Honderd jaar Loeb Classical Library

Lettervormen vol gevoel

Laten we toegeven dat veel teksten uit de Oudheid onleesbaar zijn. Maar de Loeb-reeks maakt het bestuderen van de klassieken weer tot een intellectueel avontuur.

Wanneer mag men zich een intellectueel noemen? Ik vrees dat we op die vraag tegenwoordig geen eenduidig antwoord meer kunnen geven. Is kennis van de filosofische traditie en de wereldliteratuur een voorwaarde? Moet je een trouwe lezer van De Groene Amsterdammer en The New York Review of Books zijn? Behoren Newton en Einstein tot het verplichte corpus? Verdient het aanbeveling een op feiten gebaseerde opinie over The Voice of Holland te hebben? En hoeveel talen moet je eigenlijk kunnen lezen? Honderd jaar geleden was men het wat dit betreft over één ding eens: je moest je klassieken kennen, en daaronder verstond men in de eerste plaats de canonieke auteurs uit de Griekse en Latijnse literatuur. Of je nu bankier of politicus, rechter of apotheker was, je telde niet mee als je niet zo nu en dan Homerus, Plato, Cicero of Vergilius citeerde.
Vanzelfsprekend was deze vertrouwdheid met de Oudheid in veel gevallen een façade. Gymnasiasten leerden mechanisch vertalen, vaak zonder op de betekenis van de teksten te letten, en wie medicijnen studeerde ging echt niet voor zijn plezier Hippocrates in het Grieks lezen. De klassieken vormden een toegangsbewijs, maar werden door de meeste mensen zelden als pure literatuur genoten. Wil je een beetje vlot Grieks en Latijn kunnen lezen, dan moet je daar je leven aan wijden, dat was een eeuw geleden niet anders dan nu.
Toen James Loeb (1867-1933), die als zoon van een Duitse bankier in New York over een enorm kapitaal beschikte, in 1912 zijn Classical Library oprichtte, bracht hij een revolutie in het lezen van de klassieken teweeg. In handzame boekjes presenteerde hij de Griekse of Latijnse tekst naast een Engelse vertaling, voorafgegaan door een inleiding en toegelicht in beknopte annotaties. Voortaan kon men met een globale kennis van de oude talen zijn weg vinden in de meest uiteenlopende teksten. De reeks telt inmiddels meer dan vijfhonderd deeltjes, en ook classici schamen zich er allang niet meer voor dat ze wel eens naar de vertaling kijken. Dat ook minder courante auteurs in de reeks zijn opgenomen, maakt de rijkdom en verscheidenheid van de antieke literatuur zichtbaar.
Hoe schrijf je een overtuigende recensie van een complete boekenkast? Laat ik mijn favoriete deeltje in de schijnwerpers plaatsen. Daarin tref ik regels aan die in mijn vertaling zo luiden:

Inheemse rots verslaat het lachen van de lelies,
steen straalt beschilderd met een gladde glans.
Dit marmerrijke land daagt met zijn licht van kleuren
zelfs maagdelijke sneeuw in dure weelde uit.

Met een schitterend beeld roept de dichter de marmergroeven van de Toscaanse kustplaats Luna op, de stad van de maan, die - zoals in de hieraan voorafgaande regel staat - het licht van haar broer weerkaatst. Virtuoos is het paradoxale samengaan van decadente luxe en ongerepte sneeuw, van cultuur en natuur, van strijdvaardige rotsen en lachende lelies. Erotische associaties liggen voor de hand, waarbij het opvalt dat de door steenhouwers gepenetreerde aarde zich kan meten met de maagdelijke sneeuw. Ja, juist het feit dat zij aangetast is, brengt haar schoonheid aan het licht.
Deze vier regels vormen het slot van een twee boeken omvattend gedicht, in de handschriften Terugkeer getiteld, van Rutilius Namatianus, een Gallo-Romeinse aristocraat die in het jaar 417 na een politieke droomcarrière uit Rome terugkeert naar zijn landerijen in de buurt van Toulouse. Omdat door invallen van Visigoten en decennia van wanbestuur de route over land onbegaanbaar is, reist Rutilius per schip langs de kust, waar hij zo nu en dan aanmeert om afscheid te nemen van oude vrienden. Het schip passeert de ene na de andere ruïne. Met deze van weemoed doortrokken poëzie eindigt, zo luidt althans het standaardverhaal, de literatuur van de Oudheid. De regels die ik citeerde vormen echter niet het einde van het gedicht zoals Rutilius het schreef, want de tekst breekt midden in het verhaal af. Dat is voor ons betekenisvol: het laatste gedicht van een heidense dichter is gemutileerd tot ons gekomen, waarbij de rafelrand van het manuscript het oogverblindende beeld van een door mensenhand gespleten aarde laat zien.
Deze regels zijn ook de laatste van Minor Latin Poets, deel II. De twee delen waaruit deze bloemlezing bestaat, bieden een allegaartje van gedichten die om wat voor reden dan ook nooit tot de canon zijn gaan behoren. De titel is veelzeggend: blijkbaar hadden de samenstellers geen hoge dunk van hun materiaal. Hoewel de Loeb-reeks wetenschappelijke pretenties koestert - de edities worden trouwens steeds beter - wortelt het normatieve concept minor poet nog geheel in de vroege twintigste eeuw. Ik kan mij althans moeilijk voorstellen dat een moderne wetenschappelijke uitgeverij nu nog een bundel zou uitbrengen met poëzie waarvan al op het omslag wordt aangegeven dat ze buitengewoon matig is. In de filologie lijken waardeoordelen passé te zijn. Ik vind dat jammer. De academisch actieve classicus wordt geacht met een stalen smoel de grootste rommel als interessant te verkopen, wat in veel gevallen ongeloofwaardig is. Laten we toch toegeven dat een aanzienlijk deel van wat uit de Oudheid is overgeleverd, onleesbaar is. Er kunnen aanvaardbare redenen zijn om, bijvoorbeeld, de matig geïnformeerde en ongestructureerde essays van Plutarchus (ca. 46-120) te bestuderen, maar iemand die beweert dat het een genoegen is dit moralistische schoolmeestersproza te lezen, heeft geen smaak. In zo'n geval is het een zegen dat de Loeb-reeks bestaat, zodat je snel even een passage kunt raadplegen zonder gedwongen te zijn het hele werk door te ploegen. Juist de grootste Plutarchus-hater ontkomt er dus niet aan deze driekwart meter pulp aan te schaffen. Minor Greek Scribbler, dat zou een aardige titel voor deze 27 Loeb-deeltjes kunnen zijn.
Waardeoordelen zijn uiteraard subjectief en cultureel bepaald. Als we de minor Latin poets uit het tweede Loeb-deel bekijken (voor het eerst verschenen in 1934), moeten we vaststellen dat enkele ervan ook naar 21ste-eeuwse maatstaven niet al te best zijn. De fabels van Avianus (begin vijfde eeuw) zijn vervelend, de zogeheten Uitspraken van Cato behelzen een onafzienbare serie clichés van onduidelijke herkomst, uitsluitend overgeleverd omdat ze in de Middeleeuwen gebruikt werden als handzaam materiaal om Latijn mee te leren. Avianus en Cato lees ik niet voor mijn plezier. Het leerdicht over de jacht van de Noord-Afrikaan Nemesianus (eind derde eeuw) is ook héél slecht, maar dan in die mate dat het weer leuk wordt. Vooral de zes pagina’s over jachthonden, boordevol totaal onbruikbare informatie, zijn een aanrader. Het zijn vaak de derderangs auteurs die laten zien waar de gemiddelde lezer in geïnteresseerd was.
Het merendeel van de dichters in dit boek is daarentegen heel goed. Rutilius Namatianus, met wie ik zojuist begon, wordt tegenwoordig terecht tot de grote dichters van de vijfde eeuw gerekend. Dat hij werkelijk een verstokte heiden was, gelooft intussen niemand meer (hij werkte immers in een christelijke entourage), en een meer onbevangen studie van latere auteurs heeft inmiddels het inzicht opgeleverd dat de Romeinse literatuurgeschiedenis na Rutilius nog ongeveer twee eeuwen te gaan had: dat Terugkeer een romantisch slotakkoord vormt, valt niet meer vol te houden. Ook zijn er intussen een paar nieuwe fragmenten van het gedicht opgedoken, die aannemelijk maken dat het tweede boek van Terugkeer een lofzang op de christelijke houwdegen Constantius bevatte. Dat het gedicht Rutilius’ allerindividueelste emotie onder woorden brengt, is dus ondenkbaar. Toch blijft het een diep ontroerend werk.
De eerste dichter in het boek is een zekere Florus, een tijdgenoot van keizer Hadrianus (eerste helft tweede eeuw), die dit epigram schreef, in het metrum van ‘Jantje zag eens pruimen hangen’:

Toen ik nieuwe boompjes plantte, eerst een appel, toen een peer,
grifte ik in de schors de naam van haar voor wie mijn hart ontvlamt.
Daardoor kent mijn vuur geen einde, komt mijn hartstocht nooit tot rust:
groeit het boompje, zwelt mijn liefde - lettervormen vol gevoel.

In het Latijn staat er: 'animus implet litteras’ (geest vult de letters op). Met de groei van de boom dijen de letters uit, hun uitsparing biedt steeds meer zicht op wat zich onder de schors bevindt. Dat is een fraai beeld voor wat literatuur geacht wordt te doen. De taal is niet meer dan een klinkende vorm, en als de woorden geen ziel hebben, haakt de lezer af. Sommige woorden nemen met het verglijden van de eeuwen alleen maar toe in betekenis.
Een andere dichter uit de bundel, die vermoedelijk Sulpicius Lupercus heette, drukt het zo uit:

Vallend water doet ook tufsteen verslijten,
akkers winnen ooit van de hardste ploegschaar,
niets glanst met meer kracht dan een gouden ring
die levenslang meeging.

Als de Schotse latinist John Wight Duff (1866-1944) en zijn zoon Arnold niet op het idee waren gekomen in hun boek dit gedicht op te nemen, dat slechts in één negende-eeuws Leids handschrift bewaard is gebleven, had niemand er ooit van gehoord.
Het hoogtepunt van dit Loeb-deel is een gedicht van de vierde-eeuwse senator Tiberianus, twintig trocheïsche regels over een rivierdal waarvoor ik grif de hele Plutarchus cadeau zou geven. Het gedicht roept een tijdloos landschap op, met kabbelend water, vochtige vegetatie en kwinkelerende vogels. Zo begint het:

Tussen velden stroomde water in het koele beekdal voort,
lachend met het licht van kiezels, opgefleurd met bloeiend kruid.
Zacht bewoog het lief gefluister van een bries het lauwerdak
en de groene myrtestruiken, hangend boven de rivier.

Slechts één woord verwijst naar de aanwezigheid van een mens, een tegenwoordig deelwoord met de betekenis 'gaande’: 'Wie er liep liet zich bekoren door het geurend struikgewas,/ wind, stroom, vogel, bloem, bos, lommer, mooi en koel en muzikaal.’ Nee, de mens is geen blijver. Doordat het gedicht in de verleden tijd is gesteld, ademt het een diepe nostalgie, als herinnert de dichter zich een plek uit een vorig leven waar hij nooit meer terug zal keren. Is dat geen mooie metafoor voor de onbereikbaarheid van de klassieke Oudheid?
Wanneer ik de Loeb-reeks overzie - ik heb ongeveer driekwart ervan in de kast staan - komen er verschillende gevoelens bij mij op. In de eerste plaats word ik bevangen door een bijna onbeheersbare leeshonger. Doordrongen van de gebrekkigheid van mijn eruditie zou ik mijn baan en alle andere verplichtingen willen opgeven om de rest van mijn levensdagen door te brengen met het savoureren van de complete Aristoteles, Demosthenes, Galenus en Ammianus Marcellinus. Tegelijkertijd wil ik mijn gulzigheid graag delen met de hele wereld. Vele gretige lezers hebben geen idee van wat er bij de klassieken allemaal te beleven valt. Het is al erg genoeg dat een opleiding als literatuurwetenschap geen geletterden aflevert, omdat ze zich concentreert op onleesbare theorie in plaats van de lectuur van Homerus en Vergilius verplicht te stellen. Zelfs de meeste classici komen echter niet verder dan enkele honderden bladzijden uit de geijkte meesterwerken, die ze zelden van kaft tot kaft beheersen, laat staan dat er niet-canonieke werken op de leeslijst staan. Na alle discussies van de afgelopen decennia omtrent de betrekkelijkheid en de ideologische aanvechtbaarheid van de westerse canon, is het kortzichtig vast te houden aan Sophocles en Horatius zonder Parthenius of Rutilius Namatianus zelfs maar een blik waardig te keuren. Maar ook over Sophocles kun je pas oordelen als je hem integraal tot je hebt genomen.
Het bestaan van de Loeb-reeks maakt iedere uitvlucht ongeldig. Schaf iedere maand een deeltje aan, houd dat tien jaar vol, en je beschikt over een bibliotheekje waarmee je iedere treinreis of lunchpauze tot een intellectueel avontuur kunt maken.