Zwarte canon: Historici over nut en noodzaak

Lessen in goed en kwaad

Veel historici ergeren zich aan de morele termen waarin Chris van der Heijden zijn pleidooi voor een zwarte canon giet. Moet geschiedenisonderwijs een les in trots en schaamte zijn? Een rondgang.

De canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom werd in 2006 overwegend positief ontvangen. Althans, de vijftig ‘vensters’ werden inhoudelijk niet aangevochten, op een enkel akkefietje (de uitvinding van de boekdrukkunst werd toch maar aan Gutenberg toegekend) na. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als niet elke belangengroep er zijn eigen canon naast zou leggen. Binnen een paar jaar was er een ‘relicanon’ uit christelijke hoek (‘Nederland ritselt van de religie’), een ‘bètacanon’ vol natuurwetenschappelijke weetjes en een ‘kanon fan de fryske skiednis’ die begint met de triomfantelijke introductie van de koe te Bakkeveen rond 3400 voor Christus.

Het pleidooi van Chris van der Heijden voor een ‘zwarte canon’ is van andere allure. De gedachte dat de canon van Nederland ‘in balans moet worden gebracht’ door er nadrukkelijk zwarte bladzijden aan toe te voegen is bepaald omstreden, zoals al meteen bleek uit de respons van lezers op deGroene-website, de reacties in diverse media en de mening van de deskundigen die, op verzoek van de redactie van De Groene Amsterdammer, deelnamen aan de enquête onder academische historici.

Een meerderheid van de respondenten juicht het initiatief toe. Een minderheid lijkt zelfs niets liever te willen dan het Nederlandse volk, zijn koningshuis en zijn maatschappelijke elite eens goed hun historische tekortkomingen in te peperen: onze ‘kleinburgerlijke schrik’ voor de waarheid (en voor herstelbetalingen), onze ‘hypocrisie’ en ‘bekrompen opvatting over ethiek’, onze ‘genociden’, onze ‘lafheid en collaboratie’ (ook die van het vorstenhuis) tijdens de Tweede Wereldoorlog en zelfs het ‘falen van onze democratie en hedendaagse samenleving’. De voorstanders noemen overigens vaak onderwerpen (slavernij, jodenvervolging, ‘Srebrenica’) die al voorkomen in de bestaande canon, maar daarin naar hun mening niet zwart genoeg zijn aangezet.

Een aanzienlijke minderheid van respondenten ziet helemaal niets in een zwarte canon, al is het maar omdat men de canon van 2006 niet bindend of niet ‘wit’ vindt. ‘Als historici belichten wij allerlei aspecten van de Nederlandse geschiedenis, wij praten nooit iets goed’, stelt de Groningse universitair docent Joop Koopmans: ‘De canon van Nederland – die overigens slechts een hulpmiddel in het onderwijs is – bevat als vensters de Beeldenstorm, slavernij, Max Havelaar, (verzet tegen) kinderarbeid, joden­vervolging, Indonesië vecht zich vrij, Srebrenica. Waar hebben jullie het eigenlijk over?’ De discussie hangt sommigen de keel uit. ‘Ik ben een beetje uitgecanond’, schrijft de Leidse historica Erika Kuijpers. Toch komen ook de tegen­standers vaak op de proppen met gebeurtenissen of thema’s die in het geschiedenisonderwijs (meer) aandacht zouden moeten krijgen.

In dat opzicht krijgt de commissie-Van Oostrom alvast gelijk: de canon zal nooit ‘af’ zijn, de discussie erover nimmer verstommen. Toch loopt er een rode draad door de reacties van voor- en tegenstanders van een zwarte canon. Velen storen zich niet zozeer aan de inhoud van deze of gene canon maar aan het ondoordachte, politiek gemotiveerde of anderszins onhistorische gebruik dat er vaak van wordt gemaakt, met andere woorden aan de ‘vervorming, anachronismen, blikvernauwing en annexatiedrang’ waartegen de commissie-Van Oostrom al waarschuwde. Volgens de Utrechtse historicus Joes Segal nodigt het fenomeen ‘nationale canon’ uit tot een vals zelfbeeld: ‘Of wij ons nu identificeren met grootse heldendaden of ons schamen voor historische gruwelen, in beide gevallen zien wij onszelf als collectieve erfgenamen van de vaderlandse geschiedenis. Daar is in didactisch opzicht iets voor te zeggen, maar op het principiële vlak veel tegen in te brengen.’

De Leidse hoogleraar Judith Pollmann spreekt dat tegen. Zij meent dat de bestaande canon ‘legio mogelijkheden biedt om het over zwarte bladzijden te hebben’ en dat historici en schoolboeken dat volop doen: ‘De bestaande canonvensters nodigen niet uit tot “trots”, maar hebben vooral de bedoeling om aan te geven welke onderwerpen van zoveel belang zijn dat ieder schoolkind ervan gehoord zou moeten hebben – of dat in positieve of negatieve zin is, staat het onderwijs gelukkig helemaal vrij.’ Formeel heeft zij zeker gelijk. De canon werd geboren uit ‘zorg omtrent het lage kennispeil op het gebied van Nederlandse geschiedenis’, schreef de commissie-Van Oostrom destijds. Doel was het overbrengen van ‘kennis en begrip van hoe dit land zich heeft ontwikkeld, wat het aan waardevols heeft voortgebracht en waar het in de wereld tot nu toe wel en niet voor heeft gestaan.’

Dat mag de opzet van de makers zijn geweest, maar in de praktijk heeft de canon een andere functie gekregen, schrijft de jonge historicus Ewout Klei op de _Groene-_site: ‘Dankzij Fortuyn en Wilders wilden veel autochtone Nederlanders een rooskleurige visie op de nationale geschiedenis. Ze wilden graag een positieve nationale identiteit formuleren, een “nieuw wij”, tegen de moderne onzekerheden van de multiculturele samenleving en Europa. De mythe was nodig en voorzag bij veel mensen in een existentiële behoefte.’ Diverse inzenders verwijzen naar de hartenkreet van premier Balkenende bij de algemene beschouwingen van 2006: ‘Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die voc-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?’ Jan Marijnissen van de sp diende hem overigens meteen van repliek: ‘De voc-tijd kende nogal wat rooftochten. Als onze premier daarnaar terug wil, kan dat gek overkomen in het buitenland.’

Bij de ondervraagde historici leeft die existentiële behoefte in het geheel niet. Geen van hen ontkent dat de vaderlandse geschiedenis zwarte bladzijden heeft en dat die gepaste aandacht verdienen in het onderwijs. We slaan echter te makkelijk door naar de ene of de andere kant. ‘Ik vond het stuk van Van der Heijden onevenwichtig in die zin dat hij doet voorkomen dat er sprake zou zijn van het toedekken van zwarte bladzijden’, schrijft Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en specialist in de Caraïbische en Nederlandse koloniale geschiedenis. ‘Dat is gewoon niet zo. Neem het koloniale verleden, waar mijn eerste deskundigheid ligt: wat mijns inziens vooral om bezinning vraagt, is de onevenwichtigheid waarmee wij zo gemakkelijk trots en dan weer al te gemakkelijk vol schaamte zijn over het koloniale verleden.’

En waarom giet Van der Heijden zijn betoog in morele termen, alsof geschiedenisonderwijs een les in goed en kwaad, een oefening in ‘trots’ en ‘schaamte’ moet zijn? ‘Ik ben niet zo van de moralistische geschiedschrijving’, laat de Rotterdamse hoogleraar historische criminologie Pieter Spierenburg weten. ‘Ik vind het de taak van een historicus om begrijpelijk te maken waarom mensen in eerdere samenlevingen deden en dachten wat ze deden en dachten.’ De historicus is geen rechter, stelt ook cultuur­historicus Arnold Labrie: ‘Bovendien: ‘The past is a foreign country, they do things differently there.’ De kritiek op de slavenhandel bijvoorbeeld is hier en nu terecht, maar miskent dat slaven in de meeste bekende samenlevingen een normaal verschijnsel vormden. Wat hier vereist is, is evenwichtskunst in de historische oordeelvorming.’

Wie het verleden begrijpt, zal het niet snel ophemelen of verwerpen, meent ook Erika Kuijpers: ‘Ik houd mij bezig met de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw, maar ik heb niet de gewoonte morele oordelen te vellen over personen of gebeurtenissen uit dat verre verleden. Misschien maakt de afstand in tijd het relativeringsvermogen groter. In deze periode vonden religieuze vervolgingen plaats, heerste er een enorme sociale ongelijkheid, handelden Nederlanders in slaven en gingen ze over lijken in Afrika, Azië en Amerika om hun zaken te kunnen doen. Maar daarin waren ze niet uniek. Het was een tijd van primitief, gewelddadig heldendom en een volstrekt gebrek aan solidariteit met de zwakkere partij. Ik vind het raar dat er mensen zijn die denken dat ze zich nu nog op dat verleden moeten laten voorstaan. Dat Nederland ergens trots op moet zijn, een voc-mentaliteit bijvoorbeeld. Het beeld dat we er in de negentiende eeuw van hebben gecreëerd is extreem geromantiseerd.’

Historicus en filosoof Frank Ankersmit dient geen lijstje in, schrijft hij, omdat hij niet de indruk wil wekken ‘heilig verontwaardigd’ te zijn: ‘Ik zie niet met veel pathos – noch in positieve, noch in negatieve zin – terug op ons nationaal verleden.’ Dat kan ook niet het doel van geschiedenisonderwijs zijn, zegt hij desgevraagd: ‘Geschiedenisonderwijs moet in de eerste plaats beschrijven en waar mogelijk verklaren wat gebeurd is. Aan het begin van de wetenschappelijke geschiedschrijving staat de figuur van Leopold von Ranke. Die vond dat geschiedenis geen verhaal met een moraal moest zijn zoals zijn tijdgenoten Jules Michelet of Thomas Macaulay meenden, maar een zo nauwkeurig mogelijke weergave van wat gebeurd is, “wie es eigentlich gewesen” zoals zijn beroemde formulering luidt. Daar sluit ik me nog altijd graag bij aan.’

Gesteld dat een aantal van de genoemde zwarte bladzijden hun weg vinden naar de canon van Nederland, dan zal het aanbrengen van de door Van der Heijden gewenste ‘balans’ in de onderwijspraktijk nog niet eenvoudig zijn. ‘De opzet van de canon was het aanleggen van gedeelde kennis van het land waarin je leeft’, schrijft onderwijzer en pedagoog Guido Everts op de website. ‘Ik ben nog geen inzender tegengekomen met een constructieve bijdrage over hoe je “zwart” en “wit” het best kan combineren en hoe je dat aan kinderen moet uitleggen.’ Immers, het zwart en wit in ons verleden heffen elkaar niet op. Of kan de uitvinding van het slingeruurwerk door Constantijn Huygens op een of andere manier worden weggestreept tegen de misdragingen van Jan Pieterszoon Coen op de Banda-eilanden? ‘Dat vereist een soort metafysica waarbij ik me niets kan voorstellen’, zegt Ankersmit.

Geschiedenis is in laatste instantie altijd een literair verhaal, zegt Everts onder verwijzing naar Johan Huizinga. Hoe je het ook wendt of keert, de canon is dat niet. Zijn we anno 2012 in staat om een verbindend verhaal te vinden dat de uitersten in ons verleden verenigt? En willen wel dat eigenlijk wel? ‘Als we zeker van onszelf zijn, accepteren we dat we goede en slechte kanten hebben, lopen we daar niet voor weg en zijn we niet bang om erover te vertellen’, schrijft Sonja Paauw op de website van DeGroeneAmsterdammer: ‘De vraag is alleen of ons land zeker is. Alles wijst erop dat we een onzeker land zijn.’