Lessen uit de rode martelkamer

In onze doorgeschoten consumptiecultuur moeten we losbreken uit de hedonistische tredmolen, schrijft filosoof Ad Verbrugge. Dat vraagt om gemeenschap tussen mensen. En om her-belichaming. Dat kunnen we leren van Vijftig tinten grijs.

Ad Verbrugge, Staat van verwarring: Het offer van liefde

Medium verbrugge staat van verwarring

In onze doorgeschoten consumptiecultuur moeten we losbreken uit de hedonistische tredmolen, schrijft filosoof Ad Verbrugge. Dat vraagt om gemeenschap tussen mensen. En om her-belichaming. Dat kunnen we leren van Vijftig tinten grijs.

Even houd je de adem in, als je leest dat het nieuwe boek van cultuurfilosoof Ad Verbrugge gaat over E.L. James’ _Vijftig tinten-_trilogie. Is het echt nodig de discussie weer aan te wakkeren over seksualisering die de maatschappij ontwricht of pulplectuur die de ‘hoge cultuur’ platwalst? Verbrugge doet echter precies het tegenovergestelde: hij neemt de romans serieus en interpreteert de sadomasochistische relatie van de hoofdpersonen in termen van een collectief verlangen naar gemeenschap. Als miljoenen vrouwen zo gretig die boeken verslinden, zegt dat iets over deze tijd, stelt hij. Dat levert een boeiend essay-in-boekvorm op dat op vele punten open staat voor discussie.

Het offer van liefde is het eerste deel van het tweeluik Staat van verwarring. Het boek ‘overkwam’ Verbrugge toen hij het al aangekondigde Staat van verwarring aan het afronden was, zo vertelt hij in het voorwoord. De aantekeningen over erotische liefde die hij schreef tijdens het bewerken van die maatschappijkritische teksten over cultuur en economie welden op uit persoonlijke ervaring en groeiden uit tot een volwaardig boekwerk.

Het grote verhaal dat Verbrugge in de steigers zet is dat de ‘virtuele consumptiecultuur’ het probleem is, en een intensivering van gemeenschap de oplossing. In Het offer van liefde gaat het om de individuele seksuele ‘gemeenschap’ tussen twee personen, die het begin is van een groter geheel. De stap van erotische liefde naar een betekenisvol samenleven volgt hij nauw­gezet, maar hoe de stap vervolgens wordt gezet naar die maatschappelijke samenhang zal pas later helemaal duidelijk worden. Dat geeft niet, want in de tussentijd is er genoeg om over na te denken, zoals het verband dat hij legt tussen de sadomasochistische relatie uit Vijftig tinten grijs en de christelijke liefde. Beide zijn gebaseerd op ‘opoffering’.

Na zijn filosofische bestseller Tijd van onbehagen uit 2004, waarin hij de westerse samenleving als een ‘cultuur op drift’ analyseerde, kreeg hij het stempel van conservatieve denker opgedrukt. Die traditionele stem klinkt ook in Staat van verwarring door, al was het maar in de wat archaïsche stijl, die een merkwaardig contrast vormt met de inhoud. Bijvoorbeeld als hij het heeft over porno. Die mag hier gelden als de demon van wat Verbrugge noemt de ‘virtuele consumptiecultuur’. Porno is seks die geconsumeerd wordt, en dan niet in de oorspronkelijke zin van het woord (gebruiken of nuttigen), maar in de hedendaagse betekenis van ‘kopen en daarna zo snel mogelijk weggooien’. En dat bovendien niet in fysieke aanwezigheid van elkaar, maar via schermen en online verbindingen. Verbindingen die juist zorgen voor ‘ontbinding’, zoals ook het eerste deel van Het offer van liefde heet. Dat de lijfelijke aanwezigheid bij porno verdwijnt is voor Verbrugge een veelzeggend voorbeeld van een algehele tendens tot ‘ontlijving’. En dat is precies wat de erotiek, als geïntensiveerde lijfelijkheid en het optimaal aanspreken van de zintuigen, kan omkeren.

Verbrugge voert de personages uit Houellebecqs roman Elementaire deeltjes als voorbeeld op om te laten zien hoe afgestompt de zogenaamde ‘postmoderne mens’ is. Hij kampt met een onvermogen tot overgave en toewijding, waardoor hij in zichzelf opgesloten zit. Je ziet de mannen van Houellebecq al zitten, eenzaam achter hun schermen zichzelf bevredigend met wegwerpseks.

Deze analyse van de virtualiteit, porno en de ‘ontlijving’ die daarvan het gevolg is, had meer aandacht verdiend. Het lijkt soms alsof Verbrugge vooral de knuppel in het (progressieve) hoenderhok wil gooien. Moderne protestacties laten zien dat ‘virtuele verbindingen’ zich evengoed voortzetten in offline netwerken. Ook de maatschappelijke discussie rond feminisme, beeldvorming, porno en vrouwenrechten die de laatste maanden is opgelaaid in opiniestukken, op blogs en op straat met bijvoorbeeld Femen en Pussy Riot, laat hij links liggen. Het gaat hem dan ook vooral om een filosofische kritiek op de erfenis van de jaren zestig. Die mannen uit Houellebecqs Elementaire deeltjes zijn de ware erfgenamen van die tijd, en zij zijn niet te benijden. Ze hebben de vrijheid veroverd, denken ze, maar zitten evenzeer verstrikt als hun voorgangers. Het zijn gespleten individuen: overtuigd van het idee ‘vrijheid’ maar levend in een kluwen van conventies en onuitgesproken regels, als een kleverig deeg waar niet doorheen te bewegen valt. Van Freud hebben we geleerd dat we van alles onderdrukken en van Foucault dat we onherroepelijk vastzitten in machtsstructuren, toch lukt het niet om daar iets anders tegenover te zetten dan consumeren, consumeren en nog meer consumeren, aldus Verbrugge.

Goed, dat de vrijheid een illusie is en de revolutie van de jaren zestig een zeepbel, dat wisten we al langer. Is het niet precies die illusie die maakt dat we ons dan maar overgeven aan een soort relativerend hedonisme? Waarom is het nodig om nogmaals de doodsklok over de babyboomers te luiden? Verbrugge overtuigt met weer een verrassende wending. De revolutie van de jaren zestig, ook de seksuele, is mislukt. Conventies gelden nog even zwaar en het gebod om te genieten is misschien wel de zwaarst wegende daarvan. Hoe is dat te doorbreken? De miljoenen lezers van Vijftig tinten grijs wijzen de weg: juist via de seksualiteit. Dat wil niet zeggen dat iedereen aan bondage moet gaan doen, maar Verbrugge stelt Christian Grey en zijn Ana wel ten voorbeeld als het gaat om de erotische verbinding die zij tot stand brengen.

Dat de steenrijke man zijn bleue maagd niet alleen verovert en domineert, maar ook bezwangert en trouwt, is natuurlijk een beetje jammer, zeker met het oog op het opnieuw opgelaaide feminisme. Was het nou net niet een verworvenheid van die vermaledijde jaren zestig dat het allemaal niet meer volgens het boekje hoefde? Dat vindt Verbrugge ook, hoewel hij zich er wel erg makkelijk overheen zet. Ja, Ana ‘bevrijdt’ Christian evengoed als andersom; zij bevrijdt hem geestelijk, hij haar lichamelijk. Daar valt wel een kritischer analyse van te geven.

De keus om een controversieel boek als Vijftig tinten grijs als uitgangspunt van een filosofisch essay te nemen, valt te prijzen. Maar dat betekent niet dat alle elementen uit de roman vervolgens naadloos binnen de maatschappelijke interpretatie ervan hoeven te passen. Op hetzelfde spoor valt het Verbrugge aan te rekenen dat hij geen oog lijkt te hebben voor andere relaties dan die van man en vrouw. Homostellen, maar ook bijvoorbeeld samengestelde gezinnen, lijken maar met moeite binnen dit plaatje van de liefde als gemeenschap te passen. De traditionele burgerlijke verhoudingen mogen dan sinds de jaren zestig niet meer gelden, ze blijven het sluitstuk van zowel Vijftig tinten grijs als Verbrugge’s betoog.

Mannen en vrouwen zijn gelijk in maatschappelijk opzicht, in de beeldvorming (porno bijvoorbeeld) ligt juist een steeds grotere nadruk op verschillen, stelt Verbrugge. Bij de relatie in Vijftig tinten zijn de rollen daaren­tegen helemaal niet gelijk. De man oefent volledige controle uit over de vrouw. Verbrugge gaat uit­gebreid in op Foucault en zijn filosofie van macht. Wat Foucault over het hoofd heeft gezien, zegt hij, is hoe macht ook in dienst kan staan van liefde. En dat is precies wat in Vijftig tinten grijs gebeurt. De man en de vrouw nemen beiden een afzonderlijke rol in de verhouding in, maar geven die verhouding een gemeenschappelijke vorm. Ze zijn niet gelijk maar gelijkwaardig, heet dat dan. Juist dat maakt het mogelijk om tot een gemeenschap te komen. De liefde wordt niet meer geslachtofferd aan de consumptiecultuur, maar geofferd aan de geliefde. En dat betekent pas echte vrijheid (maar wie bepaalt voor mij wat vrijheid is, antwoordt ‘de postmoderne mens’ daar natuurlijk op).

Het losbreken uit de hedonistische tred­molen vraagt om her-belichaming, zou je kunnen zeggen. Hoe je dat doet, kun je leren van Christian en Ana. Juist, van de handelingen in de rode martelkamer. SM is te zien als een verhevigd aanspreken van alle zintuigen. De handelingen hebben steeds te maken met het manipuleren van de zintuigen: blinddoeken is een goed voorbeeld, maar ook bondage. Twee woorden zijn daarbij essentieel: discipline en concentratie. Dat is voorheen vooral begrepen als een individuele aangelegenheid, maar begint bij Verbrugge met twee mensen die zich tot elkaar aangetrokken voelen en daar zogezegd werk van maken.

Interessant is de voortdurende terugkeer naar die gemeenschap die Verbrugge weet te maken. Dat betekent dat hij het niet bij discipline als ‘doorzettingsvermogen’ laat, maar verder denkt in de richting van de disciplinering van de ander, en jezelf laten disciplineren. Discipline heeft altijd vanaf het begin te maken met een ander, met wie je in een betekenisvolle relatie treedt. In het ideale geval zie je in de liefde een ‘innerlijke samenhang tussen vrijheid en discipline’, dat wat Foucault volgens Verbrugge in zijn analyse van macht over het hoofd zag. Je kunt je afvragen of Verbrugge op zijn beurt niet te weinig oog heeft voor de gevaren die Foucault nu juist zo pregnant voor het voetlicht bracht.

Verbrugge is niet de enige die een begrip als discipline, toch lange tijd gezien als enigszins gevaarlijk, nieuw leven inblaast. De nieuwe Denker des Vaderlands René Gude riep in Stand-up filosoof onlangs op tot een filosofie van training. Een idee dat ook door Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen minutieus uiteen is gezet. Verbrugge noemt Sloterdijk niet, terwijl beiden sport aanhalen als een manier om discipline dan wel training te begrijpen – toch niet een regulier filosofisch onderwerp.

Je in alle vrijheid laten disciplineren is de meest radicale opstand tegen de vluchtigheid van de consumptiecultuur. Dat is wat het ‘offer van liefde’ inhoudt. De liefde is in eerste instantie lichamelijk, net als in Vijftig tinten grijs, en begint ‘met de erotische overgave als een vorm van genot die intenser is dan ongedisciplineerde consumptie’. Je overgeven aan intens genot, dat klinkt niet heel conservatief. Maar aan het slot kantelt het verhaal opnieuw en legt Verbrugge ‘gemeenschap’ uit in christelijke termen. Was het religieuze keurslijf in de jaren zestig niet ook aan de kant geschoven? ‘Offer van liefde’ is in deze betekenis dat wat Christus bracht aan de mensheid en wat de gelovigen brengen aan God. De combinatie met Vijftig tinten SM brengt in eerste instantie middeleeuwse Inquisitie-taferelen op het netvlies. Maar ook doet het denken aan het offer van Abraham, zoals Kierkegaard het beschreef in Vrees en beven. Het ultieme offer uit liefde dat onbegrijpelijk is, ook voor degene die het uitvoert. Kierkegaard benoemt het gevaar dat zo’n bereidheid tot offeren inhoudt, haast als een waarschuwing tegen terrorisme. Jacques Derrida (toch de postmoderne filosoof bij uitstek!) heeft dat later uitgewerkt in De gave van de dood, een tekst die een kritische reflectie biedt op dit soort offers in religieuze context.

Dit eerste deel van Staat van verwarring is meer dan ‘een boek over liefde’. Het vertrekt vanuit de erotiek maar heeft een verstevigde gemeenschap als inzet. Ad Verbrugge wil niet de zoveelste ‘liefdesfilosoof’ worden en dat is begrijpelijk. Het sentimentalisme in een kostuum van ironie weten die liefdesfilosofen maar moeilijk van zich af te schudden. Bang hoeft Verbrugge niet te zijn: met Staat van verwarring toont hij zich een van de meest toonaangevende filosofen die Nederland rijk is.


Ad Verbrugge, Staat van verwarring: Het offer van liefde, Boom, 264 blz., € 23,50