Leve het flexibele pensioen

Nauwelijks is de discussie over de AOW geluwd, of die over het aanvullende pensioen staat voor de deur. Philips wil af van de regel die zegt dat het pensioen (de optelsom van AOW en bedrijfspensioen) zeventig procent bedraagt van het laatst verdiende loon. In plaats daarvan stelt het bedrijf voor de hoogte van het pensioen te baseren op het gemiddelde loon dat iemand gedurende zijn loopbaan heeft verdiend. In pensioenjargon heet dat dat Philips het eindloonstelsel wil vervangen door het middelloonstelsel. Twee argumenten voert men daarvoor aan: in de eerste plaats wil men zo de loonkosten drukken, in de tweede plaats wil men individuele keuzen in de pensioenregeling mogelijk maken.

Het nieuwe stelsel heeft grote voordelen. In een eindloonstelsel krijgt de werknemer zijn pensioen over het laatstverdiende loon. Dat is doorgaans het hoogste van diens hele loopbaan. Tijdens die loopbaan is dus steeds premie betaald over lagere salarissen dan dat waarover het uiteindelijke pensioen wordt berekend. Hoe steiler de loopbaan, hoe groter het gat. Dit gat wordt op twee manieren gedicht. De eerste is het rendement op de belegde premies. De tweede is door de hoogte van de premie zodanig te kiezen dat alvast met dit carrieregat rekening wordt gehouden. Met andere woorden, in de pensioenpremie zit een soort carriereopslag. Omdat iedereen dezelfde premie betaalt, betalen mensen die geen carriere maken extra voor het pensioen van degenen die dat wel doen. De carrieremakers zelf betalen te weinig. Er is dus sprake van omgekeerde solidariteit tussen lage en hogere inkomens. Het middelloonstelsel maakt daaraan een eind.
Het stelsel kent nog een voordeel. Nu is het voor oudere werknemers vaak een probleem om aan het eind van de loopbaan een stapje terug te doen. Dat heeft namelijk negatieve gevolgen voor de beloning en daarmee voor het pensioen. In het middelloonstelsel is het veel minder problematisch om het op latere leeftijd wat rustiger aan te doen. In de discussies over de toekomst van de vut-regelingen worden ook steeds meer modellen ontwikkeld die uitgaan van zo'n vloeiende overgang naar een volledig pensioen. In de Philipsvoorstellen is dat ook terug te vinden. De pensioengerechtigde leeftijd bij het concern wordt 62,5 jaar. Naar keuze kan die leeftijd worden verhoogd naar 65 of juist vervroegd naar 60 jaar. Binnen deze periode van vijf jaar worden verschillende vormen van deeltijdpensioen mogelijk. Wie nog eerder met werken wil stoppen, kan dat doen door gebruik te maken van een ‘pre-pensioen’. Daarvoor moet men echter zelf sparen. Ten slotte kan men de hoogte van het pensioen laten varieren: bijvoorbeeld tot aan het zeventigste jaar een hoger pensioen en daarna wat minder. Pensioen wordt op deze manier steeds meer een keuzemenu dat de werknemer zelf kan invullen.
Waar de pensioenpremies nu gemiddeld zeven procent bedragen, denkt Philips in het nieuwe stelsel genoeg te hebben aan twee procent. De discussie gaat straks over het verschil. Steekt Timmer het in zijn zak? Of zal het - pensioen is immers uitgesteld loon - worden gebruikt voor een fraai cafetaria-systeem waarin werknemers zo veel mogelijk keuzemogelijkheden kunnen realiseren?