Hij hield van Plato en van dansen met jonge vrouwen. Hij hield ook van autorijden in zijn mooie Morgan. Dan vertelde hij over De kus van Janus Secundus, de Nederlandse dichter die eigenlijk Jan Everaerts heette en citeerde hij de uit het Latijn vertaalde regels: ‘Ze gaf een zoen, zo ongelofelijk wellustig,/ als Mars (haar minnaar) nooit van Venus had gekend.’

Jan Pieter Guépin (1929-2006) was classicus, filosoof, essayist, dichter, docent vergelijkende literatuurwetenschap.

Ongetwijfeld behoort hij tot de vijf leukste, intelligentste, vreemdste, inspirerendste geesten die ik ooit heb ontmoet.

Er zijn er die hem kennen van zijn boek De beschaving, maar ik grijp zeer regelmatig naar een ander geschrift van hem, een boek met de mooiste, aforistische en veelzeggendste titel die ik ken: Niets is precies, uit 2001. Iedere keer als ik het boek in een antiquariaat tegenkom, koop ik het en geef ik het cadeau.

‘Waarom geef je mij dit?’

‘Er staat alles in wat je in en van het leven moet weten maar vooral wat een ideale conversatie is.’

Rudi van der Paardt karakteriseerde eens waar het in Guépins proza om ging: ‘Hij was gefascineerd door verschijnselen als ambiguïteiten, paradoxen, raadsels, ironie.’ Dat is meer dan waar. Hij was bewust tegendraads met een enorme kennis van zaken. Hij kon in zijn columns en essays ook behoorlijk boosaardig zijn, arrogant soms. Te vaak, wellicht.

‘Het is een nationale schande’, schreef Rudy Kousbroek, ‘dat deze schrijver die om zich heen heeft gestrooid met briljante en onalledaagse inzichten nimmer de P.C. Hooftprijs kreeg.’

Ik ben dat zeer met Kousbroek eens.

Maar terug naar het boek Niets is precies. Ondertitel: Een dialoog over de zin van het leven. Het lelijk uitgegeven boek, met de gulden snede op de voorkant, zou je kunnen zien als De beschaving, maar dan uitgelegd voor mensen zoals ik die wat eenvoudiger van geest zijn. De beschaving wordt algemeen gezien als een studie in de ‘retorische mentaliteit als levensbeschouwing’.

(‘De retoricus is beschaafd, tolerant, sceptisch, liberaal’, schrijft hij in De beschaving.) De recensies waren wisselend, wat ik nog steeds niet begrijp.

Over Niets is precies ben ik geen recensie tegengekomen, terwijl het zo’n geweldige dialoog is tussen ene Huib en ene Jan Piet.

Op een dag, lang geleden, zei Huib Schreurs met wie ik toen bevriend was, tegen mij: ‘Ik ga morgen wandelen met Jan Pieter en dan praten we over het leven.’ Zeer waarschijnlijk hebben die gesprekken het fundament gevormd voor deze dialoog, al zegt Guépin in het voorwoord dat hij Huib Schreurs en schrijver Geerten Meijsing dankbaar is dat zij hun voornamen aan ‘fictieve personages’ hebben willen lenen.

Alle dialogen ondersteunen op verschillende manieren de titel. In een van de eerste dialogen als het gaat over letterlijk taalgebruik en vergelijkingen, metaforen, zegt Jan Piet: ‘Niets is volledig te beschrijven.’ En even verderop: ‘Ik zeg alleen maar dat je iets of iemand niet volledig in woorden kunt beschrijven. Maar je kunt wel denken dat je iets door en door kent.’

Op elke pagina kom je iets tegen wat je even doet opveren. Een paar bladzijden verder zegt Jan Piet: ‘Mensen kunnen liegen, ironisch zijn, grappen maken. Dat mensen dat allemaal kunnen is geen probleem. Het probleem zit in het herkennen van de taalhandelingen van leugen en bedrog.’

Vervolgens wordt daar dan op door ondervraagd door ‘Huib’, vermakelijk en scherpzinnig. Ze waren er beiden al achter gekomen dat sommige discussies, zoals die over de zin van het leven, nooit afgesloten mogen worden.

‘Een feitelijke waarheid is een antwoord op een feitelijke vraag, bijvoorbeeld de vraag: “Heeft hij het gedaan?” in een strafproces. Heeft Monica Lewinsky president Clinton gepijpt? Clinton geeft toe: ja, dat heeft ze gedaan, zegt Jan Piet. “Maar”, zegt Clinton, “ik heb niet gelogen toen ik zei dat we geen seks hebben gehad, want pijpen is geen seks.” Hij redt zich dus uit een contradictie door het feitelijke domein te verlaten voor dat van de definitie. Een definitie kun je in het woordenboek opzoeken… Jan Piet komt tot de conclusie dat je verschillende status van waarheid hebt: feit, definitie, kwaliteit en bevoegdheid van de rechter.’

En daar wordt dan over doorgepraat. Met schranderheden van Huib, ironische en wijze opmerkingen van Jan Piet en soms, aan het begin en eind, een slimme interventie van ‘Geerten’.

Moge dit boek nog een keer prachtig herdrukt worden en uitgedeeld aan alle jongeren in Nederland. Je krijgt er zin van in het zinloze leven en het leidt tot waar het allerlaatste woord in het boek toe oproept: ‘Tevredenheid’.