Wisselcolumn

Leve Anciaux!

Gerard Reve mocht de Prijs der Nederlandse Letteren niet ontvangen uit handen van koning Albert II. Minister Anciaux had daartoe besloten omdat hij aanstoot nam aan uitlatingen van Reves levenspartner Joop Schafthuizen, waarin die zijn aanranding van een Vlaams jongetje bagatelliseerde als «een akkefietje». So what, zou je denken. Fijn dat die royalistische poppenkast de prijsuitreiking niet komt versjteren. Toch sprong de literaire goegemeente, plotseling koningsgezinder dan de Ridders van de Tafelronde, volledig uit haar vel. De zwaarden werden geheven, en de kop van Bert Anciaux moest rollen. Per e-mail werd een petitie rondgestuurd aan iedereen die weleens een zin op papier had gekregen. Ook ik vond de woedende aanklacht in mijn mailbox. «Niet eerder», zo wordt in de petitie zonder enige ironie gesteld, «heeft een Vlaams minister van Cultuur het hem toevertrouwde patrimonium zelf zo aangetast.» Ik wreef in mijn ogen, en vroeg me af of ik in deze affaire niet iets over het hoofd had gezien. Had de minister intussen soms ook het historische hart van Gent en Brugge plat laten gooien ten behoeve van de bouw van een winkelcentrum? Brussel per convenant geschonken aan de Franstalige gemeenschap? Was hij het Lam Gods van Van Eijk met een scheermesje te lijf gegaan in een woedeaanval?

De werkelijkheid was vele malen gruwelijker. Anciaux had Gerard Reve de apotheose van zijn carrière ontzegd door het «zo belangrijke ceremonieel van de uitreiking te annuleren», en beging daarmee een verschrikkelijke schanddaad. Het prestige van de grootste literaire onderscheiding uit het Nederlandse taalgebied was voorgoed verdwenen. Nooit zou een vorst nog deze prijs kunnen uitreiken! De petitie-opstellers (Erwin Mortier, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Lieven van de Hauten) en zestig ondertekenaars zegden hun vertrouwen in de minister op en eisten zijn aftreden.

De minister schrok van de verbetenheid van de schrijvers die zo buitensporig op hun pik waren getrapt en nodigde een delegatie van de gekrenkte literaire geesten uit voor een «open gesprek». Op die uitnodiging werd niet gereageerd. Geen enkele schrijver verscheen op het ministerie. Over hun gelijk viel blijkbaar niet te twisten.

Het front van verongelijkte schrijvers viel al snel uiteen. Auteurs krabbelden terug, zeiden dat ze de minister niet echt weg wilden hebben maar het alleen maar «symbolisch» hadden bedoeld en «een signaal af wilden geven». Anderen hielden voet bij stuk. Dat Anciaux behalve minister van Cultuur ook nog minister van Jeugd is, bleken veel schrijvers niet eens te weten. De bekommernis van de minister, die zich druk maakte om de pederast in Schafthuizen, is allicht verklaarbaar vanwege de Dutroux-affaire, maar dat is dan het probleem van de minister. Pedofilie was voor de schrijvers namelijk «niet het issue». Wat was het issue dan wel? Toch niet het al dan niet aanwezig zijn van de prul en praal van het vrome Belgische hof?

De rel rond Reve is een machtsstrijd, waarin de schrijvers hun maatschappelijke status als iets vanzelfsprekends opeisen. Maar door zo hooghartig en monotoon te mekkeren en het morele aspect van de kwestie te negeren, hebben de schrijvers hun zaak direct ondergraven. Het enige wat ze in hun aanklacht duidelijk hebben gemaakt, is dat hun tenen vele malen langer zijn dan het geslacht van een aangerande jongen van dertien. Mijn handtekening en sympathie hebben ze daarmee in elk geval niet gekregen. Want niet de groep schrijvers, maar Anciaux komt in deze affaire als de morele overwinnaar uit de bus. De minister heeft gewetensvol gehandeld en zijn zaak beter bepleit dan de geletterde geesten die zijn kop eisten maar te laf waren om dat in zijn gezicht te komen zeggen. De minister heeft de cultuur juist een geweldige dienst bewezen door de Prijs der Nederlandse Letteren te verlossen van valse bigotte franje en kwezelarij. In plaats van minachting verdient de man hiervoor het volste respect.

Daarom: Leve Anciaux, Leve Reve en vooral: Leve de Republiek!