Lessen in anticommunicatie (3)

‘Wat wil je: communiceren of copuleren?’
‘Kunnen we niet eerst even praten?’
Wat gebeurt er als je met iemand spreekt? Gedragswetenschappers (ik baseer me op een boekje van Desmond Morris, dat tegenwoordig voor een gulden in het antiquariaat ligt) stelden in 1978 dat onderzoek had uitgewezen dat zeventig procent van de informatie nonverbaal wordt doorgespeeld en dat slechts dertig procent via het gesproken woord gaat. Ik laat onze nonverbale vermogens even buiten beschouwing. Wat gebeurt er dan in die dertig procent gelul, ook wel communicatie geheten?

We formuleren halve zinnen in een onbegrijpelijke woordkeus, die zinnen herhalen we, we gebruiken weer andere woorden die we zelf niet precies begrijpen, dan weer roepen we een beeld op dat nergens op slaat, vervolgens trachten we dat weer helderder te krijgen door een metafoor aan te halen die niet sluitend is, we ontkennen, we verduidelijken alles weer in halve zinnen, we vervormen, gebruiken daarbij weer woorden verkeerd et cetera.
Taal laat zich misschien structureren, maar taalgebruik nooit. Toch willen we de communicatie bestuderen, terwijl we meer en betere resultaten zouden boeken met de bestudering van anticommunicatie. De communicatiewetenschap is dan ook de charmantste verzameling misverstanden die ik ken. Communicatiewetenschap is de sociologie van de jaren negentig. De anticommmunicatiewetenschap die ik voorsta, zal effectiever blijken dan de communicatiewetenschap omdat anticommunicatie betere resultaten oplevert dan communicatie.
‘Hoe leg ik dit uit?’ vroeg de communicatiewetenschapper.
'Door het niet uit te leggen. Het is vanzelfsprekend’, zei ik.
Communicatie geeft misverstanden omdat we elkaar per definitie niet begrijpen. Anticommunicatie daarentegen geeft nooit misverstanden.
'Ik hou van jou.’
'Ik ook van jou.’
In Nederland gaat een op de drie paren die dit tegen elkaar 'communiceren’ weer uit elkaar. Wie dit zegt, weet per definitie namelijk niet waar hij het over heeft, maar hoeft ook weer niet te liegen.
Je kan het niet zeggen (fundamentalistische anticommunicatoren doen dat), je kunt het ook, zoals ik, tegen iedereen zeggen.
Je kunt - en zo kom ik op mijn volgende onderwerp - namelijk het beste anticommuniceren door de door mij gepropageerde 'ironische levenshouding’ die ik hier tussen aanhalingstekens zet. Mijn ironische levenshouding kan worden voorgesteld als een dobbelsteen met zes kanten:

  1. Denk niet wat je zegt; 2. Zeg niet wat je denkt; 3. Zeg wat je denkt; 4. Bedenk wat je zegt; 5. Lieg; 6. Lieg niet. Zodra je moet communiceren, gooi je met deze dobbelsteen en kijk je wat er boven komt. Bij het maken van dit stuk kwam nummertje twee naar boven. Bij het schrijven van de vorige zin nummer vijf. Vroeger dacht ik dat je het beste van een ironische levenshouding kon getuigen door te praten in paradoxen (wat ik zeg ben ik zelf niet), maar iemand vertelde me dat eigenlijk iedere zin een paradox is, ook deze, en dus ben ik daar mee opgehouden, behalve nu. 'Ik hou van je, mag ik je slaan?’ Het zou heel logisch zijn als ik dit zeg - een op de drie paren die 'ik hou van jou’ zeggen, gaan elkaar namelijk op den duur slaan en van de andere twee paren wil een persoon het uit seksueel genoegen. De helft van de mensen wil slaag! Communicatie leidt altijd tot anticommunicatie. Immers: je communiceert om later niet meer te hoeven zeggen wat je nu uitlegt, zoals je ook nadenkt, om niet meer te hoeven denken. Het is techniek geworden. Waarom dan niet aan het eind beginnen? Dat leidt dan tot communicatie!