Lessen in anticommunicatie (8)

Je hebt in de literatuur een opvatting die zegt dat een gedicht of een verhaal pas goed is wanneer het iets geheimzinnigs heeft. De dichter moet ruimte overlaten voor het mysterie, de lezers moeten het expres niet kunnen snappen. De bedoeling van het mysterie is dit: de lezer moet dat zelf kunnen invullen; hij moet begrip krijgen door het verhaal zelf compleet te maken.

Ik heb dit altijd een rare theorie gevonden.
Als dat zo is, waarom willen mensen dan toch geen boeken of gedichten lezen die totaal onbegrijpelijk zijn? Als dat zo is, waarom worden er dan ook geen boeken gemaakt met halve zinnen - zodat je er de rest bij kunt denken.
Ik zelf snap weinig van de gedichten van Hans Faverey. Tot ik het een keer uitgelegd kreeg. Toen bedacht ik: wat geven deze regels me meer aan poetisch genot dan de gedichten van Jean Pierre Rawie of Jan Kal, die beiden gedichten schrijven die je meteen begrijpt en waarover je ook heel lang kunt nadenken? (Al heb ik dat laatste nog nooit bij enige dichter gedaan.)
Het antwoord weet ik niet.
Wel weet ik ondertussen dat er mensen zijn die met een gedicht willen communiceren. Ze willen het gedicht ‘begrijpen’ - en die wens toont al dat men ervan uitgaat dat een gedicht onbegrijpelijk moet zijn, immers: hoe onbegrijpelijker het is, des te meer kunnen zij communiceren, verklaren, interpreteren… Dat soort mensen willen gedichten voegen naar zichzelf.
Een gedicht mag daarom voor hen ook nimmer te onbegrijpelijk zijn, want dan lukt hun communicatie niet.
Intepreteren, altijd maar interpreteren, terwijl dat nog nooit iets anders heeft opgeleverd dan gezeur en nog meer onzin.
Zoals mensen met hun gedichten omgaan, gaan ze ook om met andere mensen. Ook die moeten een mysterie hebben, iets geheimzinnigs; er moet iets te raden overblijven, hoor je wel eens. Erotiek - zo beweren ze - is pas fijnzinnig en de geilheid opwekkend als er nog een sluier over het lichaam blijft en zich daaronder - o verassing - nog een sluier bevindt.
Mensen mogen ook niet duidelijk zeggen wat ze willen - ook daar moeten eerst de zeven sluiers per rituele dans verwijderd worden.
Aldus ontstond de taal - de taal die versluiert en die de doeken moet wegtrekken. En dat zijn we communicatie gaan noemen.
'Hou je van me?’
'Hoe weet ik dat nou?’
'Dat voel je toch?’
'Hoe weet ik dat ik het voel?’
'Ik begrijp je niet. Gisteren zei je dat je van me hield.’
'Toen wist ik niet wat het betekende.’
'Wat betekent het dan nou voor je?’
'Dat weet ik juist niet.’
De mens is met een paar andere woorden makkelijk in verwarring te brengen. Als ik maar interpreteer, begrijp ik haar wel.
'Hou je van me?’
'Ja, natuurlijk, waarom twijfel je daaraan. Dat voel je toch?’
Begrip en communicatie zijn in wezen de sluiers van de angst en de burgerlijkheid (wat misschien hetzelfde is). Communicatie is het loon van de wegkruipers.
Communicatie is de beul van het vrije denken.
'Naar Zijn Beeld en Gelijkenis geschapen’, luidt een definitie van de mens die als God zou zijn. Denk eens na: waarom zwijgt God al sinds we hem hebben uitgevonden en kan Henny Huisman kijkcijfer 19 halen?