Lessen in anticommunicatie (9)

In mijn proefschrift over Niet-land en Wel-land kunt u alles lezen over het onmogelijkste menselijke begrip: het begrip ‘niet’, wat iets anders is dan het onbegrip. Niet, zo schrijf ik in mijn proefschrift, komt van de planeet Niets, met de s van stakker, schlemiel en sufferd. (Daar woonde God Niets.)

Bekend is de volgende vraag uit het Stenen Tijdperk.
Patava, het holenjong, zei: ‘Hoe doe je Niets?’
Dat wist niemand. Men wist hoe te jagen, hoe te eten en te drinken, maar hoe dit alles niet te doen, wist men niet. Hoe jaag je niet? Door niet te jagen, weten wij nu. Maar als je dat niet doet, dan doe je toch iets anders. Niets doen kan niet. Maar de holenmens wist dat niet, om de eenvoudige reden dat hij zich geen voorstelling kon maken van 'niet’. Of niets.
Dat kunnen wij nog niet. We kunnen ons niet iets niet voor de geest halen. Pas als we het ons kunnen voorstellen, kunnen we ons pas niet iets voorstellen. (Met dit soort zinnen heeft de eindredacteur altijd problemen - communicatoren haken nu af, want ze begrijpen het niet - precies, dat wil ik maar zeggen. Dus niet lullen, verder lezen.)
'Je mag niet met vreemde vrouwen naar bed’, moest ik beloven.
'Dat is goed vader’, zei ik.
'Je mag je vrouw niet in de steek laten.’
'Dat is ook goed vader.’
Ik wist niet wat ik hiervan moest denken. (Ik wist toen trouwens ook al niet wat denken was. Weet u het? Schrijf me dat eens.)
De jeugd wil altijd van alles beloven, maar ze kan zich pas aan deze belofte houden, als ze eerst deze belofte heeft geschonden. Je kunt pas beloven om niet met vreemde vrouwen naar bed te gaan als je weet wat het is om met een vreemde vrouw naar bed te gaan. Anders betekent een belofte niets.
Je moet - zo is de mens gebouwd - eerst iets wel doen, wil je het niet kunnen doen. Je kunt niet meteen iets niet doen, want hoe weet je anders dat je dat doet? Snappu?
Met niets en niet kunnen wij eigenlijk niet uit de voeten. Daarom is het voor ons, anticommunicanten, zo'n heerlijk begrip. Niets is onze God, onze God is Niets. Niets was en is groot en machtig, en omdat Niets of Niemand medelijden met ons had, gaf Niets ons de wiskunde. Met cijfers, enen en nullen, plussen en minnen konden wij Iets beschrijven wat er niet was. Er was Niets, wij noemden dat veel - en het is ook veel.
U ziet, u kunt niet rekenen op de taal, en daarom is dit stukje bijna onleesbaar. Je moet je vingers bij de zinnen houden om het te begrijpen, je moet het nalezen, terwijl ik eigenlijk niets anders zeg dan dat alles uit het niets voortkomt en dat we naar het niets toegaan - dat hadden die Chinezen goed gezien, en daarom zijn het ook de uitvinders van de bril.
Wie in Niets gelooft (dat moet u doen!) ziet opeens hoe belachelijk oorlogen zijn, hoe prettig het is om geld te verdienen en hoe dom politici zijn.
Een van de mooiste wetten, want kort en bondig, van de anticommunicatie luidt dan ook: Doe Niets.
Daar houdt Niets van. Als u moet spreken? Doe Niets. Moet u antwoorden? Doe Niets. Moet u werken, maar is er geen werk? Doe Niets. Alles komt dan naar u toe.
Als u per se wilt communiceren, dan hoeft u niets anders te doen dan voor ons Niets hetzelfde werkwoord in te vullen als uw communicant gebruikt. ('Hetzelfde’ is altijd: communiceren.)
Dus: U moet werken. Doe: … werk. Maak iets van je leven. Doe: … maken. Ga iets doen! Doe: … doen.
Een zaaier ging uit zaaien, om niet te hoeven zaaien.
Volgende week de laatste aflevering: Over Tijd.