‘If you know how to tell a story, you can have everything you want in the world.’ Het is een citaat van haar grootmoeder dat de Frans-Marokkaanse schrijver Leïla Slimani knikkend aanhaalt. Het Wintergasten-interview, gehouden door Nadia Moussaid, is op dat moment een minuutje of tien bezig. Er is niet gepoerd in haar jeugd, Slimani (1981) vertelt dit uit zichzelf. Hoe ze tot haar zeventiende in Marokko leefde, voordat ze naar Frankrijk verhuisde. Dat ze werd grootgebracht door ruimdenkende ouders: er werd niets opgedrongen qua religie, haar ouders gunden haar alle (seksuele) vrijheid – en Slimani wist in haar francofiele tienerjaren altijd al dat ze ging vertrekken. Het citaat van haar grootmoeder is niet alleen een flard van haar jeugd, het is tevens een soort beginselverklaring, en eigenlijk ook een leidraad voor wat voor televisieavond ze ervan maakt. Slimani weet hoe ze verhalen moet vertellen. En dat doet ze om iets wezenlijks over haar en de wereld te verduidelijken.

Zo begint ze de avond met Hollywood-klassieker Gone with the Wind (1939), een film die ze als kind met haar zussen en moeder ‘about a hundred times’ zag. In het fragment staat de Amerikaanse Burgeroorlog op het punt van beginnen, maar een jonge vrouw in Amerika heeft het met haar vader liever over andere zaken – een naderend bal, een potentiële huwelijkskandidaat. Waarom Slimani voor dit fragment koos? Vanwege die herinneringen aan vroeger, vanwege de nationalistische trots die in de woorden van de Ierse vader doorklinkt, en ook omdat de vrouw zodra de oorlog begint wel degelijk sterk, allerminst onnozel blijkt. Het is haar favoriete soort personage, stelt Slimani: ‘She’s a hero and an anti-hero at the same time. She’s human.’

De zinnen rollen zonder aarzeling haar mond uit. Ook in het verdere verloop van het interview. Ingestudeerd lijkt haar verhaal niet, daarvoor klinkt Slimani te oprecht, maar welbeschouwd is ze in deze anderhalf uur geen moment peinzend of verrast, laat staan overrompeld. Misschien komt dit doordat Moussaid wel erg duidelijk onder de indruk van haar is (nadat Slimani een rits positieve eigenschappen over haar oma heeft gedeeld, zegt Moussaid grijnzend: ‘Ah, so you look like her!’). Misschien heeft het ermee maken dat Slimani simpelweg heel goed weet wat ze wil zeggen. En dat doet ze overtuigend. In zekere zin is ze een ideale Wintergast: charismatisch, geëngageerd, een goede schrijver bovendien, en iemand die haar gekozen fragmenten steeds in een bredere context duwt.

Aangrijpend is het fragment uit Much Loved (2015), een Frans-Marokkaanse film over drie sekswerkers die zich proberen te onttrekken aan de mannenwereld die hen omringt. De film werd verboden in Marokko, al heeft iedereen daar hem alsnog gezien – volgens Slimani typisch voor de hypocrisie in de Marokkaanse samenleving, waar ze meermaals op wijst. Publiekelijk wordt gezegd: geen varkensvlees, geen drank, geen seks voor het huwelijk, maar achter gesloten deuren gebeurt dat allemaal. In de door Slimani uitgekozen Much Loved-scène wordt een van de hoofdpersonen gruwelijk verkracht. Maar toch schikt zij zich niet zomaar in de onderdanige rol die de maatschappij voor haar in gedachten heeft. Weer een sterke vrouw. ‘I think her rage can help us to fight the situation’, zegt Slimani.

Het woord ‘fight’ valt vaak gedurende het gesprek. Over xenofobe Franse politici die afgeven op dubbele nationaliteiten zegt Slimani: ‘We have to defend that. This is a fight we have to fight.’ Nadat er een paar scènes uit de documentaire When Arabs Danced zijn getoond, waarin stellige tieners aan het woord komen die zich verzetten tegen de regels van het Marokkaanse patriarchaat, zegt ze: ‘They want freedom, they want music, they want to be in love. And I want to defend that.’

De werkelijkheid eist in deze anderhalf uur alle aandacht op

Hier zit iemand met een maatschappelijke missie, zoveel is duidelijk. En moeiteloos slaat Slimani, zittend in de stijlvolle woonkamer van haar woning in Lissabon, een brug tussen sociale ongelijkheid en haar eigen leven. Ze bespreekt de tragiek van haar grootvader – over wie ze regelmatig heeft geschreven. Nu omschrijft ze hem aan de hand van de film Indigènes (2006), waarin Algerijnse soldaten worden gevolgd die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de geallieerden vechten. Slimani’s grootvader was een van hen, hij streed voor Frankrijk omdat hij in vrijheid, gelijkheid en broederschap geloofde, maar toen hij later een Franse nationaliteit aanvroeg, werd dat afgewezen. Hij had gevochten voor de kolonisator en die wilde hem alsnog niet.

Opnieuw komt het gesprek op trots, op nationalisme. Ze toont als slotakkoord een fragment van Maradona: als ze hem ziet voetballen, in het deel van Italië dat door de rest van het land met Afrika wordt vergeleken, ziet ze boven alles een trots iemand. Marokko op het afgelopen WK? Slimani’s ogen gaan glinsteren: hoe belangrijk die prestatie was voor de Afrikaanse en Arabische wereld. ‘We can win! We can make it to the top.’ Ook interessant is wat ze, soms bijna terloops, tussendoor over zichzelf zegt: dat ze toen ze moeder werd niet als eerst liefde voelde, maar angst. (Dit naar aanleiding van een fragment over het door de media opgepompte proces tegen de killer Nanny Louise Woodward.) Dat ze is gaan schrijven uit ‘revenge’. Om alsnog de achternaam van haar vader uit te dragen – en om voor zichzelf op te komen, een stem te geven aan mensen die tussen twee werelden zijn opgegroeid.

© VPRO

Jammer is wel dat het schrijven zelf in het gesprek steeds zo’n abstracte bezigheid blijft. Het interview gaat af en toe over boeken, maar nooit over het daadwerkelijk schrijven ervan. Zodra een titel uit Slimani’s oeuvre ter sprake komt, begint ze vanzelf over haar eigen leven: dit personage was direct geënt op de boerderij van haar oma, haar vader en moeder kwamen terug in die en die karakters. ‘Let’s talk more about writing’, zegt Moussaid na ruim een uur, alsof ook zij die leemte aanvoelt, maar zelfs daarna gaat het daar niet wezenlijk over, eerder over biografische haakjes, en andere schrijvers die ze bewondert. (Kundera. Pamuk. Dickens. De vraag die Moussaid stelt nadat ze over ‘writing’ begint: ‘What do you love about Philip Roth?’ Verder informeert ze een beetje schools meermaals naar motto’s uit een boek, waarom Slimani dáárvoor gekozen heeft.) Tegen het einde zegt Slimani wel dat ze zich door ‘everything, anything’ kan laten inspireren, een herinnering, een flard op straat, een film, een schilderij – maar wat ze met zo’n beeld doet blijft in het midden.

Komen die flarden terug in haar werk, brengt ze die samen met haar sociale observaties? Maakt ze vervolgens een plan, hoe werkt ze? Waar eindigt de realiteit en begint de fictie? Ze omschrijft zichzelf als een vakkundig leugenaar en heeft het over situaties uitvinden, maar doet ze dat ook met het bronmateriaal dat zo nadrukkelijk uit haar eigen leven komt, heeft ze rondom zo’n beeld meteen een bredere missie, zou ze ook een boek kunnen schrijven dat nergens over gaat? Vindt ze dat literatuur net als de filmfragmenten die ze kiest een maatschappelijke component moet hebben?

Het valt best te begrijpen dat Moussaid niet al deze zijpaden inslaat, maar nu toont Wintergasten Slimani jammer genoeg helemaal nergens als een componerende of aarzelende kunstenaar – wat ze toch óók af en toe moet zijn. In dit gesprek is ze iemand met een vastomlijnd verhaal, iemand die het persoonlijke keer op keer knap linkt aan het maatschappelijke. Iemand die, dat misschien nog wel het meest, al precies weet wat ze van de wereld vindt en duidelijk allang de taal heeft gevonden daarover te praten. Dat laatste maakt haar een boeiende gast, al zorgt het er ook voor dat ze eenzijdiger overkomt dan in haar fictie. Daar zit veel meer ongrijpbaarheid in, en daarmee ook suspense en verrassing. Tegenover Moussaid lijkt haar schrijven vooral een vehikel om het over haar leven en serieuze misstanden te hebben. Fantasie, fictie? Daar gaat het niet over. De werkelijkheid eist in deze anderhalf uur alle aandacht op.