Leuk

Ik heb een afspraak in de bibliotheek, met een journalist die ik niet ken. We hebben gemaild over een interview. Een datum, tijd en plaats afgesproken. ‘Ik verheug me erop’, had hij geschreven.

En: ‘Ik vind uw werk vaak erg grappig.’ Dat is een gevaarlijke zin, merkte ik. Van de weeromstuit voelde ik de behoefte bloedserieus te zijn. Zo leuk is het allemaal niet, het leven. Ik neem plaats op een bankje en kijk de zaal rond, op zoek naar iemand die ook rondkijkt. Niets. Er passeert alleen een oude mevrouw met een rollator. Ze knikt in het voorbijgaan. Haar gezicht lijkt sprekend op een zwart-witportret dat vroeger bij mijn opa op het dressoir stond: zijn nicht Stien. Een keurig katholiek meisje. Altijd thuis blijven wonen. Voor haar ouders gezorgd. Toen zij stierven, begin jaren tachtig, was haar leven zo klein en overzichtelijk geworden dat ze alles maar hetzelfde liet. Geen lange reizen, geen liefdesleven, geen nieuwe meubels. Ze besteedde haar tijd aan breien. Borstrokken breide ze. Stapels en stapels borstrokken. Voor De Missie in Afrika. Mijn opa vertelde toen ik klein was graag over de keer dat nicht Stien bij hem op bezoek was geweest. Met breinaalden en al. Ze aten samen en na de koffie ging het journaal aan. Stien zette juist een aantal steken op toen er dramatische beelden uit Afrika verschenen. Droogte. Malaria. Talloze naakte kinderen met bolle buikjes van het hongeroedeem, huilend om eten. Nicht Stien sloeg haar handen voor de ogen en jammerde, waarop mijn opa zich haastte de televisie uit te zetten. Het was een tijd lang stil in de kamer. ‘Al meer dan vijftig jaar’, zei ze toen snikkend, ‘al meer dan vijftig jaar brei ik voor Afrika. En kijk nou! Nou lopen ze wéér bloot!’ Mijn opa barstte op dat punt van het verhaal aangekomen altijd in lachen uit. Ik begreep dat niet. Als ik opsta van de bank is de vrouw met de rollator al verdwenen. Er komt een man aanlopen. Ik steek aarzelend mijn hand op. Hij herkent me, zie ik. Hij begint meteen te lachen.