Händels ‹Agrippina› in Brussel

Lessen in liefde en macht

In Brussel wordt deze maand wéér Händels ‹Agrippina› gespeeld. Deze opera-enscenering van David McVicar is, onder andere, een studie over hoe vrouwen kunnen omgaan met hun vrouwelijke macht om die andere, politieke, macht te veroveren.

De faam van de meest briljante enscenering van een barokopera van de laatste jaren is om een reden die ik niet begrijp nog niet in Nederland doorgedrongen. Toen Händels Agrippina in het jaar 2000 in Brussel in première ging, was er maar één Nederlandse recensent: Peter van der Lint van Trouw. Hij was stomverbaasd dat de modernisering van het verhaal door de jonge Engelse regisseur David McVicar nergens plat of onlogisch was. Van der Lint haat de Amerikaanse regisseur Peter Sellars vanwege diens «vreselijke» politieke actualiseringen van klassieke opera’s. Maar deze «kuipende keizerin» vond hij «even hilarisch als geslaagd».

Toch ging geen andere journalist uit Nederland kijken, ook niet dit jaar toen deze Agrippina voor de zomer nog eens werd gespeeld op een «Mostly Händel Festival» in Brussel. Maar dat geeft niet, de opera is in september weer te zien: in de Brusselse Muntschouwburg en daarna in het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs.

Het is de reis waard voor degene die in een moderne lezing van opera is geïnteresseerd. Niet alleen omdat de opera door de Belgische dirigent en barokspecialist René Jacobs is ontdaan van het stof van drie eeuwen en zelfs van de veranderingen die Händel zelf na de première in 1709 heeft aangebracht. Niet alleen vanwege de schitterende zangers en, vooral, zangeressen, die tegelijk grote actrices zijn. Maar vooral door de enscenering van David McVicar, die modern is zonder de klassieke setting te loochenen, die actualiseert zonder hinderlijke betekenissen op te leggen, die in staat is het slimme en subtiele samenspel van persoonlijke en politieke drijfveren te laten zien. Hoe kan liefde, lust, trouw, haat en jaloezie worden misbruikt om macht te krijgen en te houden? McVicar toont proefondervindelijk dat dit niet zoveel hoeft te verschillen, of het nu gaat om het oude Rome, het Italië van de achttiende eeuw of onze huidige wereld.

De Brusselse Opera De Munt leek een beetje achterop geraakt na het vertrek van Gerard Mortier, die al weer een aantal jaren geleden naar Salzburg ging en als directeur werd opgevolgd door Bernard Foccroulle. De Nederlandse Opera onder Pierre Audi leek nu interessanter, zeker als het om moderne en eigentijdse opera’s gaat (De materie, Writing to Vermeer, Die Soldaten, Life With an Idiot — om er maar een paar te noemen). Toch is die indruk niet helemaal juist. Ik zag bijvoorbeeld twee jaar geleden in Brussel Katja Kabanova van Janácek, geregisseerd door een van de belangrijkste Europese regisseurs, de Zwitser Christoph Marthaler. Het benauwende verhaal van de jonge vrouw en haar bikkelharde schoonmoeder was nog benauwender gemaakt door het midden in een troosteloos flatgebouw te zetten, met Katja als een vrouwtje dat we allemaal kennen: zo gewoon, onopvallend en daardoor ontroerend. En onze eigen Gerardjan Rijnders regisseerde in Brussel vorig jaar Antigona van de achttiende-eeuwse Italiaanse componist Tommaso Traetta; een strakke, klassiek ogende voorstelling, vol sprekende details (deze Antigona zal overigens begin volgend jaar in de Amsterdamse Stopera te zien zijn).

En nu een maatgevende voorstelling van Agrippina. Wat krijgen we eigenlijk te zien? Als je het moet schrijven misschien niet eens zoveel spectaculairs. Een voordoek met het symbool voor Rome: de wolf. Die wordt van bedrijf op bedrijf alsmaar woester en bloeddorstiger, naarmate het Romeinse Rijk en de Romeinse politiek steeds meer verloedert.

De zangers worden tijdens de ouverture geïntroduceerd, gezeten op hoge monumentale graftombes, en komen dan tot leven. Op het toneel staat een heel hoge, enigszins wankele gele trap die naar de keizerstroon leidt. Er zijn verder wat hoge Romeinse pilaren en gordijnen. De tombes blijken als dat uitkomt in allerlei praktische meubels te veranderen. De kleding is in dat klassieke paleis hoogst modern (decor en kostuums John Macfarlane).

Maar wat we vooral zien zijn mensen, mensen in politieke situaties. Mensen die manoeuvreren en proberen te manipuleren. De mannen hebben wel veel poeha en dadendrang, maar ze worden gehinderd door één algemene handicap: zodra ze een aardige vrouw zien worden ze afgeleid van hun machtsstreven door de lustgevoelens die zij oproept. De vrouwen kunnen daar op twee manieren op reageren. Als ze dom zijn worden ze verliefd en verliezen ze hun doel — de macht — uit het oog. Maar als ze slim zijn kunnen ze niet alleen de verliefdheid van de mannen gebruiken, maar ook hun ontrouw. Deze opera-enscenering is een studie over hoe vrouwen kunnen omgaan met hun vrouwelijke macht om die andere, politieke, macht te veroveren.

Georg Friedrich Händel (1685-1759) was zelf nog maar een jongen van 24 jaar toen hij tijdens zijn vierjarige studiereis naar Italië, waar hij de opera leerde kennen, in Venetië zijn Agrippina componeerde. Maar hij had tijdens zijn verblijf in Rome een door de wol geverfde librettist gevonden: kardinaal Vincenzo Grimani, die ambassadeur van Oostenrijk bij het Vaticaan was geweest en onderkoning van Napels was; een uitgesproken politieke tegenstander van paus Clemens XI. Agrippina is dan ook geen drama en geen blijspel (al heeft het elementen van beide), maar een politieke satire, waarin Grimani z’n kritiek kon uiten op de toestanden aan het pauselijk hof en de slappe figuur van Clemens.

Grimani gebruikte daarvoor stof die iedereen in Italië die een enigszins klassieke opvoeding had gehad, kende (en die gymnasiasten nog altijd met enige verbijstering lezen): de wrede en moordzuchtige geschiedenis van keizerin Agrippina, getrouwd met de slappe keizer Claudius, die erin slaagt haar zoon uit een eerder huwelijk, Nero, tot diens troonopvolger benoemd te krijgen. Het zijn adembenemende verhalen die de wereldgeschiedenis hebben beïnvloed, en ze zijn minutieus en voor zover wij weten naar waarheid opgetekend door bijna-tijdgenoten Tacitus en Suetonius.

Grimani goochelde met de gebeurtenissen, maar de figuren lijken ons in hun handelingen zeer goed getypeerd. Agrippina is een mooie maar al wat ouder wordende femme fatale die het valse bericht te horen krijgt dat haar echtgenoot, keizer Claudio, dood is. Zij roept direct haar zoontje Nero bij zich om hem te instrueren hoe hij door geld uit te delen en mooie woorden het volk op zijn hand kan krijgen.

De opzet mislukt omdat Claudio levend en wel terugkeert, maar Agrippina blijft onverdroten stoken en intrigeren om haar zoon op de troon te krijgen. Zij merkt echter dat zij haar greep op Claudio kwijt aan het raken is omdat hij verliefd is geworden op de jongere Poppea. Na een moment van wanhoop weet zij echter ook deze situatie naar haar hand te zetten. Als Claudio zo dringend naar zijn liefje wil, moet hij eerst maar beloven dat Nero straks zijn troonopvolger zal zijn. Anders zal zij hem niet laten gaan.

Deze opzet van Agrippina lukt en op de laatste bladzijde van het programmaboek vol afbeeldingen van Romeinse keizers en moderne vrouwen uit de politiek, zien we Hillary Clinton die tevreden kan klinken met een glaasje wijn: heeft zij ook niet het overspel van haar man in haar eigen politieke succes weten om te zetten?

Händel schijnt deze opera in niet meer dan drie weken te hebben geschreven. Hij heeft daarbij rijkelijk gebruik gemaakt van eerdere composities van zijn hand en zelfs van de Hamburgse componist Reinhard Keiser. Andersom heeft hij muziek uit Agrippina later weer voor andere werken gebruikt.

Dirigent René Jacobs deed onderzoek in de oude handschriften en ontdekte dat Händel na de première in Venetië heel wat wijzigingen heeft aangebracht. Volgens Jacobs zichtbaar met tegenzin (de lijntjes waarmee een passage is doorgestreept zijn soms heel dun) en op aandringen van ijdele zangers, die meer op hun persoonlijk succes waren gericht dan op de betekenis van de opera als geheel.

De jonge en onervaren Händel was toen nog niet tegen deze beroemde zangers opgewassen. Jacobs heeft nu geprobeerd de oorspronkelijke ideeën van Händel te herstellen, ervan uitgaande dat Händel zijn opera in nauwe samenwerking met librettist Grimani heeft samengesteld en dat zelfs in het hergebruik van bestaande melodieën vaak een satirisch element verscholen kan zijn.

Soms lijkt me dat al te inventief geredeneerd, maar het levert een aangename lichte, gevarieerde wijze van musiceren op (door het oude muziekensemble Concerto Köln). En er wordt, vooral door de vrouwen, ongelooflijk goed gezongen. Anna Caterina Antonacci is een prachtige, soms scherpe sopraan en zij speelt tegelijk een overheersende, soms aantrekkelijke, soms sluwe, soms dreigende, soms wanhopige Agrippina die aan het einde toch weer alle touwtjes in handen heeft.

De sopraan Malena Ernman speelt en zingt de jonge Nero als een slungelige, onhandige, verwende puber, met een lange lok haar die steeds over z’n gezicht valt. Zij heeft de quasi-onverschillige motoriek van een opgroeiende jongen perfect bestudeerd en laat ons zijn aanvankelijke onzekerheid in houding, motoriek en zingen zien. Pas met een vleugje wit poeder is hij in staat tot bravoure en hartstocht.

Maar het allermooiste vond ik Miah Persson zingen, een jonge Zweedse sopraan en naar mijn gevoel een toptalent. Zij laat een Poppea zien die werkelijk houdt van haar minnaar Ottone en die het alleen maar lastig vindt dat allerlei hoog geplaatste heren, zoals Claudio en Nerone, achter haar aanzitten en naar haar gunsten dingen. Zij krijgt daardoor ruzie met haar verloofde Ottone, en daarna zien we haar in een piano bar, waar zij haar verdriet verdrinkt en zich achter een vaas bloemen verstopt als Ottone binnenkomt. De scène hoort eigenlijk in een binnentuin te spelen, maar een bar vol verlopen mensen past hier veel beter. En dat de piano in deze bar een klavecimbel is, waarop een uitgebreide solo wordt getingeld, is volkomen op z’n plaats.

Deze Poppea leert het leven kennen; zij verstopt haar diverse minnaars in allerlei kasten en is aan het einde net zo door de wol geverfd als Agrippina en klaar om de hoofdrol te vertolken in L’Incoronazione di Poppea, de opera van Monteverdi waarin gedeeltelijk dezelfde personen optreden, maar twaalf jaar later, en allemaal ouder en harder geworden.

De mannen zijn in deze voorstelling maar klungels. Behalve Nero zijn er het opgeblazen heertje Claudio (Lorenzo Regazzo), de brave, onnozele Ottone (Lawrence Zazzo) en als komisch duo twee vertrouwelingen van Agrippina, die naar haar pijpen dansen als ze elkaar proberen te overtroeven (Antonio Abete en Dominique Visse).

Alle moderniseringen lijken in deze voorstelling op hun plaats te vallen. Aan het begin staan de personen uit hun graftombes op en komen tot leven om ons hun verhaal te vertellen. Door deze monumentale graven realiseren wij ons des te meer dat het om reële mensen gaat, mensen die werkelijk hebben bestaan, al is het zo’n kleine tweeduizend jaar geleden, en die nog zouden kunnen bestaan.

Opera is een bijzondere kunstvorm die door zijn ingewikkelde structuur persoonlijke relaties altijd in een groter verband laat zien. De muziek geeft de personages karakter en tilt ze tegelijkertijd boven het al te individuele uit. In deze Agrippina-uitvoering is niet geforceerd geprobeerd de personages op mensen van nu te laten lijken, maar ze laat zien dat deze intriges om macht en liefde niet alleen in de eerste eeuw na Christus hebben plaatsgevonden, maar van alle tijden zijn. Het is een vrolijke, enerverende, vaak grappige, soms onthutsende vertoning die verschrikkelijk is als je beseft welke wereldbelangen er hier in het geding waren en zijn.

Met deze Agrippina heeft Brussel weer een mijlpaal gezet in het opvoeren van oude opera’s. In 1986 vond daar de première plaats van La Finta Giardiniera, een jeugdwerk van Mozart dat tot dan toe als een onbetekenend Singspiel werd gezien. In die uitvoering, geregisseerd door Ursel en Karl-Ernst Herrmann, zagen we geen stereotiepe personages maar herkenbare jonge mensen die gek worden van verdriet en liefde en die dat verdriet en die gekte wel móeten uitzingen. Karl-Ernst Herrmann gaf ze niet meer dan een beekje en een populierenbosje om in rond te dwalen; het was in alle eenvoud beeldschoon (de cd met de live-opname van deze enscenering is overigens op het ogenblik voor een paar euro bij ons aller weldoener het Kruidvat te koop).

Daarna bracht de Brusselse Munt in 1988 Händels Giulio Cesare in Egitto, geregisseerd door de Amerikaan Peter Sellars. Hij plaatste de handeling in het moderne Midden-Oosten, in de toekomst, alsof hij wist dat er een oorlog tegen Irak zou gaan plaatsvinden, alsof hij wist dat er zo iemand als Clinton aan de macht zou komen in de Verenigde Staten en zou proberen vrede te stichten in het Midden-Oosten.

Het rare is dat deze enscenering (waar een video-uitvoering van bestaat) met de tijd alsmaar actueler wordt, al is hij misschien niet eens cynisch genoeg om de huidige situatie in Irak te beschrijven. Maar de olietankers en de zakken met dollars, de woeste zelfmoordcommando’s, de misverstanden tussen Oost en West waren er al in deze Händel-voorstelling die tegelijk over het Romeinse, het achttiende-eeuwse Engelse en het huidige Amerikaanse imperialisme ging.

In deze reeks past deze voorstelling van Agrippina, die politiek is als die van Sellars en esthetisch als die van de Herrmanns. Een vrolijke analyse op prachtige muziek van onze zwakheden en hebbelijkheden, van onze aspiraties en ons falen, van de misselijke toevalligheden die de geschiedenis mede beïnvloeden en van de mensen die radeloos en hulpeloos, maar met verbeten kracht die geschiedenis maken.

Agrippina van Händel is nog te zien en te horen: 4, 5, 9 en 11 september (19.00 uur) en 7 en 14 september (15.00 uur) in Koninklijke Schouwburg De Munt, Munt, 1000 Brussel. Telefoon: 00 32 70 233939. www.demunt.be

Daarna: 23, 25, 27 en 28 september in Théâtre des Champs-Elysées te Parijs. www.theatrechampselysees.fr

De sopraan Miah Persson zingt bij De Nederlandse Opera in Samson van Händel, ook gedirigeerd door René Jacobs