Leve de reformasi

IN HET KANTOORTJE van de SBSI, aan de drukke verkeersweg jalan Pemuda in Jakarta, pakt Muchtar Pakpahan haastig zijn tas in. Ongeveer zestig mensen werken in dit gammele, verveloze gebouwtje voor Pakpahan en zijn vakbond. Ze lopen voortdurend bij hem binnen met vragen. Maar hij moet het vliegtuig halen; we staan op het punt om af te reizen naar Lampung (Sumatra) voor een bezoek aan een van de afdelingen van de SBSI. ‘We gaan daar praten over de toekomst’, zegt hij plechtig. ‘Strategieën bespreken.’

Als we al in de oude, roestige vakbondsbus zitten die ons naar het vliegveld zal brengen, komt een van zijn jonge medewerkers - pas kortgeleden, na Soeharto’s val, vrijgelaten uit de gevangenis - nog een stapel pamfletten laten zien. Die zijn onlangs uitgedeeld in kampongs en moskeeën op Java, Sumatra en Oost-Timor. In de tekst wordt Pakpahan uitgemaakt voor communist, en zijn bond voor een neo-PKI (Partai Komunis Indonesia). ‘Ja, het gaat nog steeds door’, verzucht de kleine, taaie vakbondsleider. 'Officieel kan de SBSI nu in vrijheid opereren, maar in de praktijk worden we nog overal tegengewerkt.’
Gunstige berichten bereiken Nederland over het arbeidsklimaat in Indonesië. Dat lijkt sinds de reformasi werkelijk wat verbeterd. De nieuwe minister van Arbeid stelt zich zowaar open voor overleg en tracht te handelen naar de conventies van de International Labour Organisation. En arbeiders hebben nu het recht zich te organiseren, wat ze gretig doen, in allerlei nieuwe vakbondjes.
Maar de SBSI heeft andere ervaringen. Stakingen worden ondanks officiële nieuwe richtlijnen vaak nog door ingehuurde militairen beëindigd, zoals de werkgevers al zo lang gewend zijn te doen. 'Eind juni’, vertelt Pakpahan, 'werd daarbij nog geschoten en belandden 22 arbeiders in het ziekenhuis. Op 31 juli organiseerde de SBSI in Medan een scholingscursus voor de leden. Het leger ontbond de bijeenkomst. En leden van de bond worden nog altijd geïntimideerd, bedreigd met ontslag of echt ontslagen. Zoals net nog is gebeurd in Lampung, Bekasi en Tangerang.’
Reformasi? 'Pffff’, verzucht hij, 'dat is een modewoord geworden sinds de regering het heeft ingelijfd. Alles wordt nu reformasi genoemd, maar in de praktijk verandert er bitter weinig. Er zijn geen wetten, er is geen systeem waarin veranderingen geïmplementeerd worden. Er wordt zelfs alweer teruggekrabbeld. Neem de Perpu(2, het wetsontwerp dat demonstraties van meer dan vijftig mensen verbiedt. Demonstraties! Zo'n belangrijk gereedschap voor democratie! Je mag dus alleen op bruiloften en begrafenissen bij elkaar zijn met meer dan vijftig man. Die wet is nog niet ingevoerd omdat er zware kritiek op is. Maar als Perpu(2 van kracht wordt, zijn we weer terug bij af.’
Habibie is soms nog erger dan Soeharto, vindt Pakpahan, en hij memoreert met afgrijzen hoe de president eind augustus zijn vrouw, zijn jongere broer en een aantal vrienden een belangrijke staatsonderscheiding toekende. Zonder opgaaf van redenen. 'Soeharto publiceerde tenminste nog vijf dagen van tevoren wie hij de onderscheidingen ging geven. Van Habibie horen we niks, behalve prachtige verhalen over hoe hij de economie uit het slop gaat halen, terwijl hij dit land intussen geheel afhankelijk maakt van buitenlandse hulpfondsen en het IMF.’
DE SITUATIE VAN de arbeiders in Indonesië is nog altijd erbarmelijk. Het minimumloon is met ingang van 1 augustus weliswaar met vijftien procent verhoogd, maar bedraagt zelfs dan nog geen gulden per dag. Zwangere vrouwen worden eenvoudig ontslagen, en van vakantie- of ziektegeld hebben Indonesische arbeiders nog nooit gehoord. Nu, tijdens de crisis, durft men minder dan ooit te protesteren uit angst voor ontslag. Er is nog altijd veel moed nodig om lid te worden van een vakbond, en zeker van de militante SBSI.
Onder een van de viaducten die we passeren op weg naar het vliegveld zien we groepjes mensen die daar hun bivak hebben opgeslagen. 'De daklozen’, wijst Pakpahan. 'Sommigen van hen hebben nog wel een baan. Maar daarmee verdienen ze niet genoeg om een woning te kunnen huren.’
In de lucht, wanneer Jakarta uit het zicht verdwijnt, vertelt Muchtar Pakpahan waar zijn motivatie vandaan komt om voor Indonesiës arbeiders op de bres te springen. Hij stamt uit een arme, protestantse boerenfamilie op Noord-Sumatra. Dat hij nu 45 jaar oud is staat vast, maar wanneer hij precies is geboren is onduidelijk. 'Toen ik het mijn moeder vroeg, zei ze dat ze het niet wist’, grijnst hij. 'Ergens vlak voor Kerstmis. Dus hebben we maar besloten dat mijn geboortedatum 21 december is. Wel lastig, want nu klopt mijn horoscoop natuurlijk nooit.’
Hij verloor zijn beide ouders toen hij nog heel jong was. Maar hij wilde per se doorleren en reed daarom rond op een fietstaxi om geld te verdienen. Met hoge idealen ging hij rechten studeren, God belovend dat hij zich zou inzetten voor de verdrukten als hij slaagde. In zijn werk als sociaal raadsman zag hij het grote onrecht dat boeren, vissers en arbeiders werd aangedaan. Om daar beter tegen te kunnen vechten richtte hij in 1992 zijn vakbond op.
In 1994 liet Soeharto hem opsluiten. Twee jaar en tien maanden zat hij in de gevangenis. Al zijn familieleden en vrienden werden in die tijd ondervraagd. Zijn hele dagelijkse leven werd uitgepluisd. De militairen wilden zelfs graag weten met wie hij speelde op de lagere school en hoe zijn rapportcijfers toen waren.
In de gevangenis, zegt Pakpahan, voelde hij zich eigenlijk heel sterk. Hij bracht de tijd door met lezen, schrijven, en bidden. 'Alleen als ik aan mijn dochtertje dacht voelde ik me ellendig. Ze was acht in die tijd, en in de negen maanden en tien dagen dat ze me vasthielden in Medan heb ik haar maar één keer gezien. Totdat God me de kans gaf om ziek te worden. Ik werd onder bewaking opgenomen in een goed ziekenhuis. Daar mocht ik bezoek ontvangen, en had ik zelfs vergaderingen met leden van mijn bond, met NGO’s en studentenorganisaties. Ik kon vanuit het ziekenhuis meehelpen de reformasi te organiseren.’
Op 26 mei werd hij vrijgelaten, zonder dat alle andere politieke gevangenen ook vrijkwamen, zoals hij had geëist. Ja, daar is hij woedend en gefrustreerd over. Hij wil het liefst de straat op, demonstraties organiseren om hun vrijlating af te dwingen, maar hem is dringend verzocht, vooral door vertegenwoordigers van Chinese Indonesiërs, dat niet te doen. 'Ze zijn bang dat een grote demonstratie weer zal uitmonden in geweld tegen hen en hun vrouwen.’ Gelaten: 'Het is ook beter om nu eerst naar politieke en economische rust te streven, in het belang van het volk.’
IN LAMPUNG WORDT Pakpahan opgewacht door een verheugde delegatie van vakbondsleden die ons meeneemt naar het afdelingskantoor van de SBSI. Een klein, kaal hokje waar alleen een kalender uit 1993 aan de muur hangt. Zeker vijftig leden hebben zich in de ruimte weten te persen en zitten doodstil op de vloer om te luisteren naar Pakpahan. De enige stoel in het kantoortje is voor hem. 'Merdeka!’ is zijn strijdbare groet, 'vrijheid!’ Dan spreekt hij twee uur gloedvol en voor de vuist weg.
Hij drijft de spot met de SPSI, tot voor kort de enige officieel toegestane vakbond in Indonesië. Een verlengstuk van de regering, feitelijk, dat zich voor het reformasi-tijdperk meer bezighield met de belangen van werkgevers dan van de werknemers. 'Zo zielig’, zegt hij, 'als er een internationale conferentie is van vakbonden wil niemand met de SPSI-delegatie praten. Ze werken immers voor de regering en de bedrijven. Toen wij als SBSI een salarisverhoging voor de arbeiders eisten, zeiden ze dat dat het failliet van de bedrijven zou betekenen en dat Muchtar Pakpahan gevaarlijk was. Ach, de SPSI heeft een wat andere belangstelling dan wij; zij zijn namelijk politici.’
'Maar dat neemt niet weg dat wij elkaar, en ook andere bonden moeten vertrouwen’, houdt hij zijn gehoor voor. 'Na 32 jaar Soeharto heeft ons volk de neiging gekregen om anderen te laten vallen. We zijn zo effectief uit elkaar gespeeld dat we elkaar wantrouwen. Dat moet veranderen. In Nederland zijn er de FNV en de CNV. Ze zijn concurrerend en bekritiseren elkaar, maar ze steunen elkaar ook.’
Waarop hij een lange lezing gaat geven wat er in Lampung allemaal moet gebeuren om de SBSI tot een sterke vakbond te maken. 'We waren als SBSI altijd’, schertst hij, 'voor negentig procent militant, en tien procent professioneel. Laten we alsjeblieft militant blijven, maar we moeten nu ook een professionele organisatie worden.’
Het lijkt erop dat daarvoor bij nul begonnen moet worden. Er is hier helemaal niets: geen ledenadministratie, geen behoorlijk geschoold kader, geen benul van de rechten van arbeiders, geen notie van ILO-conventies. Alleen maar goede wil en wanhoop. De enige die verstand lijkt te hebben van wat een vakbond is, hoe je inspraak afdwingt en opkomt voor je rechten, is Pakpahan zelf. Geduldig legt hij uit dat een echte vakbond zijn leden moet administreren, dat de contributie fatsoenlijk berekend en geïnd moet worden, dat de activiteiten van de bond gedocumenteerd dienen te worden en dat er elke maand vergaderd moet worden. 'Vanaf 1 oktober moet elke afdeling iedere drie maanden vijftig nieuwe leden werven. Als dat niet lukt, wordt de afdeling geliquideerd’, spreekt hij ferm.
In de pauze is iedereen in het zaaltje murw en bezweet. Er wordt voor vijftig man avondeten binnengebracht. Een zakje water met een rietje, en een opgerold bananeblad met daarin witte rijst, wat groente en een stukje gebakken vis. Een jonge, gesluierde vrouw vertelt dat ze in Lampungs kokosnotenfabriek werkt. Daar verdient ze 5050 rupiah per dag, ongeveer tachtig cent. Minder dan het wettelijk minimumloon. 'Absoluut te weinig om van te leven’, zegt Pakpahan kwaad. Ze knikt. Zij heeft haar hoop op hem gevestigd. Iedere maand draagt ze duizend rupiah contributie af aan de SBSI.
Sinds de crisis is het nog moeilijker voor de vakbond om voldoende contributie binnen te halen. De leden zijn al blij als ze wat eten kunnen betalen, en durven minder dan ooit ontslag te riskeren. De SBSI in Lampung heeft geen cent voor uitbreiding. Hoeveel leden daar nu zijn, is niet duidelijk. Landelijk heeft de bond er 400.000, claimt Pakpahan. Sceptici houden het op 15.000. 'Eind volgend jaar’, voorspelt Pakpahan zonnig, 'zullen van de veertig miljoen arbeiders in Indonesie er één miljoen lid zijn van de SBSI. Dan krijgen we één miljard rupiah per maand binnen aan contributie. In het jaar 2001 zullen we op eigen benen kunnen staan. Dat heb ik ook beloofd aan de internationale organisaties die ons nu nog steunen. En dan, dan gaan we strijden voor twintig procent van de winst van bedrijven. Die moet als bonus over de arbeiders verdeeld worden.’
Zijn optimisme is indrukwekkend. 'Ja’, zegt hij rustig, 'ik ben altijd optimistisch. Ik weet dat God mij helpt.’
MUCHTAR PAKPAHAN tracht niet alleen zijn vakbond tegen de klippen op groot te maken, hij lijkt ook de rest van Indonesiës leed op de schouders te willen nemen. Zo is hij bezig een distributienetwerk op te zetten voor eerste levensbehoeften als rijst en meel. Die worden door SBSI-medewerkers goedkoop ingekocht en zonder winst doorverkocht aan de allerarmsten, zoals arbeiders die zijn ontslagen. Bovendien leidt hij een onderzoek naar Indonesiës KKN - Korupsi, Kolusi, Nepotisme. Want 'de schat’, de miljarden rupiahs die door corruptie en vriendjespolitiek zijn weggelekt, moet terug naar het volk, vindt hij. Tussen de bedrijven door treft hij ook nog eens de laatste voorbereidingen voor de oprichting van de PBN (Partai Buruh National), Indonesiës eerste nationale arbeiderspartij.
Overal waar hij komt wordt hij respectvol bejegend. Mensen buigen voor hem, grijpen zijn hand, begroeten hem met een plechtig 'Salam reformasi’. Maar de laatste tijd klinkt er ook kritiek. Pakpahan zou veel te veel willen, en daardoor weinig klaarspelen. Hij zou alles naar zich toe trekken en niets kunnen delegeren. Zijn bond zou onder zijn ambities te lijden hebben, omdat hij voor al die nevenactiviteiten de enkele goede, hooggeschoolde SBSI-kaderleden aan het vakbondswerk onttrekt.
'Maar’, zo verdedigt hij zich, 'mensen hebben naast werk ook voedsel, en een politieke beweging nodig. De verkiezingen komen steeds dichterbij. Ondertussen lijdt het volk. Er zijn al wel 25 miljoen werklozen. De economie is dit jaar met veertien procent gekrompen. De kosten van levensmiddelen blijven stijgen. En de politieke gevangenen zitten nog altijd vast. Dit alles wordt door de regering absoluut niet serieus genomen! Als je politieke hervormingen wilt, heb je een partij nodig. En de andere partijen vertrouw ik niet. Amien Rais zegt voortdurend tegenstrijdige dingen. Megawati vertrouw ik wel. Voor mij is zij ook de meest geschikte presidentskandidaat, maar in haar PDI zitten te veel bandieten; die zullen nooit de belangen van arbeiders behartigen.’
EEN PAAR DAGEN later, op 28 augustus, beklimt een zichtbaar gespannen Pakpahan het podium in een achterafzaaltje in Jakarta. 'Dit is een historische dag voor het volk, vooral voor de arbeiders’, zegt hij. Eerst gaat hij bidden 'voor de helden van de reformasi, en de arbeiders die in de strijd zijn gesneuveld’. Om vervolgens uiteen te zetten wat de nieuwe Partai Buruh National wil. En dat is - onder veel meer - dat alle politieke gevangenen vrijkomen. Dat er echte vrijheid komt voor arbeiders om zich te organiseren. Dat er een sociale verzekering komt voor mensen die ontslagen zijn. Dat Soeharto voor de rechter wordt gebracht (uitzinnig applaus van de zaal ). Verder moeten de militairen terug in hun barakken. De leden van het parlement moeten gekozen worden, niet langer benoemd. Het gerechtshof moet los komen te staan van het ministerie van Justitie. En twintig procent bonus voor de arbeiders! 'Merdeka! Leve PBN!’
De bijeenkomst blijkt een interessante melange van idealisme, religiositeit en communistisch aandoende teksten over arbeiderssolidariteit. Strijdliederen worden aangeheven, waarna de feestelijkheden rond de lancering van de Nationale Arbeiderspartij losbarsten.
Pakpahan staat wat verloren achteraf. Hij zal de partij niet gaan leiden, maar slechts een rol blijven spelen als adviseur. 'Zie je wel’, zegt hij, 'ik ben aan het delegeren. Mijn hart ligt bij het vakbondswerk, niet in de politiek.’ Waarom? 'Omdat’, zegt hij lyrisch, 'in een vakbond de mensen elkaar nooit laten vallen, ook niet als ze er andere ideeën op nahouden. Als ik vakbondleiders uit andere landen ontmoet, praten we nooit over onze positie zoals politici altijd doen, maar we bespreken hoe de arbeiders in Birma, China, Vietnam en Indonesië lijden. In een vakbond bestaat geen eigenbelang; wij denken alleen aan het lot van de arbeiders en hoe we dat kunnen verbeteren.’
'Een vakbond’, zegt hij serieus, 'is voor mij eigenlijk de hemel op aarde.’