Leugens, inbeelding, bedrog

In De Messias van Stockholm (1987), een van de mooiste romans van Cynthia Ozick - de Hella Haasse der Amerikaanse letteren - waart de literaire geest van Bruno Schulz rond. Schulz, de Pools-joodse auteur van een klein maar grandioos oeuvre, zou de schrijver zijn geweest van De Messias. Die roman draait om ‘schepping en verlossing’ en verbeeldt een wereld vol afgoden. Maar bestaat dat boek wel? Is het geen hersenschim van een Stockholmse boekbespreker zonder eigen verleden die zich de zoon van Schulz waant?
Aan die typische Ozick-vertelling moest ik denken toen ik het titelverhaal van Dictaat las, een kwartet verhalen waarin het universum 'zo beklemmend als een val’ (De Messias van Stockholm) is en waarin de personages stuk voor stuk scheppers worden van een alternatief, welhaast kannibalistisch universum. In Dictaat zijn het niet de bevriende schrijvers Henry James en Joseph Conrad die de vertelling beheersen maar hun secretaresses. Het toeval ('Het noodlot schuilt soms in een triviale samenloop van omstandigheden’) wil dat de ene secretaresse een broer heeft verloren en wordt meegesleept door een gewiekst plan van de andere secretaresse. Die wil uit de zijlijn van de literaire geschiedenis stappen en een memorabele daad stellen: het verwisselen van twee verhaalfragmenten. De samenzwerende secretaresses zorgen er inderdaad voor dat een Conrad-fragment in een James-spookvertelling over dubbelgangers (The Jolly Corner) terechtkomt en dat een James-alinea in een Conrad-dubbelgangervertelling (The Secret Sharer) wordt verweven. En passant discussieert Ozick vertellenderwijs over stijl, persoonlijkheid, wederzijdse inspiratie, bedrog, authenticiteit en verleiding. Ze vraagt zich af of kunst afgedaan moet worden als een complot. Elke schepping komt voort uit de wens de gegeven natuur te veranderen, de oorspronkelijke rangschikking te verstoren of te corrigeren. Is het plan van de secretaresses zondig? Maar Michelangelo laat God de vinger van Adam aanraken. 'De paring van ongelijke grootheden, dat is de schok van de schoonheid. En schoonheid is (…) voor de eeuwigheid.’
Ook de andere drie Ozick-verhalen in Dictaat gaan over (zelf)bedrog, scheppingsdrift en waan. In Auteurs krijgt karakterspeler Matt Scorley (geboren als Mose Sadacca) eindelijk een substantiële rol, denkt hij. Het spook in deze vertelling is de oude Eli Miller, wiens dochter een toneelstuk heeft geschreven dat 'het leven van haar vader had opgevreten, verteerd en weer uitgebraakt in de vorm van een imitatie-Lear…’ De oude Miller verstoort Scorley’s optreden tijdens de première. Na Hitler zou niemand nog zin hebben in een tragedie op het toneel. Een acteur is een oplichter en bedrieger, 'een marionettenspeler met zichzelf als marionet’. 'Frank Castle wist alles’, luidt de bedrieglijke openingszin van Fumicaro, waarin een katholieke veelschrijver er blijk van geeft zichzelf helemaal niet te kennen: zijn geest is een geheime grot, keurig schoongeveegd en Spartaans, maar zijn lichaam gaat zijn eigen seksuele gang. Hij ontmoet een dienstmeisje dat hem wegrukt uit zijn vergeestelijkte wereld vol woorden. Hij offert zich aan haar op.
Ozicks literaire werelden - in het slotverhaal Wat is er met de baby gebeurd? domineert de Esperanto-taal - neigen naar Babylonische spraakverwarringen. Penitentie en opoffering zijn nooit ver weg in een argeloze, goedgelovige wereld waarin bedriegers tijdelijk gedijen. Maar de grootste oplichter in Dictaat is niet de propagandist van een of andere universele Esperanto-taal. De wereldomvattende taal die we allemaal spreken is in drie woorden samen te vatten: 'leugens, inbeelding, bedrog’. Maar Ozick is slim genoeg om haar verhalenbundel af te sluiten met een vraagteken. De drijfveren die mensen aan de praat en aan de gang houden blijven deels duister. Of toch niet?

Cynthia Ozick
Dictaat: Een kwartet
Vertaald door Rob Kuitenbrouwer en Frank Lekens
Houtekiet/Atlas, 204 blz., € 22,50