Lessen in kijken

Dirk Lauwaert, Artikels. Uitgeverij De Gelaarsde Kat, 223 blz., BF 895
AL JARENLANG wil men ons, en vooral de hardnekkige lezers onder ons, doen geloven dat we in een beeldcultuur leven. Maar als dat zo evident is, waarom heeft men dan tot dusver op school naast lessen in lezen geen lessen in kijken ingevoerd? Of gaat men ervan uit dat wie ogen heeft, kan kijken, en is dàt het grote voordeel van een beeld- boven een schriftcultuur? Het beeld mag sinds de film en vooral de televisie en de alomtegenwoordige reclame een machtsfactor van de eerste orde zijn geworden - van macht èn tegenmacht wel te verstaan - zijn effect heeft vooral te maken met de combinatie van tekst en beeld.

‘Over het vertellende beeld’, heet een opstel van Dirk Lauwaert in zijn bundel Artikels. Constaterend dat het vertellen zijn functie voor het vasthouden en doorgeven van herinneringen is kwijtgeraakt, en gebeurtenissen door het beeld worden teruggebracht tot losse informatie en presentatie, analyseert hij de gespannen verhouding tussen tonen (verschijnen, er zijn, fixatie op het hier en nu) en vertellen (beweging, ontwikkeling, ordening en ervaring).
Het begrip 'vertellend beeld’ houdt dan natuurlijk een programma in; het artikel staat ongeveer midden in de bundel, de eerste uitgave in een ambitieuze reeks onder redactie van Koen Brams. Brams is ook de uitgever van De Witte Raaf, een tweemaandelijkse krant die - in een oplage van zo'n 14.000 - in musea, kunstacademies en andere kunstinstellingen wordt verspreid en helaas in Nederland moeilijk te krijgen is. Zoals de meeste van de in dit boek gebundelde artikelen verscheen het genoemde essay eerder in dat blad, in een aflevering over beeld en verhaal. Elk nummer bevat uitvoerige essayistische bijdragen, waarin de theorie niet wordt geschuwd, en een tweede katern met informatie over de kunstactualiteit: tentoonstellingen, manifestaties en uitgaven. Deze combinatie van informatie en beschouwing is op het gebied van de beeldende kunst (beeldend in uitgebreide zin) uniek in het Nederlands taalgebied (Postbus 1428, 1000 Brussel).
DIRK LAUWAERT is docent film en fotografie. En hij wil dat weten ook: in het eerste en het laatste deel van de bundel heeft hij het rechtstreeks over zijn ervaringen met lesgeven. Ervaring is in dit boek een kernbegrip, en is voor hem juist zo belangrijk is geworden door de praktische problemen waarmee hij in de klas te maken krijgt: 'Om iets begrijpelijk te maken moet je het grijpbaar maken. (…) Zonder die aanwezigheid wordt alles wat je over het werkstuk zegt: informatie. (…) Het mooiste doel leek me altijd de onmogelijke “theorie van het concrete”, “analyse van het subjectieve”, “systematiek van het sensuele”. Reflectie die niet eerst de ervaringen neutraliseert en er nooit meer op terugkomt, maar die zo dicht mogelijk tegen de ervaringen aan ligt.’
De aanhalingen ontleent hij aan Barthes, over wie hij een artikel heeft opgenomen. Dat hameren op ervaring gaat ook terug op een trauma, zoals de auteur toegeeft: namelijk de aanvaring met een academische wereld waar het uitsluitend om de accumulatie van kennis gaat: 'Emblematisch in mijn geschiedenis zijn de historicus die het niet nodig vond de films te zien die hij bestudeerde, de kunsthistoricus die nooit een oordeel had over het werk, de theoreticus die de “amateur” opzij schoof als hystericus.’
Dat klinkt me bekend in de oren. Voorbeelden van zulke kennis zonder ervaring vind je nogal eens in bundels kunstfilosofische opstellen of op symposia gepresenteerde onderzoeksverslagen. De titels beloven heel wat, maar vaak blijkt het om staaltjes toegepaste wetenschap te gaan waarvoor het kunstwerk alleen maar aanleiding of illustratiemateriaal is.
De artikelen van Lauwaert zijn behoorlijk theoretisch van aard, zoals wanneer hij schrijft over de tegenstelling 'proces’ en 'resultaat’ in 'tijdskunsten’ en 'ruimtekunsten’; over de rol van de camera bij het in beeld brengen van het lichaam, toegespitst op het portret; over het onscherpe (techniek en effect) in de fotografie; over veranderingen in de manier waarop de dood verteld en getoond wordt; over de blik, het gênante. Je mist dan soms voorbeelden, zoals ik bij de stukken over schilders Edward Hopper, Gerhard Richter, Luc Tuymans en Patrick Vanden Eynde wel graag het werk afgebeeld had gezien.
Bij Hopper gaat Lauwaert na wanneer figuratie tot louter illustratie wordt, om tot de conclusie te komen dat Hoppers werk meer is dan de illustratie van een abstracte cultuurkritiek, en dat als hij geraakt wordt dat minder komt door de thematiek dan door de directheid waarmee de schilder een eenvoudige en zeer lokale wereld in beeld brengt. De series van Gerhard Richter, die veel met foto’s werkt, bieden Lauwaert voorbeelden van 'vertellende beelden’. Richter schildert foto’s, zegt hij, zoals een ander landschappen of stillevens, en door te laten zien hoe armoedig de waarneming van het fotografische beeld is, spreekt hij de verbeelding van de kijker aan - als er iemand vertelt, dan is dat de kijker, de schouwer, zoals Lauwaert hem graag noemt, want beschouwen omvat zowel zien als mentaal schouwen.
Zowel in het onderwijs als in zijn essayistiek gaat het hem dus steeds om reflectie, maar dan in concrete, tastbare zin: vertellen, redeneren, het beeld een plaats in een context geven. Lauwaert wil de armoede bestrijden, de armoede van de ervaring, die Walter Benjamin drie kwart eeuw geleden al zag toenemen.
BENJAMIN IS ongetwijfeld belangrijk geweest voor de breedte en keuze van Lauwaerts onderwerpen, en zijn lectuur van Roland Barthes moet Benjamins eis van een concrete kritiek bevestigd hebben: beeld en tekst niet benaderen vanuit een theorie of onmiddellijk ervan wegkijken om er in algemene termen over te oordelen, maar er doorheen, erin doordringen en van die esthetische ervaring verslag uitbrengen. Of zoals Lauwaert het ergens mooi dubbelzinnig formuleert: 'spreken in beelden om het beeld te verslaan’.
In het stuk over Roland Barthes geeft Lauwaert te kennen waarin hij verder wil gaan dan de door hem bewonderde auteur - vandaar de kritische toon. Waar de foto Barthes vooral interesseerde als fascinerend beeld, wil Lauwaert meer afstand en boeit hem in de fotografie het verantwoordelijke beeld; hij prefereert een politieke benadering boven een 'libidineuze lectuur’.
Maar er is nog een andere auteur die hij kritisch behandelt: Baudrillard. Terecht verwijt hij hem met begrippen te goochelen, alle regels lukraak om te keren: 'veralgemening en misplaatste extrapolaties alom’. Terwijl voor Baudrillard kritiek onzin is - omdat men om het even welk standpunt kan innemen - houdt Lauwaert een pleidooi voor een kritische instelling. Zonder ervaring, stelt hij in het laatste opstel, is geen kritiek mogelijk, en ervaring houdt een onderzoekende benaderingswijze in, heeft met authenticiteit en zelfstandigheid te maken, kortom een 'standpunt’ dat 'een moreel principe in het esthetische injecteert’.
Maar Baudrillard heeft wel sporen nagelaten, en wel in Lauwaerts stijl, die nogal ponerend kan zijn. Bijvoorbeeld waar hij, ogenschijnlijk fenomenologisch, de verhouding tussen 'jong’ en 'nieuw’ analyseert, stapelt hij enkele stellingen over 'het nieuwe’ en 'het jonge’ op elkaar, vooral in de meer beschouwende stukken - het kan zijn omdat hij te veel schakels overslaat of weglaat. Ik weet niets van Lauwaerts verleden, maar hij lijkt met een theoretische achtergrond te worstelen, en dat is ook wel sympathiek.