Pamflet: Minder hippe onzinstudies, graag

Leuke studies met een & erin

Mbo, hbo en wo moeten iets minder horig zijn aan de arbeidsmarkt. En iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. door Ewald Engelen beeld Milo Leuke studies met een & erinMbo, hbo en wo bieden tezamen maar liefst vijfhonderd studies aan, waaronder talloze die toegang bieden tot slechts één gespecialiseerd beroep. Iets minder horigheid aan de arbeidsmarkt en iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn.

Medium ewald engelen trivium

Achter deschermen van de meeste hogescholen wordt momenteel koortsachtig gewerkt om de studiekeuze van tienduizenden aspirant-studenten te controleren. Dat is geen sinecure. Alleen de Hogeschool van Amsterdam al – met 45.000 studenten de grootste hbo-instelling van Nederland – kent meer dan zeventig studierichtingen, variërend van brede als bouwkunde, bedrijfskunde en bestuurskunde tot smalle als fashion branding (let op de hippe ‘’) en onderwijsondersteuner horeca en voeding.

Als je het aantal studierichtingen in mbo, hbo en wo bij elkaar optelt, kom je tot het onvoorstelbare aantal van pakweg vijfhonderd studies die voorsorteren voor evenveel arbeidsmarktsegmenten. Probeer daar als scholier maar eens wijs uit te worden. Geen wonder dat er een bloeiende industrie van commercieel studieadvies is ontstaan. Tik voor de lol maar eens ‘studieadvies’ in Google in. De laatste keer dat ik dat deed, kreeg ik 250.000 hits.

Waar komt deze wildgroei aan studies vandaan, wat voor gevolgen heeft het voor de arbeidsmarktkansen van huidige en komende generaties?

Uit de vergelijkende onderwijssociologie kennen we twee soorten onderwijsstelsels: ‘omvattende’ en ‘gedifferentieerde’. De eerste houden leerlingen zo lang mogelijk bij elkaar en leggen de nadruk op een breed, algemeen vormend curriculum dat voortbouwt op de klassieke opvatting van wat een vrij burger aan kennis en vaardigheden nodig heeft om meer te zijn dan de politiek onmondige slaaf. Tot die ‘artes liberales’ worden meestal degelijke inleidingen in de verschillende geesteswetenschappelijke, sociaal-wetenschappelijke en natuur-wetenschappelijke disciplines gerekend en oefening in mathematische (‘quadrivium’: rekenen, geometrie, muziek, astronomie) en verbale vaardigheden (‘trivium’: grammatica, logica, retorica).

In dit soort stelsels is de overheid primair verantwoordelijk voor het bijbrengen van algemene vaardigheden (het initiële onderwijs) en is het aan werkgever en werknemer om onderling uit te maken wie opdraait voor de kosten van bedrijfsspecifieke expertise (het post-initiële onderwijs). Deze stelsels vind je in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en in de Scandinavische landen.

In gedifferentieerde onderwijsstelsels worden leerlingen op basis van verschillen in leerhouding en cognitieve prestaties al vroeg van elkaar gescheiden en verdeeld over een algemeen vormend traject en een beroepsvoorbereidend traject. Het eerste voert naar wetenschappelijke scholing of een hogere beroepsopleiding, het tweede naar nauw gedefinieerde beroepsopleidingen die aansluiten bij een reeds bestaande arbeidsvraag. Dit soort stelsels vind je vooral op het Europese continent, met Duitsland, Oostenrijk en Nederland als zuiverste voorbeelden. Anders dan in omvattende stelsels is de financiële verantwoordelijkheid gemengd: hoewel het beroepsvoorbereidende traject zoveel mogelijk op de maat van het bedrijfsleven is gesneden, draait de overheid voor ongeveer de helft van de kosten op.

Zoals dat gaat in vergelijkend onderzoek blijken de stelsels verschillende voor- en nadelen te hebben. Zo geldt voor gedifferentieerde stelsels dat de aansluiting met de arbeidsmarkt relatief goed is. Dat laat zich aflezen aan de jeugdwerkloosheidscijfers. In Nederland, Duitsland en Oostenrijk zijn die pakweg anderhalf maal zo hoog als de totale werkloosheid, terwijl het in landen als Zweden, Finland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Canada al snel om tweemaal het algemene werkloosheidspeil gaat. Daarbij moet wel worden aangetekend dat in Nederland de jeugdwerkloosheid inmiddels bijna twee keer zo hoog is als in Duitsland (twaalf om zeven procent) en vergelijkbaar met Canada en Denemarken. Oftewel, door de crisis zijn de verschillen binnen de stelsels groter geworden dan tussen de stelsels.

Die goede aansluiting is echter een nadeel in tijden van economische onzekerheid. Hoe smaller de werknemer is opgeleid, hoe minder algemene vaardigheden hij bezit, hoe moeilijker hij in andere sectoren aan de slag komt. Dat lijkt met name in het huidige tijdsgewricht relevant. Je hoeft het niet eens te zijn met de vele technotopieën die recent zijn verschenen – in willekeurige volgorde: Race Against the Machine, The Second Machine Age, Average is Over, Smarter than Us, The Third Industrial Revolution – om minimaal de verwachting te kunnen onderschrijven dat de functionele structuur van onze economieën aan de vooravond van fundamentele veranderingen staat. Gaan robots verpleegkundigen overbodig maken? Gaan slimme digitale interfaces de bankmedewerker brodeloos maken? Betekent ‘The Internet of Things’ het einde van miljoenen aan controlerende, begeleidende en intermediërende banen?

Ondanks de stelligheid waarmee Rifkin, Cowen, Brynjolfsson, McAfee en anderen deze vragen met ja beantwoorden, moet het eerlijke antwoord luiden: we weten het niet. Wat we wel weten is dat de houdbaarheidsdatum van een groeiend aantal vaardigheden en kwalificaties als gevolg van technologische en economische veranderingen korter is geworden. Steeds minder mensen slijten hun carrière bij een werkgever. Steeds meer mensen vervolgen hun carrière in een andere sector. En steeds meer carrières kennen knikken, paardensprongen of andere breuken. Achter een relatief stabiele beroepsbevolking van acht miljoen mensen gaat groeiende en steeds wildere mobiliteit schuil.

Dat betekent dat goede aansluiting op de bestaande arbeidsvraag wel eens minder belangrijk zou kunnen worden dan brede inzetbaarheid straks. En dat het belang van een soepele overgang van school naar baan wel eens minder groot zou kunnen zijn dan makkelijk doorstromen van (eerste) baan naar (tweede) baan en verder. Dat suggereert dat een combinatie van langere algemene vorming gecombineerd met breed toegankelijke beroepsscholing erna wel eens betere bescherming tegen economische overbodigheid zou kunnen bieden dan de modieuze hyperspecialisatie die het Nederlandse beroepsonderwijs momenteel teistert.

Vroeger was het: hoe meer studenten, hoe meer poen. Tegenwoordig is het: hoe meer studenten, hoe sneller de doorstroom, hoe meer poen

Een pietsie minder horigheid aan de arbeidsmarkt en een scheutje meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. Om verschillende redenen: persoonlijke vorming, burgerschap, zingeving, het leren van de kunst van het goede leven – maar ook omdat de economie erom vraagt. Wat minder instrumentalisme dus, zij het mede om instrumentele redenen.

Het tweede nadeel van gedifferentieerde stelsels is de grote moeite die het kost om een publiek gefinancierd stelsel van permanente educatie voor iedereen uit de grond te stampen. Zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) in Naar een lerende economie met lede ogen constateert, staat in Nederland het ideaal van een leven lang leren nog altijd in de kinderschoenen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (ocw) is eerst en vooral een ministerie van Jeugdonderwijs. Volwasseneneducatie is door het gestegen onderwijspeil en bezuinigingen een stille dood gestorven. Datzelfde geldt voor de deelname van dertig-plussers aan het hoger onderwijs: onder het mom van ‘efficiënte leerlijnen’ is het merendeel van het publiek gefinancierde tweede-kansonderwijs wegbezuinigd. Van cruciaal belang is daardoor wat er in het privaat gefinancierde post-initiële onderwijs gebeurt. En dan doel ik op alle cursussen die buiten het reguliere onderwijs vallen en ofwel door de werkgever ofwel door de deelnemer zelf worden betaald. Onderzoek leert dat het merendeel van de deelnemers aan het begin van zijn arbeidscarrière staat. Meer dan twintig procent van de 25- tot 29-jarigen volgt in enig jaar wel een of andere beroepscursus – een aantal dat gedurende de loopbaan geleidelijk afneemt tot vier procent van de 60- tot 65-jarigen. Verder gaat het merendeel van de middelen die voor dit type onderwijs zijn gereserveerd naar werknemers met hbo of hoger; maar acht procent ervan komt bij vmbo’ers.

Dit is typerend voor gedifferentieerde onderwijsstelsels. Doordat meer dan de helft van de leerlingen direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt is er minder arbeidgerelateerde scholing nodig om pas afgestudeerden boven op hun algemene vaardigheden de specifieke vaardigheden bij te brengen die de werkvloer vereist. Als gevolg daarvan scoort Nederland relatief laag op het percentage 25- tot 64-jarigen dat deelneemt aan post-initieel onderwijs. Dat is anders in landen met omvattende onderwijsstelsels als Denemarken, de VS, Zweden en Finland waar dat percentage tussen de veertig en vijftig schommelt. De brede algemene vorming waarmee in deze stelsels scholieren de arbeidsmarkt betreden wordt door trainingen en cursussen aangevuld met meer bedrijfsspecifieke vaardigheden. En die zijn er dus niet alleen voor cognitieve hoogvliegers, maar voor iedereen.

Onderwijsstelsels zijn versteende politieke beslissingen die zich niet makkelijk ongedaan laten maken. Ook al zou je op basis van het voorgaande eigenlijk moeten concluderen dat Nederland er goed aan zou doen om haar gedifferentieerde onderwijsstelsel in te ruilen voor een omvattend stelsel, in de politieke praktijk zal dat onmogelijk blijken – al was het maar vanwege de blokkeringsmacht van gevestigde belangen. Beter is het daarom te bekijken hoe binnen het stelsel de twee genoemde nadelen zo goed mogelijk kunnen worden verholpen.

De sleutel ligt, zoals zo vaak, bij financiële prikkels. Doordat de overheid via een hybride financieringsstelsel van input- en outputfinanciering een quasi-markt voor (hoger) beroepsonderwijs heeft opgetuigd, concurreren onderwijsinstellingen in toenemende mate met elkaar om de laatste loslopende student. Vroeger was het: hoe meer studenten, hoe meer poen. Tegenwoordig is het: hoe meer studenten, hoe sneller de doorstroom, hoe meer poen. De prikkel voor onderwijsinstellingen om studies op te tuigen die, zoals dat heet, ‘aansluiten bij de interessesfeer van jongeren’, is daardoor onweerstaanbaar geworden. Niet alleen trekken hippe onzinstudies veel studenten, ook is de verwachting dat studies die studenten ‘leuk’ vinden tot snellere doorstroom leiden. En dus grossieren instellingen in studies die de laatste maatschappelijke modes weerspiegelen: sportmarketing, game development, fashion branding, e-technology (let op het hippe Engels).

De remedie ligt voor de hand: stop de perverse financieringsprikkels, geef onderwijsinstellingen een lumpsum die is afgeleid van een door de politiek vastgesteld percentage van het bruto binnenlands product en laat de hoogopgeleide professionals in die instellingen vervolgens zelf beslissen over de besteding van die som: meer in kwaliteit of kwantiteit, meer in alfa, bèta of gamma, meer in intensief of extensief onderwijs. En uiteraard met een plafond op wat aan vastgoed, bestuurderssalarissen en staf mag worden gespendeerd – want de kosten daarvan zijn de laatste jaren de pan uit gerezen.

Maar er is ook een vraagkant aan het probleem van doorgeschoten specialisering en segmentering, zoals het schaamteloze schermen met professionaliteit en beroepseer in de meeste studieomschrijvingen leert – Max Weber zou zich in zijn graf omdraaien. Nederland is namelijk verslaafd aan diploma’s. Zelfs de nieuwste, meest modieuze of meest obscure functies verdwijnen razendsnel achter certificaten waar vervolgens een eigen opleidingstraject aan wordt gekoppeld. En o wee als deze segmenten in handen vallen van would be beroepsorganisaties: binnen korte tijd is er dan een monopolie op gevestigd en hebben buitenstaanders geen toegang meer tot deze segmenten, maar moeten zij eerst een speciaal certificaat verwerven, liefst aan een daartoe geaccrediteerde hogeschool.

Professies zijn pas professies als zij over erkende opleidingen beschikken, zo heeft de Amerikaanse socioloog Andrew Abbott in zijn onovertroffen System of Professions laten zien. Daarmee kunnen zij immers bepalen wie wel en wie geen toegang tot het werkveld krijgt – en indirect de hoogte van de beloningen. En dus doet iedere aspirant-professie via de band van statelijke erkenning wanhopige pogingen om zijn eigen gecertificeerde opleidingstraject op te zetten.

Dit is een universeel fenomeen, zelfs in een typische ‘vrijemarkt’-economie als de Amerikaanse is een vijfde van alle banen alleen toegankelijk voor werknemers die over de juiste certificaten beschikken. Op het Europese continent kan dat aandeel oplopen tot meer dan de helft van alle banen, zo leert onderzoek. Door de combinatie van input- en outputfinancieringen en grote betrokkenheid van de overheid bij het beroepsonderwijs is de prikkel tot voortschrijdende certificering in Nederland sterker dan in de VS. Hier zijn niet alleen advocaten, onderwijzers, boekhouders, ingenieurs en dokters erkende professies maar ook ontwerpers, marketeers, automatiseerders en – als laatste loot aan deze rijke stam – game developers.

Dit is om drie redenen ongewenst. Ten eerste gaan dit soort monopolies altijd gepaard met hogere kosten voor de afnemers van de diensten of goederen die deze monopolisten leveren: met een ‘numerus fixus’ beperken medisch specialisten het arbeidsaanbod en weten zij de eigen tarieven op te schroeven. Ten tweede beschermt certificering niet alleen tegen buitenstaanders maar sluit het ‘binnenstaanders’ ook op in hun eigen arbeidsmarktsegment – en in tijden van economische onzekerheid zouden die wel eens vaker doodlopende steegjes kunnen blijken te zijn dan we nu bevroeden. Ten derde maakt het bepaalde sectoren op vaak oneigenlijke gronden ontoegankelijk voor al diegenen die om wat voor reden dan ook uit het onderwijsbestel zijn gevallen en zich zelfstandig een weg proberen te banen op de arbeidsmarkt. En laten we wel wezen: het grootste uitvalprobleem zit niet in het mbo maar in het wo. Na zeven (!) jaar heeft 51 procent (!) van de studenten in het wo een masterdiploma.

De Nederlandse arbeidsmarkt neemt steeds meer de gedaante aan van een feodale gildenstructuur. Leuk voor de gediplomeerde hogere middenklasse, rampzalig voor de rest. Ook hier is de remedie simpel: stop de verdere certificering van de Nederlandse arbeidsmarkt en bewaak de diplomavrije ruimte. Al was het maar omdat onderwijsinstellingen niet het monopolie hebben op kennisoverdracht; zolang wij onszelf uitdagingen stellen, leren wij, ook, en misschien wel juist, buiten die formele plaatsen van kennisoverdracht die wij ‘scholen’ noemen.