Leve de doden

MEER DAN HONDERD jaar geleden, in 1894, verscheen de derde roman van Marcellus Emants, Een nagelaten bekentenis. Emants was een van de Nederlandse schrijvers die in hun werk enthousiast het naturalisme navolgden dat Emile Zola in Frankrijk had ontwikkeld en uitgewerkt. Zola’s literatuuropvattingen vonden weerklank bij auteurs als Arij Prins, Frans Netscher, Johan de Meester, Frans Coenen en A. Aletrino.

Net als Een liefde van Lodewijk van Deyssel is Emants’ Een nagelaten bekentenis een naturalistische roman van niveau, die nu nog steeds kan worden gelezen, in tegenstelling tot veel ander proza uit die ‘stroming’. In de reeks 'Klassieken van de Nederlandse letterkunde’ is Een nagelaten bekentenis nu opnieuw uitgegeven, met een inleiding van literatuurprofessor Ton Anbeek. In zekere zin is het een modern boek, en voor een lezer van nu soms zelfs verrassend. Wie bereid is zich niet te storen aan gedateerde opvattingen over het wezen van de mens, wie over het hoofd wil zien dat de roman hier nadrukkelijk wordt gebruikt om ideeen over te brengen, vindt onder de saai-wetenschappelijke theorie en de telkens terugkerende bespiegelingen over de onderworpenheid van de mens aan zijn natuur, de boeiende geschiedenis van een degenere die geen andere mogelijkheid meer heeft dan zijn echtgenote om het leven te brengen.
De 'objectieve’ registratie die het naturalisme voorstaat - het zonder morele vooroordelen tonen van de mens in zijn 'gewone’ doen en laten in zijn 'gewone’ omgeving - heeft Emants enigszins losgelaten. Hij kiest voor het perspectief van de moordenaar, die toegeeft veel en graag te liegen. Dat maakt hem niet meteen tot een onbetrouwbaar verteller, maar plaatst toch kanttekeningen bij het waarheidsgehalte van zijn geschiedenis. (De volgende opmerking dient dan ook niet erg serieus genomen te worden: 'Voor mij, evenals voor de negers, scheen de hoogste grenslijn van intellectuele ontwikkeling erg laag te liggen.’)
Willem Termeer heeft zijn vrouw, Anna, vergiftigd. Toen ze sliep lepelde hij een ruime hoeveelheid van haar slaapmiddel in haar mond, waarna ze niet meer ontwaakte. Hun huwelijk was niet bijster florissant, en Termeer meende door zijn echtgenote te vermoorden het ongeluk achter zich te kunnen laten en een nieuw leven te kunnen beginnen. Omdat hij zijn misdaad voor de buitenwereld onzichtbaar heeft weten te houden, krijgt hij inderdaad de kans te ontsnappen aan zijn zielloze, verstikkende bestaan. Na de klassieke openingszin 'Mijn vrouw is dood en al begraven’, vertelt Termeer wat er allemaal voorafging, de hele slepende, tragische geschiedenis.
Anna is natuurlijk niet voor niets vermoord, Willem had er zijn redenen voor. Om de achtergronden van het drama enigszins duidelijk te maken, legt hij een bekentenis af. Zijn biecht is tegelijkertijd een zelfverdediging. Door een diepgaande zelfanalyse poogt hij inzicht te krijgen in zijn aard, en begrip te kweken voor zijn daad. Wat hij heeft gedaan was een gevolg van wie hij is. Wie hij is, is gedetermineerd door zijn erfelijke belasting. De moord was in feite onvermijdelijk. Maar dat maakt hem nog niet tot een 'slecht’ mens.
AL IN ZIJN jeugd was Willem Termeer laf en angstig, onzeker over zichzelf en zijn waarde in de maatschappij. Hij had geen vrienden, dacht voornamelijk aan zichzelf en loog als dat hem goed uitkwam. Dat jongetje zonder makkers, dat nooit impulsief handelde maar altijd berekenend en terughoudend was, raakte al vroeg verbitterd. Omdat daar geen liefde tegenover stond, groeide hij op tot een pessimistische jongeman, lijdend aan het leven. Nu en dan werd zijn permanente 'doffe dommel’ doorbroken door de felle begeerte naar een vrouw. Die momenten van tijdelijke passie, hoe spaarzaam ook, bonden hem nog aan het leven. Maar hij achtte zichzelf zo minderwaardig dat hij geen vrouw durfde te benaderen. Zijn uiterlijk werkte ook niet mee: 'Mijn mager gelaat met de fletse, gepukkelde huid, de bleek blauwe ogen, de grijs blonde, sluike haren was beslist… lelijk. Ik vond mijn grote, openstaande mond met de dikke lippen terugstotend, mijn dunne, scheve neus belachelijk en merkte op, dat mijn rechteroog bij een snelle blikbeweging niet gauw genoeg meedraaide, wat me dan even scheel deed zien. Mijn kleine gestalte was ook al treurig uitgevallen. De druipschouders versterkten de indruk van zwakheid, die het aangezicht reeds maakte; mijn magere vingers en polsen waren erg knokig en ik liep met uitbuigende knieen.’
Dat armzalig wezen hunkert naar vrouwen, maar vindt alleen in de betaalde liefde enig soelaas. Het ontbreekt hem ten enenmale aan zelfvertrouwen, daadkracht en doorzettingsvermogen om zijn toestand van inertie en melancholie te overstijgen. Als hij dan, tegen zijn dertigste, min of meer per ongeluk toch trouwt, ziet hij direct in dat ook dit huwelijk hem nooit zal kunnen verlossen uit de 'stil zich afrollende, effen grijze vlakte van mijn bestaan’. En inderdaad is het leven met Anna zo ongeinspireerd en lusteloos, zo hemeltergend saai, dat Termeer er stilaan van overtuigd raakt dat haar dood het enige middel is om zijn doel - 'de onstilbare behoefte om zich te voelen leven’ - te bereiken. Als zijn vrouw zelfs te lamlendig blijkt om op zijn verzoek om een scheiding in te gaan, stelt hij zijn daad.
EN DAN WORDT het interessant. 'Tegelijk was ’t me, of ik met het geheim in mijn ziel al die mensen bedroog, of mijn daad, waarmee ik straffeloos de maatschappelijke wetten getrotst had, me boven de alledaagsheid stelde, die me omringde. Voor een keer genoot ik de illusie me gewroken te hebben op het normale mensdom, op mijn beurt eens te triomferen over de samenleving, die me altijd aan banden gelegd en onthouden had wat me toekwam.’
Termeer houdt zich voor een degenere. Hij kan 'misschien minder lijden, maar zeker ook minder genieten dan de gewone, gezonde mens’. Een hypochonder en neurasthenicus is niet 'normaal’ en heeft geen 'nut’. Als hij ook nog eens niet werkt (zoals Termeer, die net als Emants van een erfenis kan leven), is zijn waarde bijna nihil. Maar het 'normale mensdom’, 'de gelukkige, fatsoenlijke mensen’, is een bende huichelaars. Door dat inzicht krijgt de moord op zijn vrouw een grotere betekenis. Termeer stelt namelijk: 'Zou ik niet in staat zijn tot een flinke daad, tot een enkel geruchtmakend schandaal?’ Het plegen van de moord is een wraakoefening op het mensdom, een afrekening met meer dan alleen Anna. Zijn misdaad is een daad van verzet tegen de 'geachte, geeerde, fatsoenlijke, edeldenkende, beroemde enzovoort maatschappelijke mannen’. En dat siert hem.
Er is nog een interessante drijfveer herkenbaar. Willem Termeer doodt zijn vrouw namelijk ook uit verveling. Hij ervaart zijn leven als een aaneenschakeling van nietsbetekenende gebeurtenisjes, van akelig lege dagen. Normale mensen kunnen daar tevreden mee zijn, maar hij niet: 'Ach, ook ik wilde leven… leven als zij, glansrijk, hevig, kort!’ Het was niet Anna’s schuld dat ze diende te verdwijnen; het zou iedere echtgenote overkomen zijn. Er was iets in Willem Termeer dat te sterk was om overwonnen te worden, de vernietigende kracht van de verveling: 'En nog altijd ging het zo door. Ook deze mooie dag, deze dag vol leven, deze dag, die aan duizenden emoties en genot moest schenken, voor mij zou i weer leeg heen spoeden, zonder een spoor achter te laten op de stil zich afrollende, effen grijze vlakte van mijn bestaan. Zo zou ’t vandaag gaan, zo zou ’t morgen gaan, zo zou ’t over een maand, over een jaar gaan en ondertussen vergrijsden mijn haren, verkalkten mijn aderen, verhardden of verweekten mijn hersenen. (…) Neen, neen, zo kon ’t niet langer! Ik wilde er uit; ik moest de onzichtbare muren van mijn gevangenis doorbreken. Ik moest toch eenmaal echte emoties hebben, eenmaal me anders dan in mijn verbeelding voelen leven, eenmaal volop begeren, liefhebben, genieten en lijden! En dat moest gauw gebeuren, heel gauw, heel gauw, of ’t zou voor immer te laat zijn! Wie had er wat aan, wie dankte er me voor, als ik met de idiote braafheid van een asceet hier verstompte in de saaiheid?’
De held van Bret Easton Ellis’ fenomenale roman American Psycho, de serial killer Patrick Bateman, wordt bij het moorden gedreven door het verlangen naar 'die allerzeldzaamste aller gebeurtenissen, een golf adrenaline’. Aan hem moest ik denken toen ik Willem Termeer zag opbloeien nadat hij zijn echtgenote om het leven had gebracht. Op het eerste gezicht een zeurende egoist, verbeeldt Termeer in zijn melancholieke pessimisme de diep-menselijke vrees voor de leegte en de angst zich te vervelen, en het onblusbare verlangen naar passie en avontuur, de wens te willen leven. Ten koste van alles.