Landinzicht #3: Akkerbouwer Arwin Bos

Letters uit het periodiek systeem der elementen

De komende maanden onderzoeken journalisten Hidde Boersma en Janno Lanjouw hoe de Nederlandse landbouw de stap probeert te zetten naar een milieuvriendelijkere toekomst. Deze week: Akkerbouwer Arwin Bos worstelt met de Nederlandse mestwetgeving.

‘Kijk maar even in de bak. Het is een soort vermalen steen.’ Akkerbouwer Arwin Bos klopt zijn handen af en een poederroze wolkje stof stijgt op. In de strooibak die achterop de trekker zit, ligt nog een restje korrels, net zo roze als het wolkje. De zijkanten van de bak zitten onder de klonten fijn poeder, als een te dik aangebrachte laag make-up. ‘Dat is kalium. Dat wordt gemijnd in Duitsland’, zegt Bos. ‘Gewoon een mineraal uit de grond. Als je het zo bekijkt is het best wel gek dat mensen het onnatuurlijk spul vinden.’

Kunstmest ligt vanuit meerdere hoeken onder vuur. Eind vorig jaar maakte landbouwminister Carola Schouten de kringlooplandbouw tot beleidsdoel. Het was de aangekondigde dood van kunstmest. Het mijnen of kunstmatig maken van de benodigde meststoffen past volgens de minister niet in een kringloopsysteem. ‘Maar in mijn eentje kan ik geen kringlooplandbouw bereiken ’, zegt Bos. ‘Als ik aardappels uit de grond haal, onttrek ik ook direct essentiële voedingsstoffen aan de bodem. En die moet ik dan op een of andere manier weer terug in de grond krijgen. Als dat niet met kunstmest kan, moet dat met dierlijke mest. Veel meer dan nu is toegestaan. Anders raakt mijn bodem steeds verder uitgeput.’

De boerderij van Bos, zijn vrouw Carola en hun twee kinderen staat even ten westen van Amsterdam, in de Haarlemmermeerpolder, vlakbij het dorp Zwanenburg. Het gebied werd tussen 1849 en 1852 drooggemalen om vooral Amsterdam en Leiden te beschermen tegen overstromingen. Bijkomend voordeel was dat die nieuwe uitgestrekte vlakte de snel groeiend stedelijke bevolking kon voeden. Het werd ingericht als landbouwgrond.

Tegenwoordig wordt er om elke vrije hectare geknokt. Op Bos’ boerderij wordt het uitzicht je aan weerszijden ontnomen door een woekerende nieuwbouwwijk en taluds van belangrijke verkeersaders. Om de paar minuten raast er een vliegtuig laag over: de boerderij staat precies in een af- en aanvliegroute, nauwelijks een kilometer van de Polderbaan van Schiphol.

Het ‘Ot en Sien-gehalte’, zoals Bos het romantische beeld van de landbouw van voor 1950 noemt, is ver te zoeken. Bos is er niet rouwig om. De ondernemer ziet het nabijgelegen Amsterdam, Hoofddorp, Haarlem en Leiden als interessante afzetmarkten voor zijn belangrijkste product: kwaliteitsaardappelen. Om die te verbouwen heeft hij tonnen kunstmest nodig. Zoals het kaliumpreparaat dat Bos tijdens deze vroege, droge lentedagen over zo’n zestig hectare van zijn land strooit.

Kunstmest is een ongekend succesnummer. Toen de Duitse chemicus Justus von Liebig halverwege de negentiende eeuw ontdekte welke elementen planten nodig hadden om te groeien, was het plotsklaps mogelijk om gewassen heel gericht te voeden. Na eeuwen sappelen konden boeren ineens met gemak veel meer oogsten dan voorheen, wat ze rijker en zelfstandiger maakten en wat wereldwijde bevolkingsgroei mogelijk heeft gemaakt. ‘De drie basiselementen die we strooien zijn nog altijd stikstof, fosfaat en kalium’, zegt Bos. ‘Ze dienen allemaal net een ander doel: stikstof is puur voor de groei van de plant, kalium helpt de sapstroom en fosfaat is goed voor de wortelgroei. Pin me er niet op vast. Het is een specialisme en een echte expert ben ik ook niet.’

Kunstmest heeft ook een keerzijde. Net als kalium komt ook fosfaat uit mijnen. En die raken op een gegeven moment uitgeput. Vooral de teruglopende fosforreserves zijn nu reden voor ongerustheid. De voorspellingen lopen uiteen, maar het vermoeden bestaat dat de reserves tegen het eind van deze eeuw zo goed als op zijn. Erg vervelend, als je nagaat hoe afhankelijk we er nu van zijn. Het gebruik van stikstof is om een andere reden problematisch. Het is in gasvorm overvloedig aanwezig in de atmosfeer, maar moet worden gebonden tot een vaste stof om te kunnen worden gebruikt door planten. Dat proces kost erg veel energie en leidt tot een hoge uitstoot van broeikasgassen.

Ook kan het op het land verspreiden van kunstmest kwalijke gevolgen hebben voor het milieu. Stikstof en fosfor zorgen voor vervuiling van het oppervlaktewater en teruglopende biodiversiteit. Biologisch of biodynamisch boeren geven aan dat grootschalig gebruik van kunstmest zorgt voor een ongezonde bodem. Begrijpelijk dus, dat de overheid het gebruik van kunstmest aan banden legt.

Vroeger waren gangbaar werkende boeren als Bos volledig gefocust op N, P en K, de letters die in het periodiek systeem der elementen symbool staan voor stikstof, fosfor en kalium. Als je een goede oogst wilt hebben, zijn het ook veruit de belangrijkste elementen. Mede dankzij inzichten uit de biologische landbouw beginnen ook gangbare, intensief werkende boeren als Bos steeds meer oog te hebben voor de ongekende complexiteit van de bodem. ‘Zwavel, magnesium, borium, mangaan… allemaal enorm belangrijk!’, benadrukt Bos. ‘Gedurende het seizoen maken we steeds gebruik van andere elementen. Je moet ook wel. Als je niets doet, verlies je je gezonde landbouwgrond.’

Bodemvruchtbaarheid is volgens Bos hét bedrijfskapitaal van een boer. Om die gezond te houden worden kosten noch moeite gespaard. Bos: ‘Elke winter zetten we samen met een landbouwadviseur een hele rits aan gegevens op een rij. Wat we gaan telen bijvoorbeeld, want de ene aardappelsoort heeft meer stikstof nodig dan de andere. We gaan ook na wat de ‘voorvrucht’ was, het gewas dat vorig jaar op het land werd verbouwd. Was dat tarwe, dan zit er waarschijnlijk nog een hoop stikstof in de grond. Alles wat ik op het land gedaan heb, wordt in het overzichtsplan meegenomen. Heb ik na de tarweoogst de stro verhakseld en op het land laten liggen? Of heb ik het afgevoerd? Heb ik na de tarwe-oogst een groenbemester gebruikt, een speciaal gewas dat stikstof bindt en de vruchtbaarheid van de grond te goede komt. Het speelt allemaal een rol.”

Alles wordt ingevoerd in een computerprogramma dat rekening houdt met de wettelijke plafonds voor stikstof en fosfaat. De uitkomst is een gedetailleerd bemestingsplan. Goedkoop is het niet. Desgevraagd rekent Bos op zijn rekenmachientje uit wat hij op jaarbasis kwijt is aan bodemvruchtbaarheid. ‘Ik doe het nu even met gemiddelden, maar voor de vuist weg kom ik zo op 40.000 euro per jaar aan kunstmest. Dat is tussen de 10 en 15 procent van de totale directe teeltkosten, zoals pootgoed, zaaizaad, gewasbeschermingsmiddelen, loonwerk, verzekering en brandstof. Dat lijkt misschien niet zoveel, maar de marges zijn zo smal dat iedere procent besparing een groot verschil maakt. En daar komen dan nog indirecte kosten bij: het uitrijden, de bedrijfsapparatuur. Overigens besteed ik aanzienlijk minder aan kunstmest dan vroeger. Ik ben er om allerlei redenen zuinig op. Vanwege de kosten, maar ook de smaak. Teveel kunstmest maakt aardappels minder lekker.’

En hoewel Nederland dankzij de grote veestapel nogal in zijn maag zit met een reusachtig overschot aan dierlijke mest, mag Bos dat niet zomaar in benodigde hoeveelheden op zijn land brengen. Mestwetgeving laat akkerbouwers als Bos maar beperkt mest - of het nou dierlijke mest is of kunstmest - op het land brengen.

Bos is dan ook enthousiast over het beleidsdoel van de landbouwminister. Tegelijkertijd is hij ook sceptisch. Hij gelooft niet dat de mestwetgeving op korte termijn wordt aangepast. ‘Ik bespeur koudwatervrees bij de overheid.’ De overheid vreest een terugkeer van de wantoestanden uit de jaren tachtig. Toen werd er volop gegierd en zagen percelen soms bruin van de mest. Bos hoopt op overheidsvertrouwen in de huidige generatie akkerbouwers: ‘Zoiets zal ik nooit doen. Dan kill ik het bodemleven en verslechteren mijn gewassen. Akkerbouwers hebben tegenwoordig gewoon veel meer kennis dan veertig jaar geleden. En de techniek is beter. Destijds was het simpelweg een giertank en sproeien maar, tegenwoordig gaat alles enorm precies met GPS-gestuurde machines. Dus ik denk dat er heel mooie kansen liggen. Als we die ruimte niet krijgen dan zal ik altijd kunstmest blijven gebruiken. Ik zal wel moeten.’

Naast wetgeving spelen ook financiële overwegingen vaak een grote rol in de beslissingen van boeren. En die hebben impact op de duurzaamheid van de Nederlandse landbouw. Zo plant akkerbouwer Annemarie ten Vate, die in de volgende aflevering aan bod komt, regelmatig granen om haar bodem rust te geven na een teelt suikerbieten of aardappelen. Maar daar legt ze vaak geld op toe, hoe hoog de opbrengsten ook zijn.