c’ voor 'netwerk’ - de 'c’, zoals onze ouders al wisten van chantage, charme, colportage, coöptatie, commercie en coïtus, de zaken die ons leven bepalen, en dus ook van… communicatie.
Communicatie en democratie - je kon er mij, linkse jongere, destijds voor wakker maken. Hoe beter de communicatie, hoe beter de democratie, luidde de stelling.
Een misverstand. Een groot misverstand zelfs. (Zie les 3.)
En dus ben ik tegenwoordig een groot voorstander van anticommunicatie.
Om bereikbaar te zijn, nam ik een telefoon. Toen bleek dat ik toch niet thuis was om op te nemen, nam ik een antwoordapparast. Maar dsar spreken mensen boodschappen op in, plus commando’s als: 'Bel terug!’ Of: 'Neem de telefoon op want ik weet dat je thuis bent!’ Of: 'Als u niet terugbelt nemen wij van u aan dat u akkoord gaat.’
En ik dacht: dat kan toch nooit de bedoeling zijn geweest. Dus trok ik alle stekkers uit de contacten en schafte me een 'pieper’ asn. Heerlijk, alleen de kenners van mijn 0in_er kunnen mij bellen. Maar ook dat loopt al weer uit de hand.
Ik wens onbereikbaar te zijn. Ik wil uit alle telefoonboeken worden geschrapt. Ik wil een verborgen leven leiden.
Want communicatie o, grote les van het heden - doodt alle creativiteit.
Communicatie: de straf van een eenzame msatschappij die gezellig wil zijn; communicatie: de zaaddodende pasta voor ontkiemende artisticiteit. Communicatie is tijd vermorsen.
De brief - dat vooroorlogse wonder van persoonlijke schoonheid - zou terugkomen toen het faxapparaat voor iedereen bereikbau werd. Drie jaar faxen in een tamelijk literaire omgeving heeft weinig memorabele oorspronkelijkheid opgeleverd. Integendeel. Het standaardformulier met kruisjes is daarentegen in populariteit toegenomen.
Communicatie is ook geestdodend.
En daarom wens ik zo veel mogelijk onbereikbaar te zijn. Ik wissel regelmatig van geheim telefoonnummer, op het bekende nummer staat mijn fax, meestal zonder papier. Op mijn antwoordapparaat (nooit aan) hoort u: 'Als u mij wilt spreken, stuurt u mij dan een brief. Mijn adres is Tweede Boomdwarsstraat 14, 1015 LK Amsterdam.’ Ik beantwoord nooit post.
Ik wil een schaar om het netwerk dat om mij heen zit kapot te knippen. Ik eis het recht op alleen te zijn. Ik wil niet eens communiceren met mezelf.
Wie onbereikbaar wil zijn, dient dat af te dwingen door onbereikbaar te zijn.
Volgende week les 2: Communicatie en de kunst, of: Wie goed communiceert, maakt per definitie slechte kunst.