Wat het Rode Kruis probeert

Lessen van de ramp

Ruim een maand vóór de zeebeving bracht het Rode Kruis een kritisch rapport uit over de dilemma’s van internationale (nood)hulp. Volgens Ton Huijzer van het Nederlandse Rode Kruis is die kritiek helaas van toepassing op de immense ramp in Azië.

«Natuurlijk is hulp altijd te laat. De vloedgolf heeft mensen in de getroffen gebieden compleet verrast en de omvang gaat iedere hulporganisatie te boven.»

Ton Huijzer werd als hoofd internationale hulpverlening van het Nederlandse Rode Kruis geactiveerd zodra de eerste informatie over de zeebeving op tweede kerstdag doorkwam. «De feiten kwamen aanvankelijk mondjesmaat binnen en er werd gesproken over een dodental van rond de zevenduizend. Op dinsdag vertrokken onze eerste hulpvluchten vanuit Pakistan en Luxemburg naar Sri Lanka. We kopen altijd goederen en vluchten internationaal zo goedkoop mogelijk in. Als we vanaf Schiphol waren vertrokken, dat voor die bestemming veel duurder was, zouden er cameraploegen zijn geweest om ons vertrek te filmen. Misschien drong het daarom niet meteen door tot de Nederlandse huiskamers dat we snel in actie kwamen.»

Huijzer reageert op kritiek in de pers dat de internationale hulpverlening te laat op gang kwam, terwijl particulieren wel onmiddellijk met dozen vol goederen ter plaatse hulp boden: «Zo’n vergelijking doet geen recht aan de complexe werkelijkheid. Mensen zien beelden van zakken rijst die op een vliegveld blijven liggen of wanhopige slachtoffers die verstoken zijn van hulp en denken dan: er gebeurt weer helemaal niks. Deze ramp is onafzienbaar en de meeste gebieden zijn moeilijk bereikbaar. Hulp van particulieren is natuurlijk goed bedoeld, maar is op een dergelijk grote schaal piepklein. Deze ramp is uniek vanwege de geografische omvang. Hij heeft de kustlijn van vele landen getroffen, waarvan bovendien twee gebieden vanwege de politieke situatie – Sri Lanka en Atjeh – extra lastig toegankelijk zijn. In Atjeh moest eerst een staakt-het-vuren worden afgekondigd voordat er hulp mocht komen. Door de aanwezigheid van vele duizenden toeristen komt het bovendien heel dichtbij. Amateurbeelden gaan de wereld over en tv-ploegen tonen vanaf het begin van uur tot uur het drama.»

Huijzer zegt dat het bij deze «unieke ramp» niet een kwestie is van welke vorm van hulp het beste is: «Directe noodhulp is nodig. Zonder de inzet van legers kan het niet worden aangepakt. Vliegdekschepen benaderen nu de gebieden vanaf zee en vanuit de lucht worden goederen gedropt. Dat neemt niet weg dat sommige landen het afkunnen zonder internationale hulp. We zien dat in Thailand en in iets mindere mate in India: daar zijn de lokale organisaties goed georganiseerd. De Thaise autoriteiten hebben zelfs gezegd geen geld te willen.»

Bij een natuurramp is, meer algemeen gesteld, lokale hulpverlening beter dan de inzet van internationale hulporganisaties. Deze conclusie werd ruim een maand vóór de zeebeving getrokken door de oudste en grootste hulporganisatie ter wereld, het Rode Kruis (officieel de Internationale Federatie van Rode Kruis en Rode Halve Maan Verenigingen). In oktober vorig jaar verscheen het opmerkelijk kritische rapport Wereld Rampen Rapport 2004, waarin staat dat bij noodhulp na een natuurramp de nadruk moet liggen op de lokale kracht in plaats van te vertrouwen op het mobiliseren van hulp uit het Westen. Dat is vaak effectiever, want volgens het rapport werkt noodhulp soms averechts door de capaciteit van de lokale gemeenschap om zeep te helpen. Het rapport schrijft: «Organisaties luisteren soms nauwelijks naar de getroffenen. In plaats daarvan stellen ze hen voor als ‹rampslachtofferclichés›, waarbij de plaatselijke gemeenschap wordt geportretteerd als volkomen hulpeloos. Het is een mythe dat alleen westerse landen en hulporganisaties weten wat het beste is.»

Dit inzicht is onder meer gebaseerd op ervaring met de aardbeving in Bam (Iran) in 2003. Daar bleek dat 34 hulpteams uit 22 landen slechts 22 mensen onder het puin vandaan haalden, terwijl hulpverleners van de Iraanse Rode Halve Maan 157 mensen wisten te redden, en buren en lokale vrijwilligers «vele honderden». Of internationale hulpverlening werkelijk voldoet aan de behoefte van slachtoffers wordt kernachtig geïllustreerd door een inwoner uit Bhuj, India, die na een aardbeving in 2001 zei: «Ik wil geen noodhulp of compensatie. Mijn eigen problemen oplossen is voor mij de beste manier om eroverheen te komen.»

Staat er in dit rapport tussen de regels eigenlijk: hulp helpt niet, het is beter om te stoppen met internationale hulpteams?

Ton Huijzer: «Nee, dat is te cru gesteld. Hulp van buitenaf is bij grote rampen altijd nodig. In Azië is dat evident. Maar de balans is soms zoek. De nadruk ligt op wat we in het Westen allemaal kunnen, en dat exporteren we als het noodlot ergens ter wereld toeslaat. Complexe crises vragen om een goed evenwicht tussen snelle, levensreddende noodhulp en lange termijnondersteuning die duurzame ontwikkeling brengt. Daarnaast moeten we inzetten op disaster preparedness, zoals een goed meldingssysteem, zodat mensen kunnen wegtrekken vóórdat er een natuurramp plaatsvindt. In Bangladesh werkt dat goed. Onlangs was er een grote overstroming, maar vielen er nauwelijks slachtoffers vanwege een voortijdige waarschuwing. In Azië had dat vele duizenden levens kunnen redden. Mensen zaten rustig op het strand, terwijl ze na een melding van de zeebeving ruim de tijd hadden gehad om vóór de vloedgolf weg te trekken landinwaarts.»

Sinds twaalf jaar geeft de Federatie van Rode Kruis en Rode Halve Maan Verenigingen in Genève opdracht aan onafhankelijke onderzoekers om jaarlijks een rampenrapport uit te brengen. De kracht is dat het geen quasi-zelfkritische rapporten zijn.

Ton Huijzer: «Hiermee willen we een voortrekkersrol nemen in de discussie over de vele ngo’s en hulporganisaties die over de wereld van ramp naar ramp trekken. Het dreigt een industrie te worden die zichzelf in stand houdt als er niet meer rekening wordt gehouden met de behoeften en mogelijkheden op locatie.»

Huijzer wil geen cynisch beeld neerzetten, want er werken volgens hem veel mensen met enorm veel energie en elan. Maar, zegt hij, de praktijk is soms anders: «Als je ergens te lang blijft hangen, wordt de structuur van een gemeenschap overhoop gehaald. Huurprijzen vliegen omhoog, salarissen worden kunstmatig opgedreven en er vindt een braindrain plaats van geschoolde mensen die gaan werken voor internationale organisaties omdat ze meer kunnen verdienen. Ook zie je soms dat de tientallen internationale hulporganisaties elkaar beconcurreren en onvoldoende samenwerken.»

Een ander punt van kritiek is dat het Rode Kruis in toenemende mate het gevaar loopt een speelbal te worden van politiek-strategische agenda’s. Dat werd uiteengezet in het rampenrapport van 2003, Rode Kruis: Humanitaire hulp polariseert gevaarlijk. De conclusie was dat hulpverlening steeds meer gestuurd wordt door politieke agenda’s, die sommige noodsituaties «bevoorrechten» boven andere, waardoor miljoenen mensen in vergeten situaties niet de hulp ontvangen die ze wél nodig hebben. Het rapport constateert een verschuiving in aandacht van donoren en hulporganisaties naar politiek-strategische conflicten waar veel mediabelangstelling naar uitgaat, zoals Irak en Afghanistan. Vergeten gebieden zijn vooral in Afrika te vinden.

Het Rode Kruis heeft in haar lange bestaan altijd getracht een antwoord te vinden op verandering en verschuiving van behoeften. De organisatie werd opgericht door de Zwitserse bankier Henry Dunant, die in 1859 toevallig getuige was van een zware veldslag bij het Italiaanse Solferino tussen het Franse leger van Napoleon III en het Oostenrijkse leger. Dunant richtte provisorisch hulpposten op voor gewonden van beide partijen. Vanuit deze ervaring ontwikkelde hij het idee voor het Internationale Permanente Comité van hulpverlening aan gewonde militairen, opgericht in 1863, de voorloper van het Internationale Rode Kruis Comité, dat in 1880 werd geboren.

Dunants plan beantwoordde aan de humanitaire bewogenheid van de Europese samen leving aan het einde van de negentiende eeuw. Zestien Europese staten keurden het voorstel goed om neutrale verenigingen van vrijwilligers op te richten. Als kenteken werd gekozen voor een rood kruis op een wit vlak, de omgekeerde Zwitserse vlag. Beperkte het Rode Kruis zich aanvankelijk tot oorlogsgewonden, na de Eerste Wereldoorlog breidde het werkterrein zich steeds verder uit. Besloten werd zich ook in vredestijd voor oorlogsslachtoffers in te zetten, en «waar nodig menselijk lijden te verzachten en voorkomen».

De holocaust en massale bombardementen op steden tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten duidelijk dat de militaire doelgroep (inclusief de behandeling van krijgsgevangenen) om uitbreiding vroeg: ook burgerslachtoffers hadden recht op bescherming. Dit leidde in 1949 tot de Verdragen van Genève, die de basis vormen van het internationale humanitaire recht. Inmiddels werken er overal ter wereld 128 miljoen hulpverleners, deels als vrijwilligers, en hebben meer dan 180 landen een nationale zusterafdeling van het Rode Kruis of – in islamitische landen – een Rode Halve Maan (die eigen vlag kwam tot stand op initiatief van Turkije, dat vond dat het kruis een christelijke connotatie had). De doelgroep voor de hulp is breed: slachtoffers van natuurrampen, ziekten, structurele wantoestanden (vervuild water en slechte hygiëne) en oorlogen.

Aan de status als neutrale, onafhankelijke partij heeft het Rode Kruis altijd haar waarde ontleend. Ten tijde van de Koude Oorlog kwam dit principe volgens Huijzer nauwelijks onder druk te staan: «De wereld was helder ingedeeld. Landen tot in de verste uithoeken waren onderdeel van de twee machtsblokken; onze neutraliteit werd niet betwist. Sinds enkele jaren zijn we doelwit van strijdende partijen vanuit de redenering: als je niet voor ons bent, dan ben je tegen ons. Dat zie je het duidelijkst gebeuren in Irak en Afghanistan.»

In Irak werd een jaar geleden het kantoor van het Rode Kruis in Bagdad opgeblazen, waarbij doden en gewonden vielen. In zowel Afghanistan als Irak lopen alle hulpverleners de kans ontvoerd te worden, soms voor losgeld, maar meestal om politieke redenen. Fundamentalistische groeperingen zien hulpverleners, ook neutrale, als onderdeel van de Amerikaanse en Britse bezettingsmacht. In Irak heeft het Internationale Rode Kruis haar werkzaamheden sterk moeten inperken.

Volgens Huijzer raakt de onveiligheid van de medewerkers direct aan belangrijke grondbeginselen van de organisatie: neutraliteit en onafhankelijkheid. Voorzichtig stelt hij dat deze ontwikkeling niet alleen wordt veroorzaakt door extremistische bewegingen die lak hebben aan internationale afspraken. Ook walsen overheden en donoren te makkelijk over neutraliteit heen: «Je ziet een tendens dat humanitaire hulp wordt gezien als een onderdeel van politiek-militaire middelen. In Irak moet een democratische staat neergezet worden en hulpverlening past daar in. Grof gezegd: om de hearts and minds van de bevolking te winnen. De formele bezetters, de Britten en de Amerikanen, bieden geen ruimte voor onafhankelijke hulpverlening.»

Meer dan ooit is neutrale en onafhankelijke humanitaire hulp een noodzaak om slachtoffers van conflicten te kunnen bereiken, meent Huijzer. Wat de ramp in Azië betreft: «In Sri Lanka en Atjeh speelt dit ook, maar we kunnen er nu niet precies de vinger op leggen. Als straks een analyse van de gebeurtenissen gemaakt wordt, zal daar zicht op komen. De lessen van deze ramp zullen zijn: investeren in meldingssystemen, en bij kolossale rampen: onmiddellijke inzet van legers mogelijk maken.»