Let op! bijbelverwijzing overdwars

Frans Kellendonk, Mystiek lichaam. Uitgeverij Meulenhoff, 195 blz., f34,90
DE EERSTE KEER dat ik Mystiek lichaam las, was ik in vervoering. Het was wel niet echt een swingend boek, maar het was ook beslist niet zo houterig, steriel, bedacht als heel veel andere Nederlandse literatuur. Mystiek lichaam was een beetje toveren met woorden en het kwam in golven. Ik onderging het. De inhoud was me niet zo duidelijk. Maar ik meende zeker te weten dat Mystiek lichaam over iets anders ging dan waar de polemieken van de heren literatuurcritici over woedden, die het boek eerst controversieel maakten en daarna klassiek. Dat vond ik natuurlijk omdat ik dat boek koesterde. Mijn boek. Zo zag ik dat toen. Tien jaar geleden.

Nu heb ik Mystiek lichaam onlangs herlezen. En ik vond het echt helemaal niets! Opgeklopte lucht! Slecht geschreven! Compositorisch incoherent! Ronduit slaapverwekkend in z'n totale gebrek aan inleving en overvloed aan gemakzuchtig quasi-psychologisch/filosofisch gedoe!
Mystiek lichaam is een allegorisch werk, dat wordt al in de eerste zin duidelijk, waar ene A. W. Gijselhart wordt geintroduceerd. Gijselhart. Niemand heet zo. Dus betekent het iets. Een gegijzeld hart.
Dat blijkt ook wel te kloppen. Gijselhart is slaaf van zijn vele geld, lijdt aan verzamelwoede, heeft een museum gemaakt voor zijn volwassen dochter, die hij bij zich wil houden. Die dochter heet Prul. Alweer zo'n naam. Nou, dat is ook een prul. Ze wil aan de man, ze wil van alles, niets lukt.
Geen naam in het boek of hij staat ergens voor. Als de mislukte Prul in Amsterdam een huis koopt, dan is dat op de hoek van de Kostverlorenkade en de Onbekendengracht. De sukkelende jood van middelbare leeftijd die Prul een kind bezorgt, heet Pechman. Dat Prul dat kind kreeg was een overwinning voor haar, dus heet het kind weer Victor. De broer van Prul, die met het kind van Prul het vaderschap tracht te spelen, wat hem door zijn homo- zijn wordt onthouden, heet Leendert. Vat je hem? Van een vaderschap lenen dus. En dat niet alleen. Het blijkt nog veel dieper te gaan met dat lenen.
Het zijn niet alleen de namen die diep galmen. Over de poort voor de gebouwen van Gijselhart lezen we: ‘De poort werd bekroond door de naam Doornenhof in smeedijzeren letters.’ Doornen? Kroon? Wat was de titel van het boek ook alweer? Mystiek lichaam? Als de lezer nu nog niet is gewaarschuwd, dan is hij blind. Alles schreeuwt: Let op! Dit boek bevat dubbelzinnige verwijzingen naar de bijbel! Niets is toevallig! Niets is wat het lijkt!
EENMAAL geimponeerd door de symfonische inzet waarmee het spel wordt gespeeld, moet de nederige lezer wel bewonderen. Als hij ergens iets lelijk vindt, dan komt dat alleen maar omdat hij een Laag mist. Die zinnen lijken protserig misschien, maar dat hoort juist zo: 'Een vijfentwintigwatts zonnetje brandde achter de ochtendgrijsheid. Ze huiverde en trok haar schouderbladen samen onder haar regenjas. Bleef tot ze ontzet werd afwisselend zuchten en huiveren. De nevel was in haar witte haar gekropen, fijne druppeltjes hadden zich afgezet op haar wenkbrauwen, wimpers, het anders onzichtbare dons van haar wangen en nek. Voor de binnenkant van de poort, in de metalen tuin, drentelde de hond zwarte oneindigheidstekens.’
Is de schrijver hier niet heel puberaal bezig Literatuur te veinzen door alles wat je ook gewoon kan zeggen dwangmatig op te poetsen, om te draaien, dood te metaforeren? Had de schrijver niet een veel kortere brief geschreven als hij niet alleen meer tijd had gehad, maar ook minder gemakzuchtig was geweest? Schreeuwt de schrijver niet erg nadrukkelijk zichzelf toe? En wordt de nederige lezer daardoor niet elke mogelijke inleving ontnomen? Ja, dat denk ik nu toch eigenlijk wel.
Wanneer ons zo in het gezicht wordt gedrukt dat niets zomaar gebeurt, hoop je als lezer aan het eind beloond te worden, misschien niet met zoiets laagbijdegronds als een ontknoping, maar wel door het uiteindelijk helder worden van een bouwplan.
Bij dit boek gaat het anders. Want de schrijver van Mystiek lichaam droomde van een paleis, maar raakte zo vervuld van eigenliefde bij de eerste de beste versiering van zijn hand dat het al snel een rommeltje werd van instortende fundamenten, doorgerotte muren en versplinterde deurstijlen.
Zo vergaat het ook het boek. De schrijver opent met de aanzet tot een intermenselijk drama: de vader, geldwolf, de dochter, kin derloos. Daar moet het dan dus over gaan, denk je. De vader doet iets met metaal, hij verzamelt dat, net als het geld. Met metaalmetaforen word je in het eerste deel van het boek zo vaak om de oren geslagen dat je denkt: Hier worden we op een spoor gezet. Iets met die twee misschien? In elk geval iets met de vader? Niets van dat. Na zestig bladzijden laat de schrijver het metaal links liggen. En de vader-dochterrelatie? Haat-liefde van beide kanten? Escalatie? Laat-ie ook links liggen.
IETS NIEUWS maar. De broer, die is homo, is naar New York vertrokken, zit in de kunsthandel. Het gaat een tijdje over de kunst. Maar dan? De schrijver weet het niet meer. Hij neemt een plakbandje. De schrijver heeft weer een nieuw idee. Of nou ja, nieuw. Hij bakt wat tweedehands filosofietjes op over de leegte van de Amerikaanse cultuur, deze tijd, vervreemding, alleen nog maar seks om de seks, geen zingeving, snuifje Steiner, flintertje Bloom. Zo, nu is het ook een ideeenboek. Ideeen, denkt de schrijver, dat gaat altijd makkelijk en het imponeert ook snel. 'De homoseksualiteit, die buiten de geschiedenis staat en geen eigen vormen heeft, is tot imiteren en overdrijven gedoemd.’
Goh, denkt de schrijver. Dat staat er toch maar.
Wat betekent het? Geen idee, maar het imponeert lekker weg. En het controversieert ook vast wel. Hij laat het staan.
Weer een plakbandje. Die broer in het boek heeft een vriend en die krijgt aids. Maar dat wordt niet zo genoemd want dat staat zo weinig diepzinnig. Die vriend gaat dood. De schrijver probeert zich zoiets niet voor te stellen, maar smeert hele bladzijden metaforisch dicht. Daarna? Plakbandje maar. Iets anders. Die zus krijgt kind, Victor. Broer terug naar zus. Komt die jood er ook bij, die Pechman die de vader is.
Nou, dan hebben we een potje staan voor een krachtige finale! Want die homo ziet die jood helemaal niet zitten! Controversieel zeg! En die metaal-vader heeft moeite met die jood en met die homo die zijn zoon is! Wauw! Dat wordt een explosie!
Maar de schrijver weet nu niet meer hoe het moet. Logisch, want hij heeft geen enkel geloofwaardig personage weten te scheppen. Hij kan zich alleen nog maar beroepen op schema’s. Niets zal als vanzelf tot hem komen. De schrijver draait het gas maar weer uit onder dat potje. Propt er een vaag sprookje tussen over negers en jagers in een leeg land dat vol wordt. Dat heeft er wel niets mee te maken, maar het geeft lekker wat diepte. Stuurt de kleine Victor maar met Pechman weg, en die dochter ook. Houd je over de broer en de vader. Die twee, kan hij ook niks mee.
Dus zoon dood aan aids en laatste pagina weer dichtsmeren met bombast over de eeuwigheid.
Nietje erdoorheen, klaar.